Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2026:782 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-782
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 16 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/04245
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:782
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04245
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 18 november 2024 (parketnummer 21-001999-24) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 1 en 4 "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" en onder 5 “medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Bij dit arrest is de tenuitvoerlegging bevolen van een bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 mei 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals in het arrest is omschreven.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over de strafmotivering.
De bewezenverklaring en de strafmotivering
3. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens achtereenvolgens en kort samengevat: inbraak in [instelling] en diefstal van geld uit de kassa in de periode 10/11 april 2023 in [plaats] (feit 1); inbraak in een sushi-restaurant met diefstal van geld uit de kassa en de fooienpot op 29 juli 2023 in [plaats] (feit 4), en medeplichtigheid in de periode 5-13 augustus 2023 in [plaats] aan de diefstal van schilderijen uit een woning op 13 augustus 2023 in [plaats] waarvan hij de bewoner kende via zijn moeder en waar de verdachte enkele dagen eerder als dakdekker had gewerkt en enkele schilderijen had opgemerkt waaronder een Corneille die naar zijn zeggen “duizenden euro’s waard” zijn (feit 5).
4. Het hof heeft in zijn arrest onder het opschrift ‘Oplegging van straf en/of maatregel’ het volgende overwogen:
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, rekening houdende met een vrijspraak voor feit 1, een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (ongeveer 10 maanden) op te leggen. De raadsman heeft gesteld dat hij heeft geprobeerd de reclassering in te zetten, omdat verdachte na zijn vrijlating niet zonder hulp zijn weg zal weten te vinden. Als er geen hulp komt, is de kans groot dat verdachte terugvalt en verkeerde keuzes maakt. Gelet op de recente negatieve adviezen van de reclassering heeft hij ervan afgezien een verzoek te doen om een nieuwe rapportage te laten opmaken.
Verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels tien maanden abstinent is en dat hij heeft ingezien dat hij hulp nodig heeft. Iriszorg heeft volgens verdachte toegezegd dat er op korte termijn een plaats in een begeleid woneninstelling kan worden geregeld. Verder wil hij graag begeleid worden door een bewindvoerder en met hulp van een forensische verslavingskliniek aan zijn problemen werken.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft twee inbraken gepleegd en informatie verschaft aan de plegers van een derde inbraak. Bij de laatste inbraak heeft hij zelfs gebruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer van de inbraak in de moeder van verdachte stelde, die hem al geruime tijd hielp in de huishouding. Het zijn ernstige feiten die veel overlast veroorzaken en met name de woninginbraken roepen veel angst en gevoelens van onveiligheid op.
Het hof heeft gelet op het omvangrijke strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij de afgelopen jaren regelmatig onherroepelijk voor vermogensdelicten is veroordeeld. De voorwaardelijk opgelegde straffen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden steeds weer in de fout te gaan.
In het meest recente reclasseringsrapport van Iriszorg van 30 juli 2024 (opgemaakt ten behoeve van het detentie- en re-integratieplan) is opgenomen dat er op vrijwel alle leefgebieden zorgen zijn. Er is sprake van hardnekkige verslavingsproblematiek en verdachte kampt met persoonlijkheidsproblematiek en ADHD. Ook zijn lichte verstandelijke beperking is van directe invloed op het delictgedrag. De reclassering constateert dat alle eerdere pogingen vanuit de hulpverlening en reclassering niet tot een positief resultaat hebben geleid. Hoewel verdachte tijdens zijn detentie telkens welwillend lijkt, vaart hij daarna zijn eigen koers en komt de afspraken met de reclassering niet na. Het recidiverisico en het risico op onttrekking aan de voorwaarden worden ingeschat als hoog. De reclassering concludeert dat verdachte na zijn detentie weliswaar behandeling en begeleiding nodig heeft, maar dat die zal moeten plaatsvinden in een vrijwillig kader. De reclassering heeft er weinig vertrouwen meer in dat toezicht of het opleggen van voorwaarden tot een gedragsverandering zal leiden.
Over het contact dat verdachte zelf heeft gelegd met Iriszorg heeft verdachte geen stukken overgelegd. Het hof heeft daarom onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat dit contact een ander licht moet werpen op de rapporten van de reclassering.
Nu de reclassering het afgelopen jaar drie rapporten heeft uitgebracht waarin negatief wordt geadviseerd over het opleggen van toezicht of voorwaarden, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft voortdurend kansen gekregen om met behulp van de reclassering of hulpverlening het tij te keren. Dat heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Als hij nu, zoals hij ter terechtzitting verklaarde, serieus aan zijn problemen wil werken, zal hij dat in eerste instantie zelf moeten regelen. Hij is daarmee ook al begonnen, wat hem mogelijk uitzicht geeft op een veilige woonplek via Iriszorg na detentie.
