Strafrecht overig

Conclusie AG. Bewerken, voorbereidingshandelingen en bezit cocaïne (art. 2, 10 en 10a Opiumwet). M1 over…

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
27 augustus 2026
Zaaknummer
24/01770
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:817
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Bewerken, voorbereidingshandelingen en bezit cocaïne (art. 2, 10 en 10a Opiumwet). M1 over recht op een eerlijk proces bij niet horen belastende getuige. M2 over bewezenverklaarde periode. Beide middelen kunnen niet tot cassatie leiden (81 RO). Samenhang met 24/01771.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 1 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:817

  2. Hoge Raad · 29 september 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1537

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01770

Zitting 1 september 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002842-20) wegens 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod", 2. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” en 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot zestig maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/01771 en 25/04068. In de zaak 24/01771 zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

1.4

Het eerste middel klaagt over de afwijzing van een getuigenverzoek. Het tweede middel klaagt over het onder feit 1, 2 en 3 bewezenverklaarde medeplegen en de bewezenverklaarde periode.

2 Het eerste middel

2.1

Het eerste middel bevat een klacht over de afwijzing van het verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen. Het hof zou dit verzoek hebben afgewezen op onjuiste, althans daartoe ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden. Voorts zou het hof hebben verzuimd te onderzoeken of de procedure in haar geheel nog voldoet aan art. 6 EVRM.

2.2

Voor een goed begrip van de zaak schets ik eerst het procesverloop aan de hand van de aan de Hoge Raad gezonden stukken.

Procesverloop

2.3

Tegen het vonnis in eerste aanleg is namens de verdachte op 16 december 2020 hoger beroep ingesteld. Op 29 december 2020 heeft de raadsman van de verdachte tijdig een appelschriftuur ingediend. Die houdt onder meer het volgende in:

“Client is het niet eens met de veroordeling zoals uitgesproken bij vonnis dd 1412.2020.

Hij is veroordeeld ivm medeplegen vervaardigen en bezit van harddrugs. Hij zegt dat hij niet in de loods is geweest.

(…)

Ik heb de navolgende onderzoekswensen

(…)

B: Te gelasten dat er technisch (vergelijkings)onderzoek zal plaatsvinden naar het karton dat onder de schoen van client zou zijn aangetroffen en het karton dat in de loods is aangetroffen.

Toelichting:

Het OM zegt dat de politie pv heeft opgemaakt dat er karton onder de schoen van client was dat visueel overeenkomt dat met kartonpulp dat ook in de loods is aangetroffen. Hiermee wordt client "geprojecteerd" in de loods. Client ontkent in de loods te zijn geweest. Het is bekend dat niet alle karton hetzelfde is. Het kan verschillen qua kleur en samenstelling. Ik vind deze redeneer wijze van het OM wel erg kort door de bocht zonder dat technisch onderzoek is gedaan naar deze stelling.

(…)

D: Het horen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

Toelichting:

Op pag 25 zegt [verbalisant 1] dat hij samen met [verbalisant 2] bij de 3 verdachten op nr 290 de handboeien aan het aanleggen was er toen er sterke chemische lucht had waargenomen. Hij zegt ook dat de kleding die ze droegen, vervuild uit zagen. Dit is erg algemeen, maw erg ruim, geformuleerd.

Ik wens ze vragen te stellen zodat ik helder kan krijgen hoe eea aan toe ging. Twee verbalisanten kunnen niet tegelijk 3 mannen in de boeien slaan. Daarnaast wil ik ze vragen stellen over de afstand. Was de afstand zo klein dat het mogelijk is dat er maar 1 of 2 een chemisch lucht hadden en dan de conclusie is getrokken dat ze alle 3 chemische lucht verspreidden ? Door dit zo te formuleren wordt de indruk gewekt dat ze alle 3 datzelfde luchtje hadden. Als dat zo is wil ik ze vragen waarom ze dan niet hebben opgeschreven dat elk van de 3 of alle 3 individueel dezelfde chemisch lucht hadden ? Ditzelfde geldt ook voor de kleding die de 3 mannen aan hadden op dat moment. Er wordt geverbaliseerd dat hun kleding vervuild was. Was dat bij alle 3 het geval ? Client zegt dat er niemand in zijn buurt was toen hij werd aangehouden en geboeid. Ook is op pag 65 pro forma III dossier een heldere kleurenfoto van client te zien op moment van aanhouding. De kleding ziet er absoluut niet vervuild uit Ik wil de 2 getuigen daarmee confronteren.

E Te gelasten dat het NFI of andere instelling een geuronderzoek doet naar de afkomst van de chemische lucht afkomstig van de kleding van client die hij aan had op het moment van de aanhouding. Ook wil ik dat onderzocht wordt of op de kleding uberhaupt cocainegerelateerde sporen zijn. De kleding is veilig gesteld voor nader onderzoek

Toelichting: Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beweren dat ze een chemische lucht hebben waargenomen. Dit is algemeen verwoord. Helaas verzuimen ze concreet de geur te beschrijven. Ut het dossier kan ik niet afleiden of deze 2 getuigen uberhaupt inde loods zijn geweest. Mij is ook niet duidelijk of binnen in de loods ook een chemische lucht hing en of de lucht op de kleding vergelijkbaar was met de lucht in de loods.”

2.4

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2021 heeft de raadsman de onderzoekswensen nader toegelicht. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voor zover van belang in:

“De voorzitter deelt mede dat de terechtzitting van heden een regiezitting betreft naar aanleiding van de door de verdediging ingediende onderzoekswensen en stelt de raadsman in de gelegenheid die onderzoekswensen toe te lichten. Tevens deelt de voorzitter mede dat het openbaar ministerie zich op het standpunt heeft gesteld dat alle onderzoekswensen dienen te worden afgewezen overeenkomstig de beslissing van de rechter-commissaris.

De raadsman deelt mede:

Ik heb nog niet kennisgenomen van het standpunt van het openbaar ministerie. Mijn cliënt is de enige van de medeverdachten van wie geen enkel spoor in het pand in het laboratorium is aangetroffen: geen dacty spoor, kleding, telefoon of DNA. Hij heeft verklaard dat hij daar op bezoek was bij iemand die daar niet was. Hij zag iedereen rennen en rende toen zelf naar het benzinestation. Toen kwamen de agenten in beeld die een omvangrijk proces-verbaal hebben opgemaakt. De agenten zeggen dat zij met zijn tweeën drie personen hebben geboeid en gefouilleerd en dat zij een chemische lucht roken bij deze drie personen en dat hun kleding smerig was. Ik ben van mening dat de agenten met zijn tweeën niet alle drie de personen tegelijk konden fouilleren en bij alle drie de personen benzine en een chemische lucht konden ruiken. De verdediging heeft 10 maanden gewacht op de behandeling van de zaak. Kort voor de zitting in eerste aanleg kwam naar voren dat er onder de schoen van cliënt iets is gezien dat visueel lijkt op karton en de crux in deze zaak is dat in het laboratorium de cocaïne was geïmpregneerd in karton. Mijn cliënt wacht al bijna een jaar in voorarrest en we hadden verwacht dat het NFI zou onderzoeken of het karton onder de schoenen van cliënt hetzelfde karton is dat binnen in het laboratorium is aangetroffen. Het had geregend die dag. Mijn cliënt heeft de route aangegeven in zijn verklaring. Hij stond bij de vuilnisbak toen iedereen wegrende. Het karton kan ook bij het rennen naar het benzinestation onder de schoen terecht zijn gekomen. Verder zijn er geen aanknopingspunten die cliënt aan het laboratorium linken.

(…)

Onderzoekswens B:

De verdediging heeft 10 à 11 maanden gewacht op het NFI, terwijl 5 voor 12 de ontknoping kwam dat er niets was. Ondanks de discussie over kartonvergelijking in eerste aanleg, denk ik dat het NFI kan onderzoeken of het karton onder de schoen van cliënt en het karton uit het laboratorium dezelfde kleur, lijmsoort en samenstelling hebben. Er zijn verschillende soorten karton. Cliënt zegt dat hij niet binnen is geweest. Er is een zak met daarin de schoenen van cliënt geconserveerd en er is een monster van het karton uit het laboratorium opgeslagen. Aan de hand van daarvan kunnen we zien of cliënt binnen is geweest. Dan kunnen we dit uitsluiten en niet zoals de rechtbank in algemene termen redeneren dat het niet anders kan zijn dan dat hij daarbinnen is geweest.

Onderzoekswens D en E:

De twee agenten die de verdachten hebben aangehouden, hebben een chemische lucht geroken. De kleding is een gesealde zak geplaatst door andere verbalisanten. Een chemische geur is echter een ruime beschrijving. Is het benzine? Is het aceton? Er zou sprake zijn van een zoete chemische lucht, maar dit kan bij wijze van spreken ook slechte parfum zijn. De omschrijving chemische lucht is te ruim. De betrokken agenten zeggen dat zij een chemische lucht roken, terwijl zij met zijn tweeën drie mannen hebben geboeid. Geen van de agenten die de verdachten hebben aangehouden en gefouilleerd is ook in het laboratorium geweest. De agenten die het laboratorium hebben onderzocht, hebben verklaard dat er een chemische lucht hing in het laboratorium. Is dit dezelfde lucht? Daarnaast had ik ook verwacht dat de kleding van cliënt onderzocht zou worden op sporen van cocaïne en dergelijke. Dat mis ik in het dossier. Ik verzoek om onderzoek te verrichten naar de chemische lucht op de kleding van cliënt die nog goed bewaard is en onderzoek naar cocaïnegerelateerde sporen.

De agenten hebben in het proces-verbaal opgenomen dat ze bij alle verdachten een chemische lucht roken en dat hun kleding er vervuild uitzag. Cliënt heeft verklaard dat hij die dag nieuwe kleding aan had. Op de pagina’s 65 en 299 van het dossier zie je glasheldere foto’s van cliënt die direct na zijn aanhouding zijn genomen. Hij had toen nieuwe schone kleding aan. Dat zie je op de foto. De andere aangehouden verdachten die bij de aanhouding in de buurt van cliënt stonden, zijn gelet op de sporen in het laboratorium geweest. Waarom hebben de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet opgeschreven dat zij bij alle drie de personen individueel een chemische lucht roken? Het roept vragen op dat de agenten zeggen dat alle drie de aangehouden verdachten stonken en vieze kleding aan hadden. Op welke afstand stonden de verdachten van elkaar? Als een verdachte bijvoorbeeld 3 meter verder staat dan denk ik dat je het niet kan ruiken en als ze op één vierkante meter staan dan is niet duidelijk wie dat er stonk en wie niet. De rechtbank heeft het proces verbaal gebruikt als bewijs en zegt geen reden te hebben om te twijfelen, aan de vaardigheden van de agenten.”

2.5

Het hof heeft op de terechtzitting van 5 januari 2022 het verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen afgewezen (onderzoekswens D). De onderzoekswensen B en E heeft het hof wel toegewezen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt in dat verband in:

“De voorzitter deelt de beslissing van het hof mede:

Het hof wijst toe de onderzoekswensen van de verdediging geformuleerd onder A, B en E. De raadsman heeft onderzoekswens F ingetrokken ter terechtzitting van dit hof op 8 december 2021. De onderzoekswensen onder C en D wijst het hof af. Het hof acht een deskundigenonderzoek naar de partij van ongeveer 73 kilogram cocaïnebase niet noodzakelijk, omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht omtrent het nettogewicht aan cocaïne aan de hand van het proces-verbaal van [verbalisant 3] d.d. 19 oktober 2020, (…). Het horen van de twee verbalisanten die de verdachte hebben aangehouden (onderzoekswens D) over de chemische lucht en de vervuilde kleding acht het hof niet noodzakelijk, gelet op de twee technische onderzoeken (de toegewezen onderzoekswensen B en E) die zullen worden uitgevoerd.

Het hof, gehoord de advocaat-generaal:

(…)

- beveelt dat de raadsheer-commissaris een onderzoek zal instellen, met betrekking tot de navolgende onderwerpen:

1 technisch (vergelijkings)onderzoek naar het karton dat onder de schoen van de verdachte zou zijn aangetroffen en het karton dat in de loods is aangetroffen (onderzoekswens B);

2 geuronderzoek door het NFI naar de afkomst van de chemische lucht afkomstig van de (veiliggestelde) kleding van de verdachte die hij aan had op het moment van de aanhouding en onderzoek naar de vraag of op deze kleding cocaïnegerelateerde sporen aanwezig zijn (onderzoekswens E).”

2.6

De raadsheer-commissaris heeft op 10 november 2022 naar aanleiding van deze opdracht een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Dit proces-verbaal houdt voor zover van belang in:

“Ter terechtzitting d.d. 5 januari 2022 (waarop de op 8 december 2021 onderbroken terechtzitting is hervat) heeft de meervoudige kamer van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bovenstaande zaak naar het kabinet van de raadsheer-commissaris verwezen met de navolgende opdrachten:

Beveelt dat de raadsheer-commissaris een onderzoek zal instellen met betrekking tol de

navolgende onderwerpen:

1. technisch (vergelijkingsonderzoek) naar het karton dat onder de schoen van de verdachte zou zijn aangetroffen en het karton dat in de loods is aangetroffen (onderzoekswens B)

2. geuronderzoek door het NFI naar de afkomst van de chemische lucht afkomstig van de (veiliggestelde) kleding van de verdachte die hij aan had op het moment van de aanhouding en onderzoek naam de vraag of op deze kleding cocaïnegerelateerde sporen aanwezig zijn (onderzoekswens E).

Ten aanzien van het technisch (vergelijkings)onderzoek naar het karton op de schoenen van

verdachte kan het volgende worden gerelateerd.

Op 9 augustus 2022 heeft de raadsheer commissaris de deskundige microsporen en materialen de opdracht gegeven om een case-preassessment uit te voeren. Op 7 oktober jl.

heeft het kabinet van de raadsheer-commissaris het rapport van bovengenoemd case

preassesment van het NFI ontvangen (zie bijlage 1). Zakelijk weergegeven luidt de

conclusie in dit rapport dat de deskundige adviseert om geen vergelijkend onderzoek aan de

schoenen van verdachte en het karton uit te voeren. De deskundige acht op basis van zijn

kennis en ervaring de kans op bruikbare resultaten in dit onderzoek erg klein. De raadsheer-commissaris zal gezien het advies van de deskundige niet overgaan tot het laten uitvoeren

van het onderzoek zoals genoemd onder punt 1 van de verwijzing van het hof.

Ten aanzien van het geuronderzoek zoals genoemd onder punt 2 van de verwijzing van het

hof verwijst de raadsheer-commissaris naar het proces-verbaal van bevindingen van 9 maart

jl. In dat proces-verbaal van bevindingen is uitgelegd waarom dat onderzoek in deze vorm

niet plaats kon vinden.

Op 9 augustus jl. heeft de raadsheer-commissaris een deskundige verdovende middelen de

opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van cocaïne en cocaïne

gerelateerde stoffen op de kleding van verdachte. Voor de resultaten van dit onderzoek

verwijst de raadsheer-commissaris naar het NFI-rapport van 4 november 2022 Onderzoek

naar sporen drugs en druggerelateerde stoffen op een paar schoenen en kledingstukken (zie

bijlage 2).”

2.7

De zaak is vervolgens voor inhoudelijk behandeling gepland op de terechtzitting van 10 mei 2023. Het hof heeft - in een andere samenstelling dan tijdens de zitting van 5 januari 2022 - bij arrest van 10 mei 2023 de oproeping in hoger beroep nietig verklaard.

