Strafrecht overig
Conclusie AG. Profijtontneming. Falend middel over schatting van het voordeel en beslissing over…
ECLI:NL:PHR:2026:793 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-793
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/00461
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:793
Samenvatting
Conclusie AG. Profijtontneming. Falend middel over schatting van het voordeel en beslissing over overschrijding van de redelijke termijn. Conclusie strekt verwerping van het beroep. Samenhang met 25/00329, 25/00386, 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00460 en 25/00521.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00461 P
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 januari 2025 (parketnr. 23-001359-22) de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 48.000 en de verdachte de verplichting is opgelegd dat bedrag te betalen aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00329, 25/00386, 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00460 en 25/00521, waarin ik vandaag ook zal concluderen. Er bestaat tevens samenhang met de zaken 25/00516 en 25/00361, waarin het cassatieberoep is ingetrokken, en de zaken 25/00436 en 25/00520, waarin het cassatieberoep op 18 november 2025 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. ( (De toelichting op) het middel bevat een deelklacht over (1) de motivering van de schatting van het voordeel en een deelklacht over (2) de beslissing van het hof naar aanleiding van de overschrijding van de redelijke termijn.
De relevante delen van de uitspraken van het hof en de rechtbank
5. De uitspraak van het hof bevat de volgende overwegingen:
“Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat:
- de grondslag van de ontnemingsvordering, zoals vermeld op pagina 2, onder 5.1, eerste alinea, van het vonnis zal worden vervangen door onderstaande grondslag en aanvullende overwegingen;
- de overwegingen met betrekking tot de betalingsverplichting, zoals in het vonnis aan de orde onder 5.4, worden aangevuld met een overweging omtrent de overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Grondslag van de vordering
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2025 in de strafzaak veroordeeld ter zake van medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan in de periode van 27 maart 2020 tot en met 29 mei 2020.
Ofschoon de bewezenverklaring en kwalificatie van het strafbare feit in dit arrest anders luiden dan in het vonnis van de rechtbank, is daarmee geen wijziging gekomen in het uit dat strafbare feit verkregen voordeel van de betrokkene. Onder beide kwalificaties ziet het wederrechtelijk verkregen voordeel op de verdiensten van de betrokkene voor de drie transporten van 40, 100 en nogmaals 100 kilogram ketamine.
(…)
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof overweegt dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim acht maanden is overschreden. Nu in de strafzaak in de fase van hoger beroep is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en die overschrijding matiging van de aan de veroordeelde opgelegde straf tot gevolg heeft gehad, acht het hof de schending van de redelijke termijn voldoende gecompenseerd. Het hof ziet daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.”
6. De uitspraak van de rechtbank houdt in:
“ 5.2 De ontnemingsrapportage
De rechtbank heeft kennis genomen van het op 15 februari 2021 door de verbalisant, werkend bij de eenheid Noord-Holland onder nummer 841022, opgestelde rapport betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage. Bij de ontnemingsrapportage is een bijlage gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank komt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting tot de volgende berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde driemaal een hoeveelheid ketamine heeft afgeleverd, zoals in het strafvonnis is bewezen verklaard.
Opbrengst van het strafbare feit
De rechtbank overweegt dat het dossier van de strafzaak aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat veroordeelde een bedrag van € 17.500,-, dan wel € 20.000,- per afgeleverde hoeveelheid ketamine als beloning heeft ontvangen. Op grond van de chatberichten tussen de gebruikers van de EncroChat-accounts [F] en [G] van 4 mei 2020 tussen 13:31 uur en 15:45 uur, acht de rechtbank het met de officier van justitie echter - in het voordeel van veroordeelde - aannemelijk dat hij in elk geval telkens een bedrag van € 16.000,- per afgeleverde hoeveelheid ketamine als beloning heeft ontvangen.
Aldus bedraagt de totale opbrengst van het strafbare feit een bedrag van (3 x € 16.000,- =) € 48.000,-.
(…)
Conclusie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd en stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 48.000,-.
Betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het door veroordeelde te betalen bedrag vast op € 48.000,-.”
De eerste deelklacht en de bespreking daarvan
7. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel dat de betrokkene per transport € 16.000 heeft gekregen niet begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel voert aan dat het hof dit enkel heeft gebaseerd op een tweetal chatberichten, zonder dat er steunbewijs voor die conclusie is.
8. De klacht faalt. Het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene drie transporten heeft verricht en dat hij daarvoor betaald kreeg. Vervolgens heeft het hof aan de twee genoemde chatberichten de conclusie verbonden dat zijn beloning minstens € 16.000 per transport moet zijn geweest. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het enkele feit dat dit bedrag slechts in twee chatberichten wordt genoemd, maakt dat niet anders.
De tweede deelklacht en de bespreking daarvan
9. De tweede deelklacht houdt in dat de beslissing van het hof om te volstaan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn ontoereikend is gemotiveerd. De klacht steunt op de stelling dat de omstandigheid dat de in de strafzaak opgelegde straf is gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn niet als reden kan worden gehanteerd om geen matiging toe te passen van het vastgestelde ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn. Die stelling deugt niet.
10. Ook de tweede deelklacht faalt.
Slotsom
11. Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG