Strafrecht overig
Conclusie AG. Falend middel over bewijs witwassen. Conclusie strekt tot vermindering van de gevangenisstraf…
ECLI:NL:PHR:2026:791 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-791
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/00384
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:791
Samenvatting
Conclusie AG. Falend middel over bewijs witwassen. Conclusie strekt tot vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 25/00329, 25/00386, 25/00337, 25/00383, 25/00460, 25/00461 en 25/00521.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00384
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 30 januari 2025 (parketnummer 23-001363-22) door het gerechtshof Amsterdam wegens
het bewezen verklaarde in het onderzoek Messina onder
- 1 primair: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.”
- 2 primair: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.”
- 3 primair: “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.”
- 4: “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.”
- 6: “de eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 juncto artikel 2 van de Opiumwet.”
- 7: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.”
het in het onderzoek Tartarus bewezen verklaarde:
- “van het plegen van witwassen een gewoonte maken.”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar en vier maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij en over een aantal in beslag genomen voorwerpen. Het hof heeft ook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00329, 25/00386, 25/00337, 25/00383, 25/00460, 25/00461 en 25/00521, waarin ik vandaag ook zal concluderen. Er bestaat tevens samenhang met de zaken 25/00516 en 25/00361, waarin het cassatieberoep is ingetrokken, en de zaken 25/00436 en 25/00520, waarin het cassatieberoep op 18 november 2025 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel houdt in dat een deel van de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen (in het onderzoek Tartarus) ontoereikend is gemotiveerd. Het middel is toegespitst op de bewezenverklaring van het witwassen van een bedrag van € 34.228 waarmee de verdachte 43 maanden huur heeft betaald. Geklaagd wordt (kennelijk) over het oordeel dat de verdachte contant huur betaalde aan de verhuurder voor de woning waarin hij verbleef.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering in het onderzoek Tartarus
5. De betreffende bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“in de periode van januari 2014 tot en met 31 oktober 2019 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens voorwerpen, te weten meerdere contante geldbedragen (in totaal € 384.565,00) voorhanden gehad, of van meerdere contante geldbedragen (in totaal € 384.565,00) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
6. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“5.1 Inleiding
Het tenlastegelegde witwasbedrag van € 481.165,00 omvat, naast het door de rechtbank bewezen verklaarde bedrag van € 290.837,00, waarin de verdediging heeft berust, onder meer een vakantie op Ibiza (€ 60.000,00), huurtermijnen (€ 34.228,00) en contante uitgaven voor uiteten en feesten (€ 59.500,00). Deze subonderdelen, waarvan de rechtbank heeft vrijgesproken, maken samen een bedrag van € 153.728,00. De advocaat-generaal acht ook deze bedragen bewijsbaar. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
(…)
Huurtermijnen woning [c-straat 1] te [plaats] (€ 34.228,00)
De verdachte heeft verklaard dat hij vanaf 2014 op het adres [c-straat 1] te [plaats] heeft gewoond. De broer van de verdachte, [betrokkene 8], heeft verklaard dat de huur voor de woning waarin de verdachte verbleef door de verdachte aan hem, of rechtstreeks aan de verhuurder, werd voldaan. Vanaf april 2016 hebben er niet langer maandelijkse bankoverboekingen van de verdachte aan zijn broer plaatsgevonden, zodat het er, op grond van de verklaring van zijn broer en bij gebreke van bankoverboekingen, voor moet worden gehouden dat de verdachte vanaf dat moment de huur rechtstreeks contant aan de verhuurder heeft voldaan. In het proces-verbaal van de FIOD is uitgegaan van een huurprijs van gemiddeld € 796,00, gelet op de eerdere overboekingen naar de rekening van: de broer van de verdachte en de eigen verklaring van de verdachte aangaande zijn woonlasten. Uitgaande van een periode van april 2016 tot en met oktober 2019, oftewel 43 maanden, komt het bedrag aan huurtermijnen uit op € 34.228,00.
Contante uitgaven voor uit eten en feesten (€ 59.500.00)
(…)
Witwassen
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte (ook) de bedragen van € 34.228,00 en € 59.500,00 voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt. De verdachte heeft met betrekking tot de herkomst van deze aanvullende bedragen niet een andere verklaring gegeven, dan de reeds verstrekte verklaring ten aanzien van de door de rechtbank bewezenverklaarde bedragen, in welke bewezenverklaring de verdediging zich, zoals vermeld, kan vinden. Het hof ziet geen aanleiding om ten aanzien van de herkomst van de aanvullende bedragen anders te oordelen dan de rechtbank eerder heeft gedaan. Hetgeen de rechtbank onder 4.3.4.6 vanaf de zin "De rechtbank dient bij de toetsing van de tenlastelegging de volgende stappen te doorlopen" heeft overwogen, dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd, met dien verstande dat het door de rechtbank in de conclusie genoemde bedrag van € 290.837,00 dient te worden vervangen door het bedrag van € 384.565,00. Aldus is het hof van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat de verdachte het totaal tenlastegelegde geldbedrag van € 384.565,00 heeft witgewassen, en daarvan een gewoonte heeft gemaakt.”