Het hof heeft verder gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten, die bij een bedrijfsinbraak (met veelvuldige recidive) uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en bij een woninginbraak (met veelvuldige recidive) van 7 maanden gevangenisstraf.
Alles overwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.”
De klachten van het middel
5. Het middel bevat klachten over de strafmotivering. Aangevoerd wordt dat de toepassing van rechterlijke oriëntatiepunten onbegrijpelijk is omdat het hof er ten onrechte geen rekening mee hebben gehouden dat de verdachte is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de woninginbraak waarvoor de oriëntatiepunten als vertrekpunt inhouden “twee derde deel van het vertrekpunt voor de pleger”. Daardoor zou het “grote verschil” tussen de bij de berekening volgens de oriëntatiepunten op te leggen gevangenisstraf van 12,6 maanden en de opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden niet gerechtvaardigd zijn en de strafoplegging niet naar behoren zijn onderbouwd.
De bespreking van de klachten
6. Ik kan de steller van het middel maar gedeeltelijk volgen bij zijn berekening van de op te leggen gevangenisstraf aan de hand van de oriëntatiepunten. Voor de diefstal met braak in [instelling] en het sushi-restaurant wijzen de oriëntatiepunten in geval van veelvuldige recidive telkens op vier maanden gevangenisstraf. De steller van het middel wijst er ook terecht op dat de rechterlijke oriëntatiepunten voor de woninginbraak in geval van veelvuldige recidive wijzen op een gevangenisstraf van zeven maanden.
7. De steller van het middel wijst er verder op dat in geval van medeplichtigheid het vertrekpunt voor de strafoplegging twee derde deel is van het vertrekpunt van de pleger. Dat kan ik niet terugvinden.
8. Bij de rechterlijke oriëntatiepunten gaat het om de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, die ik hierna kortweg aanduid als de LOVS-oriëntatiepunten. De steller van het middel geeft niet aan uit welke versie ervan hij citeert. In de meest recente versie van juli 2026 en ook in de versie van december 2024 bijgewerkte versie wordt opgemerkt dat het redelijk wordt geacht om bij medeplichtigheid “de wettelijke maatstaf bij verlaging van de maximumstraf ook als uitgangspunt voor de straftoemeting in een concrete zaak te hanteren”. De uitspraak van het hof dateert van 18 november 2024 zodat deze LOVS-oriëntatiepunten nog niet konden worden toegepast. In de eerdere LOVS-oriëntatiepunten van september 2022, die net als de eerdere de oriëntatiepunten bevat voor “Inbraak bedrijfspand (school/kantine)” en “Inbraak woning (art. 311 Sr)”, werd nog niet ingegaan op de gevolgen die de lagere maximumstraf in geval van medeplichtigheid heeft voor het uitgangspunt voor de straftoemeting in een concrete zaak. Voor zover een beroep wordt gedaan op de verlaging van het uitgangspunt voor de straftoemeting in geval van medeplichtigheid in de LOVS-oriëntatiepunten mist de klacht daarom feitelijke grondslag. Uitgaande van de toepasselijke LOVS-oriëntatiepunten is de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven niet onbegrijpelijk.
9. Ook de klacht dat de strafmotivering niet naar behoren is gemotiveerd faalt, in het licht van de LOVS-oriëntatiepunten die wél van toepassing zijn. Daarbij wijs ik erop dat het hof pas aan het slot van zijn strafmaatoverwegingen opmerkt “verder gelet” te hebben op de rechterlijke oriëntatiepunten. Daarmee heeft het hof uiteengezet dat het de LOVS-oriëntatiepunten niet tot uitgangspunt heeft genomen en dat deze ook niet bepalend zijn geweest, maar dat het hof daarmee ook rekening heeft gehouden. In zijn overwegingen heeft het hof onder meer tot uitdrukking gebracht dat de verdachte, in mijn woorden, een onverbeterlijke recidivist is en heeft het hof gewezen op de ronduit negatieve adviezen van de reclassering, terwijl de verdachte - bij nota bene de woninginbraak waaraan de verdachte medeplichtig was - misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer van de inbraak in de moeder van de verdachte stelde.
10. Tot een nadere motivering van de straf was het hof niet gehouden in het licht van de LOVS-oriëntatiepunten. De feitenrechter is bij het bepalen van de straf niet gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten. Verder wijs ik erop dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof in hoger beroep van 4 november 2024 geen beroep heeft gedaan op de LOVS-oriëntatiepunten. Voor het overige stuit de klacht af op de ruime straftoemetingsvrijheid waarover de feitenrechter beschikt. In zijn uitvoerige overwegingen, waarvan ik hier de kern heb weergegeven, heeft het hof een veelheid aan factoren betrokken die voor het hof van belang zijn geweest bij het bepalen van de hoogte van de straf. Niets daarvan vind ik onbegrijpelijk.
Slotsom
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG