Strafrecht overig

Conclusie AG. OM-cassatie. OVAR voor erfvredebreuk (art. 138 Sr) en het zonder toestemming op verboden…

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
24/03712
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:704
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. OM-cassatie. OVAR voor erfvredebreuk (art. 138 Sr) en het zonder toestemming op verboden terrein bevinden (art. 461 Sr). Demonstratie op het bouwterrein van Upfield op de campus van de Wageningen Universiteit. Verdachte is besloten bouwterrein binnengedrongen en op een bouwkeet geklommen. Middel komt met twee deelklachten op tegen beslissing hof om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, i.h.b. tegen oordeel dat (i) handelen van verdachte niet als laakbaar gedrag kan worden beschouwd en (ii) het strafrechtelijk ingrijpen geheel achterwege had moeten worden gelaten. Middel faalt onder verwijzing naar de conclusie in 24/03714 (ECLI:NL:PHR:2026:703). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/03711, 24/03713 en 24/03714.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03712

Zitting 7 juli 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 26 september 2024 de verdachte ter zake van het primair en subsidiair bewezen verklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/03711, 24/03713 en 24/03714. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld door A.M. Hermelink, advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden. G.K. Schoep, advocaat-generaal bij het ressortsparket Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

2 De zaak

2.1

Aan het arrest van het hof ontleen ik de volgende relevante feiten en omstandigheden. Op 20 mei 2021 vond er een demonstratie plaats van een groep actievoerders van Extinction Rebellion op het bouwterrein van [A] , een onderneming van [B] , op de campus van de [universiteit] . De actievoerders demonstreerden tegen de bouw van het kantoor vanwege de rol die – volgens de actievoerders – [B] heeft in het creëren en in stand houden van het voedselsysteem, onder andere door (financiële) beïnvloeding van belangrijke pilaren van de Nederlandse democratie zoals het onderwijssysteem en in het bijzonder de [universiteit] . Er werden leuzen geroepen en spandoeken en vlaggen opgehangen. Drie demonstranten, waaronder de verdachte, zaten/stonden op het dak van een bouwkeet en een aantal demonstranten is in een op het bouwterrein aanwezige hijskraan geklommen en heeft daar een spandoek opgehangen. De actievoerders zijn rond 05:30 uur het bouwterrein opgelopen. Rond 07:00 uur zijn er politieagenten naar het bouwterrein gestuurd. Met een woordvoerster die zich buiten het bouwterrein bevond is afgesproken dat de actievoerders die zich op het terrein bevonden tot 10:30 uur de kans hadden om vrijwillig het terrein te verlaten en dat de politie daarna een bekeuring wegens huisvredebreuk zou uitreiken. Verder is medegedeeld dat als de bouwwerkzaamheden langer stil moeten liggen, de actievoerders zouden worden aangehouden. Omstreeks 11:00 uur kwam het arrestatieteam ter plaatse. De actievoerders die zich op de bouwkeet en de hijskraan bevonden (en – zo begrijp ik – dus niet vrijwillig wilden vertrekken), zijn door de politie aangehouden en naar het cellencomplex in Arnhem gebracht.

2.2

Namens de verdachte en medeverdachten is een verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging gevoerd, op de grond dat de aanhouding en vervolging in strijd is met het demonstratierecht zoals neergelegd in art. 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het hof heeft in de zaken van de verdachte en twee andere medeverdachten op de bouwkeet (de zaken 24/03713 en 24/03714) een schending van art. 10 en 11 EVRM aangenomen en de verdachten ontslagen van alle rechtsvervolging. De medeverdachte die zich op de hijskraan bevond (de zaak 24/03711) is door het hof veroordeeld tot een geldboete.

3 Het middel

3.1

Het middel komt met twee deelklachten op tegen de beslissing van het hof om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, in het bijzonder tegen het oordeel dat (i) het handelen van de verdachte niet als laakbaar gedrag kan worden beschouwd en (ii) het strafrechtelijk ingrijpen geheel achterwege had moeten worden gelaten.

3.2

Het middel komt overeen met dat in de zaak 24/03714 (ECLI:NL:PHR:2026:703). Om de redenen vermeld in mijn conclusie in die zaak, meen ik dat het middel faalt.

4 Slotsom

4.1

Het middel faalt in beide onderdelen.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G