7. De bewezenverklaring steunt daarnaast onder andere op deze bewijsmiddelen:
“14. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 november 2019 [Tartarus, V-001-02, ongenummerd].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
V: Hoeveel bedragen uw maandelijkse vaste lasten?
A: Mijn huur is € 850,-.
15. Een proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2020 [Tartarus, AMB-012, ongenummerd].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van de verbalisant:
Op 27 november 2019 ontving ik per e-mail van de ING Bank N.V. de historische bankgegevens op naam van [verdachte] en zijn bankrekening [rekeningnummer 1].
In de periode van 6 januari 2015 tot en met 21 maart 2016 hebben 15 betalingen met een totaalbedrag van € 11.124,57 plaatsgevonden naar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [betrokkene 8], de broer van [verdachte]. In de transactieomschrijvingen wordt meerdere malen het woord ‘huur’ vermeld, gevolgd door vermelding van de maand en het jaar. Bij drie transactieomschrijvingen staat de tekst ‘[c-straat 1]’. Uit de systemen komt naar voren dat [betrokkene 8] in de periode van 20-06-2011 tot en met 16-07-2014 ingeschreven stond op het adres [c-straat 1] te [plaats]. Van de 15 betalingen wordt 6 maal het bedrag van € 764,98 en 6 keer het bedrag van € 782,85 overgemaakt op het rekeningnummer van [betrokkene 8].
16. Een overzichtsproces-verbaal van 2 oktober 2020 [Tartarus, OPV-001, ongenummerd].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededelingen van de verbalisanten:
[verdachte] heeft niet verklaard nog een schuld te hebben aan zijn broer en is tevens niet uit de woning gezet. Hierdoor kan ervan worden uitgegaan dat [verdachte] zijn broer alle resterende huurtermijnen vanaf april 2016 tot en met oktober 2019 (43 maanden) heeft betaald.
Het is algemeen bekend dat huurprijzen onderhevig zijn aan prijsstijgingen. Voor de berekening van het witwasbedrag is uitgegaan van een gemiddelde huurprijs. Deze gemiddelde huurprijs is gebaseerd op de gemiddelde betaalde huurtermijn uit de ING Bank € 742 (€ 11.144,57 : 15 betalingen) en de verklaarde € 850. Gemiddelde huurprijs bedraagt € 796 ((€ 742 + 850): 2).
Witwasbedrag huurtermijnen woning [c-straat 1] bedraagt 43 maanden x 796 = € 34.228.
17. Een proces-verbaal verhoor getuige van de rechter-commissaris van 25 januari 2022 [los].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 8]:
De woning [c-straat 1] te [plaats] staat op mijn naam. Ik heb eerst in die woning gewoond en toen ik ging verhuizen, wilde mijn broer daar graag in. Dat vond ik goed.
De bedoeling was dat [verdachte] zelf rechtstreeks aan de verhuurder de huur zou overmaken.”
Een nadere omschrijving van het middel
8. De stellers van het middel voeren aan dat uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van de broer van de verdachte slechts kan volgen dat het volgens hem de bedoeling was dat de verdachte huur aan de verhuurder zou betalen. Daaruit kan dus niet volgen dat dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit klemt volgens de stellers van het middel te meer omdat de verbalisanten de huurbetalingen aan de verhuurder slechts hebben gebaseerd de omstandigheid dat de verdachte niet heeft verklaard nog een schuld te hebben aan zijn broer en dat hij niet uit de woning is gezet.
De bespreking van het middel
9. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van april 2016 tot en met oktober 2019 (contant) huur heeft betaald aan de verhuurder van de woning waarin hij verbleef. Uit de bewijsmotivering blijkt dat de verdachte verbleef in de woning aan de [c-straat 1], dat hij heeft verklaard dat hij maandelijks huur betaalde en dat zijn broer heeft verklaard dat het de bedoeling was dat de huur voor de [c-straat 1] rechtstreeks van de verdachte naar de verhuurder ging (en dus niet via hem). Van die betalingen zijn geen bankoverschrijvingen aangetroffen, aldus begrijp ik de bewijsvoering, zodat hij die bedragen contant moet hebben betaald (hetgeen voor de verdachte allerminst ongebruikelijk was, zo laat de gehele bewijsvoering zien).
10. Dit oordeel is m.i. toereikend gemotiveerd.
Slotsom
11. Het middel faalt. De Hoge Raad kan het middel afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
12. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet tot strafvermindering leiden.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde vrijheidsstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG