Strafrecht overig

Conclusie AG. Tallon-criterium bij op de verdachte gerichte inzet van een lok-tas. Het middel faalt…

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
16 augustus 2026
Zaaknummer
24/03535
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:773
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Tallon-criterium bij op de verdachte gerichte inzet van een lok-tas. Het middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:773

  2. Hoge Raad · 8 september 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1418

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03535

Zitting 18 augustus 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 12 september 2024 (parketnr. 21-000007-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.W. Syrier, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel is gericht tegen de verwerping van een niet-ontvankelijkheidsverweer en houdt in dat het oordeel over de rechtmatigheid van de gehanteerde opsporingsmethode (de inzet van een lokmiddel) ontoereikend is gemotiveerd.

De beoordeling door het hof

4. Het arrest bevat in dit verband deze overwegingen (onderstrepingen door mij, D.A.):

“De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de loktas in strijd met het zogenoemde Tallon-criterium is ingezet. De loktas is pal voor de neus van de verdachte neergezet. De actie van de verbalisanten was gericht op de verdachte en hij is door die inzet bewogen tot een handelen waarop zijn opzet van tevoren niet was gericht. Daarmee is sprake van een ernstige inbreuk van de beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces.

De advocaat-generaal heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Er is geen sprake van ontoelaatbare inzet van de loktas en de inzet was niet specifiek gericht op de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie is het plaatsen door de politie van lokmiddelen, zoals een loktas, om personen die zich schuldig maken aan diefstal op heterdaad te kunnen betrappen, op zichzelf niet ongeoorloofd, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling (vgl. HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817, NJ 2009, 224). Het gebruik van een dergelijk lokmiddel is in het algemeen niet onrechtmatig indien daardoor (a) de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, en (b) de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet zijn geschonden.

Op 30 maart 2022 begaven twee verbalisanten zich in het centrum van Arnhem in burgerkleding op een onopvallende fiets, als zodanig niet herkenbaar als politieagenten. Toen één van de verbalisanten langs het Musis Sacrum Theater in Arnhem fietste zag hij twee mannen op de betonnen trapjes zitten. Deze locatie is gekenmerkt als een zogenoemde IGP (informatie gestuurd politiewerk) locatie, dan wel een overlast locatie, waar onder andere vaker diefstallen worden gepleegd . Op de trapjes bij dit theater zagen de verbalisanten onder andere de hen ambtshalve bekende [verdachte] (de verdachte). Volgens de verbalisanten was de verdachte de afgelopen paar maanden vaker aangehouden geweest voor diefstallen, was hij een actieve veelpleger en was bekend dat hij zich bezig hield met harddrugs . Dit maakte dat de verbalisanten daar de loktas wilden inzetten. Een verbalisant is op ongeveer vier meter afstand van de verdachte gaan zitten en legde de loktas naast zich neer. De verbalisant deed alsof hij aan het bellen was en stond op een meter afstand van de tas, met zijn rug naar de loktas toe. Vanaf het moment dat de verbalisant ter plaatse kwam, had de verdachte aandacht voor hem, dan wel de tas. De verdachte stond op en schoof steeds meer op richting de tas. Hij keek steeds spichtig [bedoeld zal zijn: schichtig, D.A.] om zich heen. Hij benaderde de tas een keer en liep weer weg kennelijk om te kijken of de verbalisant daarop reageerde.

Het hof overweegt dat de inzet van de loktas op genoemde datum onderdeel was van een algemene politie-actie in het centrum van Arnhem. In verband met de stijging van winkeldiefstallen en zakkenrollerij in de gemeente Arnhem houdt een speciaal team van de politie Oost-Nederland zich bezig met het bestrijden van winkeldiefstallen, zakkenrollerij, bagagedieven en het plaatsen van lokmiddelen. Er is van tevoren schriftelijk toestemming gegeven door een officier van justitie voor de inzet van lokmiddelen en een lokpersoon. Dat betreft altijd een politieagent in burgerkleding. Het lokmiddel wordt gedragen of geplaatst in de omgeving van mogelijke verdachten.

Eerst bij het aantreffen van de verdachte op die locatie heeft de politie-inzet zich op hem gespecificeerd. Hierin ziet het hof geen onrechtmatigheid, aangezien de verdachte bij de verbalisanten bekend stond als recidivist en overlastgever.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat de politie de verdachte heeft gebracht tot handelingen waarop zijn opzet van tevoren niet zou zijn gericht. Dat de aanwezigheid van de loktas hem gelegenheid en kennelijk het idee gaf die tas te stelen, doet daaraan niet af. De loktas is op vier meter afstand van de verdachte neergezet en de verbalisant, die zich voordeed als eigenaar van de tas, stond op korte afstand van de tas te bellen. Er was sprake van een natuurlijk straatbeeld wat ook blijkt uit de aan het dossier toegevoegde foto’s.

Ook overigens heeft, het hof geen onrechtmatigheid geconstateerd en daarom wordt het verweer verworpen.”

Een nadere omschrijving van het middel

5. De steller van het middel brengt naar voren dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, omdat “het hof heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een op verzoeker gerichte inzet van een lokmiddel waarbij niet de verdachte het lokmiddel heeft geselecteerd, maar waarbij de verdachte door de opsporingsambtenaar is uitgekozen”.

Het juridisch kader: de inzet van lokmiddelen en het instigatieverbod

6. Als opsporingsmethode steunt de inzet van lokmiddelen door de politie (denk aan: lokfietsen, lokportemonnees, lokauto’s, loktieners en in dit geval: een lok-tas) niet op een hierop toegesneden wettelijke grondslag. De Hoge Raad acht het middel niettemin op zichzelf geoorloofd, zij het met beperkingen die voortvloeien uit beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens vaste rechtspraak is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inzet van een lokmiddel bovendien cruciaal of de verdachte door dat middel is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet tevoren was gericht (het zogeheten Tallon-criterium). Lokken mag wel, uitlokken niet. Het is immers de bedoeling om criminaliteit te reduceren, niet om die te genereren. De vraag is dus waar de grens moet worden getrokken.

7. Deze vraag heeft een mensenrechtelijke component en vergt een toets aan artikel 6 lid 1 EVRM. Waar gaat het (passieve) ‘bieden van gelegenheid’ over in het (actieve) ‘aanzetten tot een misdrijf’? Die vraag kan m.i. worden geplaatst in de sleutel van de vraag of de inzet van het lokmiddel de verdachte zodanig heeft beïnvloed dat hij een soort misdrijf heeft gepleegd dat hij anders niet had begaan.

8. Bij de beantwoording van deze vraag is allereerst de manier waarop het lokmiddel is ingezet van betekenis: in hoeverre gaat van de gecreëerde situatie een uitlokkende werking uit? Knigge verdedigde in navolging van Boogers de maatstaf of “het lokmiddel de situatie ter plaatse niet wezenlijk verandert (en dat is het geval als het lokmiddel niet afwijkt van wat ter plaatse normaal aan objecten aanwezig is). (...) Het is dan min of meer toevallig dat de dader zich aan de lokauto vergreep en niet aan de auto van een willekeurige derde. Anders is het evenwel als het lokmiddel wel een afwijking meebrengt ten opzichte van de gewone situatie ter plaatse.”

9. In HR 14 juli 2026 overwoog de Hoge Raad dat de enkele mogelijkheid dat het voorwerp de verdachte op het idee heeft gebracht om het weg te nemen, niet betekent dat zijn opzet niet al was gericht op de diefstal van “zo’n” voorwerp. Daarmee heeft de Hoge Raad zich nog niet onomwonden geschaard achter de toepassing van slechts één – objectieve – maatstaf, waarbij uitsluitend acht wordt geslagen op situationele factoren. Ik leid hieruit af dat bij de beoordeling of de verdachte door de inzet van het lokmiddel is gebracht tot handelingen waarop zijn opzet tevoren niet was gericht, niet alleen situationele factoren in aanmerking kunnen worden genomen, maar ook ‘dispositionele’ factoren, dat wil zeggen: omstandigheden die zijn gelegen in de persoon van de verdachte. De vraag is dan of de verdachte eventueel was gepredisponeerd tot het plegen van het misdrijf waarvoor het lokmiddel hem gelegenheid gaf. Het EHRM past bij het uitvoeren van de substantive test of incitement in elk geval ook een predispositie-toets toe.

10. Per saldo gaat het dus steeds om een samenstel van omstandigheden: bij het aanleggen van het Tallon-criterium gaat het niet alleen om situationele factoren, maar kan ook acht worden geslagen op (aanwijzingen voor) reeds bestaande intenties van de verdachte, blijkend uit objectieve, verifieerbare verdenkingen. Daarbij kan een eventueel strafblad mede worden betrokken.

