Strafrecht overig
Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel, dat inhoudt dat betrokkene onvoldoende in gelegenheid is gesteld…
ECLI:NL:PHR:2026:75 · Parket bij de Hoge Raad · 10 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-75
Zaakgegevens
Op 10 maart 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Datum publicatie
- 13 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/02243
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:75
Samenvatting
Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel, dat inhoudt dat betrokkene onvoldoende in gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan, mist feitelijke grondslag: art. 80a RO. De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Samenhang met 24/02246.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 11 juni 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:2943Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:75
Hoge Raad · 26 mei 2026
ECLI:NL:HR:2026:800
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02243 P
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene
1 Inleiding
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 juni 2024 (rolnr. 22-002837-23) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 258.710,95 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 242.460,95. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 24/02246. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in cassatie om gaat
In deze ontnemingszaak heeft het hof geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat binnen [A] B.V, onder de feitelijke leiding van de verdachte (tevens betrokkene), in de periode van 1 januari 2014 t/m 3 november 2016 ten aanzien van meerdere werknemers met Oost-Europese namen strafbare feiten zijn gepleegd soortgelijk aan het in de onderliggende strafzaak bewezenverklaarde strafbare feit. Het middel houdt in dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat er waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
3 Het middel
Het middel bevat de klacht dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.
De in het middel verwoorde eis is neergelegd in HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46 m.nt. Reijntjes r.o. 2.4.4. Uit de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak waarin ik vandaag ook concludeer, blijkt zonder meer (zie de conclusie voor die strafzaak onder 3.20 en 4.5) dat de verdachte en zijn raadsman de gelegenheid hebben gehad aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de fraude zich ook tot andere werknemers met Oost-Europese namen heeft uitgestrekt. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag.
Het middel faalt.