De bespreking van het middel

11. Het middel steunt op de stelling dat het feit dat een lokmiddel ‘gericht’ is ingezet op een bepaald persoon, direct betekent dat die persoon is uitgelokt. Daar ga ik niet in mee. Maatgevend is hoe dan ook of het opzet bij die persoon eerst is ontstaan door de inzet van het lokmiddel. In dit kader heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de voorgaande paar maanden vaker aangehouden was voor diefstallen, hij een actieve veelpleger was en bekend was dat hij zich bezighield met harddrugs. Ook merkt het hof op dat de verdachte zich bevond op een overlastlocatie, waar vaker diefstallen worden gepleegd. Het betrekt in zijn overwegingen dat de lok-tas op vier meter afstand van de verdachte was neergezet en dat de undercoveragent, die zich voordeed als eigenaar van de tas, op korte afstand daarvan stond te bellen.

12. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren was gericht, is tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

Slotsom

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

14. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Verwijzend naar de noot van Rozemond bij HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62, NJ 2018/232, onder 3-4. Vgl. recentelijk een geval van een lokportemonnee: HR 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1220, en de daaraan voorafgaande conclusie van 19 mei 2026 van a-g Sinnige, ECLI:NL:PHR:2026:497. Zie HR 4 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7429, NJ 1980/356 m.nt. Van Veen (Tallon). Vervolgens herhaald met betrekking tot de inzet van een lokfiets in HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817, NJ 2009/224 m.nt. Borgers, r.o. 2.4. In o.a. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62, en HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149, wordt daaraan toegevoegd dat ook de beginselen van de proportionaliteit en subsidiariteit deze opsporingsbevoegdheid normeren. In HR 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1220, overwoog de Hoge Raad: “Voor de rechtmatige inzet van een voorwerp zoals een lokportemonnee om personen die zich schuldig maken aan diefstal op heterdaad te kunnen betrappen, is onder meer vereist dat de verdachte door de inzet van het voorwerp niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet tevoren al was gericht (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:62). Daarbij is van belang dat de mogelijkheid dat dit voorwerp de verdachte op het idee heeft gebracht om het weg te nemen, niet betekent dat zijn opzet niet al was gericht op de diefstal van zo’n voorwerp (vgl. HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:149).” Bij de regulering van diverse varianten van infiltratie, pseudokoop en pseudodienstverlening is in het Wetboek van Strafvordering verankerd dat de opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het OM verantwoordelijk is de verdachte “niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.” Zie artt. art. 126h.2, 126i.2, 126p.2, 126q.2, 126w.3, 126x.3, 126ij.3, 126z.3, 126zd.2, 126ze.2, 126zt.2 en 126zu.2 Sv. Zie over het Tallon-criterium ook: P.M. Frielink, Infiltratie in het strafrecht: een onderzoek naar de materieelrechtelijke en formeelrechtelijke aspecten van het opsporen van strafbare feiten door middel van infiltratie, Arnhem: Gouda Quint 1990, en P.M. Frielink, ‘Een kwart eeuw infiltratie. Een beperkte update en een enkele terugblik’, in: E.J. Hofstee, O.J.D.M.L. Jansen & A.M.G. Smit (red.), Kringgedachten. Opstellen van de Kring Corstens, Deventer: Kluwer 2014, p. 135-145. Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 5 februari 2008, nr. 74420/01 (Ramanauskas/Litouwen), par. 55. Voor het overzicht: EHRM-rechtspraak over (mogelijke) incitement / entrapment / instigation bij een undercoveroperatie: EHRM 9 juni 1998, nr. 44/1997/828/1034, NJ 2001/471 m.nt. Knigge (Teixeira de Castro/Portugal); EHRM 6 april 2004 (dec.), nr. 67537/01 (Shannon/Verenigd Koninkrijk); EHRM 15 december 2005, nr. 53203/99 (Vanyan/Rusland); EHRM 26 oktober 2006, nr. 59696/00 (Khudobin/Rusland); EHRM (GK) 5 februari 2008, nr. 74420/01 (Ramanauskas/Litouwen); EHRM 24 juni 2008, nr. 74355/01 (Miliniene/Litouwen); EHRM 1 juli 2008, nr. 10071/04 (Malininas/Litouwen); EHRM 16 juli 2009, nr. 18002/02 (Gorgievski/Macedonië); EHRM 29 september 2009, nrs. 23782/06 & 46629/06 (Constantin & Stoian/Roemenië); EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 (Bannikova/Rusland); EHRM 2 oktober 2012, nr. 23200/10, 24009/07 & 556/10 (Vesolov e.a./Rusland); EHRM 12 november 2013, nr. 17711/07 (Sepil/Turkije); EHRM 11 februari 2014, nr. 16463/08 (Sandu/Moldavië); EHRM 23 oktober 2014, nr. 54648/09 (Furcht/Duitsland); EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09 (Patrascu/Roemenië); EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 (Matanovic/Kroatië); EHRM 23 november 2017, nr. 47074/12 (Grba/Kroatië); EHRM 20 februari 2018, nr. 55146/14 (Ramanauskas/Litouwen nr. 2); EHRM 28 juni 2018, nr. 31536/07 (Tchokhonelidze/Georgië); EHRM 15 oktober 2020, nrs. 40495/15, 37273/15 & 40913/15 (Akbay e.a./Duitsland); EHRM 20 april 2021, nr. 66152/14 (Kuzmina e.a./Rusland); EHRM 8 juli 2021, nr. 43571/12 (Berlizev/Oekraïne); EHRM 16 december 2021, nr. 23476/15 (Yakhymovych/Oekraïne); EHRM 7 oktober 2025, nr. 3023/22 (Helme/Estland). Uit deze rechtspraak vloeit niet alleen voort dat de staat bij toepassing van undercover-methoden niet mag uitlokken tot een misdrijf, maar ook dat de staat gehouden is om bij de toepassing van undercover-methoden toezicht te houden op de uitvoering ervan en rechterlijke controle mogelijk te maken door adequate verslaglegging van de besluitvorming over de inzet van een undercover-methode en van de uitvoering ervan. Ingeval de verdachte zich verweert met de stelling dat hij tot het begaan van het misdrijf waarvoor hij wordt vervolgd is uitgelokt, zal de rechter dit verweer voldoende diepgaand moeten onderzoeken. Ik citeer uit EHRM 11 februari 2014, nr. 16463/08 (Sandu/Moldavië), par. 31: “The Court has also held that where an accused asserts that he was incited to commit an offence, the criminal courts must carry out a careful examination of the material in the file, since for the trial to be fair within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention all evidence obtained as a result of police entrapment must be excluded. Where the information disclosed by the prosecution authorities does not enable the Court to conclude whether the applicant was subjected to police entrapment, it is essential in each case that the Court examine the decision-making procedure whereby the plea of entrapment was decided upon in order to ensure that the rights of the defence were adequately protected, in particular the right to adversarial proceedings and to equality of arms (…).”Eisen van adversarial proceedings en equality of arms (die besloten liggen in art. 6 lid 1 EVRM) dwingen dus tot een adequate judicial review of an entrapment defence. Ter toelichting: het begrip ‘soort’ is hier van belang. Het specifieke delict waarvoor hij wordt vervolgd (bijv. diefstal van het lokmiddel) zou zonder de inzet van het lokmiddel uiteraard nooit kunnen zijn gepleegd. Dat betreft dus geen kenmerk dat onderscheid maakt tussen “investigating criminal activity in an essentially passive manner” en “exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed”. Eerder doorstonden bijvoorbeeld de toets in cassatie: een fiets die niet op slot stond (HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817) en een auto waarin zichtbaar een telefoon en navigatiesysteem aanwezig waren (HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7084). J. Boogers, ‘Van lokauto tot lokagent’, Recherche Magazine 2004, afl. 3 (mei), p. 9. Zie randnummers 10-17 van de conclusie van a-g Knigge, ECLI:NL:PHR:2008:BE9817 (citaat onder randnummer 17), en de noot van Borgers in NJ 2009/224 onder 5, bij het daaropvolgende arrest van 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817. EHRM 9 juni 1998, nr. 44/1997/828/1034, NJ 2001/471 m.nt. Knigge (Teixeira de Castro/Portugal), par. 37-38; EHRM 16 juli 2009, nr. 18002/02 (Gorgievski/Macedonië), par. 53; EHRM 29 september 2009, nrs. 23782/06 & 46629/06 (Constantin & Stoian/Roemenië), par. 55; EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06 (Bannikova/Rusland), par. 38; EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 (Matanovic/Kroatië), pa. 142-143. Vgl. de noot van Albers bij HR 12 februari 2019 ECLI:NL:HR:2019:149, TBS&H 2019/2, onder 4, onder verwijzing naar EHRM 9 juni 1998, nr. 44/1997/828/1034, NJ 2001/471 m.nt. Knigge (Teixeira de Castro/Portugal), par. 37-38. Ga maar na: bijna alle gevallen van infiltratie, pseudokoop en pseudodienstverlening betreffen politieoperaties (‘werken onder dekmantel’) die op bepaalde personen zijn gericht. Ook in die gevallen wordt niet reeds vanwege die ‘gerichtheid’ aangenomen dat de verdachte door de inzet van undercoveragenten is bewogen tot handelingen waartoe zijn opzet tevoren niet strekte. Of het lokmiddel ‘gericht’ (tegen een bepaalde persoon) of ‘ongericht’ is ingezet, zal m.i. vooral een rol van betekenis spelen bij de beoordeling of de inzet van een lokmiddel wel voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.