2.8

Vervolgens heeft het hof - wederom in een gewijzigde samenstelling - de zaak inhoudelijk behandeld op de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2024. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voor zover van belang in:

“De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

(…)

De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De voorzitter deelt mede dat de strafzaak tegen de verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaak onder parketnummer 20-002810-20 tegen [betrokkene 1] .

De voorzitter deelt mede dat de zaak eerder op zitting heeft gestaan, te weten op 11 mei 2021, 20 juli 2021, 28 september 2021, 8 december 2021 en 26 april 2023 alsmede dat bij arrest van dit hof van 10 mei 2023 de oproeping in hoger beroep nietig is verklaard.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk daarna in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.

(…)

De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. De raadsman voegt daaraan het navolgende toe:

(…)

- pagina 1, na samen met 2 andere verdachten: Mijn cliënt is door twee agenten aangehouden. Van de zijde van de verdediging is ook verzocht de agenten als getuige te horen;

- Bij pagina 1, na of alle 3 vervulde kleding hadden: Mijn cliënt zegt dat ze met z’n allen bij elkaar werden gedreven. Ze stonden allemaal op één vierkante meter bij elkaar. Het is dan lastig om de geur van personen te onderscheiden. Het verzoek om de agenten te horen is echter door de rechtbank en het hof afgewezen. Daardoor blijven alleen de stukken van overtuiging, te weten de meegenomen schoenen en kleding over. Overigens stonk de hele buurt naar benzine, wat initieel de reden was waarom de politie werd ingeschakeld;

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

2.9

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“1. hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet;

2. hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het delict, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een (grote) hoeveelheid verpakkingen met daarin (grote) hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad waaronder benzine en ethylacetaat en aceton en zoutzuur en zwavelzuur, en

- onderdelen van een productieopstellingen voorhanden gehad, waaronder magnetrons en metalen logo’s;

3. hij op 18 november 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal ongeveer 72,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

2.10

Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen

(…)

Verweer van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van de tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is - kort gezegd - naar voren gebracht dat de verdachte nooit binnen in de loods gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] is geweest. Op 18 november 2019 was hij voor het eerst in zijn leven op die locatie om [betrokkene 2] op te halen, samen met een gemeenschappelijk kennis, [betrokkene 3] genaamd. De verdachte wachtte op het erf en zag dat er mensen in uniform aan kwamen lopen en dat er mensen uit de woning renden. De verdachte is ook weggerend en samen met twee anderen aangehouden. De verbalisanten hebben in algemene bewoordingen beschreven dat de kleding van de verdachten vies was en dat zij een sterke chemische lucht roken. De verdachte heeft echter verklaard dat hij op enige afstand van de andere twee verdachten stond en dat hij schone kleding droeg. Bovendien zijn in de cocaïnewasserij geen DNA sporen van de verdachte aangetroffen. Evenmin zijn er dactyloscopische sporen van hem aangetroffen. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft wel sporen van cocaïne op verdachtes kleding aangetroffen, maar dit betreft geen indicatie dat hij in de cocaïnewasserij actief is geweest. De sporen die zijn aangetroffen op de schoenen en de broek van de verdachte hoeven namelijk niet afkomstig te zijn uit de cocaïnewasserij, maar die kunnen afkomstig zijn van een andere bron. De verdachte gebruikte namelijk zelf cocaïne en diens schoenen en broek kunnen bij het aantrekken daarvan besmet zijn geraakt. Het is ook opmerkelijk dat op zijn jas en trui geen sporen van cocaïne zijn aangetroffen, Bovendien blijkt uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut dat op verdachtes kleding sporen van cocaïne zijn aangetroffen, dit terwijl in de cocaïnewasserij cocaïnebase aanwezig was. Ook dit levert een contra-indicatie op dat de verdachte in de cocaïnewasserij is geweest. Tot slot heeft [getuige] ten overstaan van de raadsheer-commissaris bevestigd dat de verdachte op 18 november 2019 opeens was verdwenen en dat hij op alle andere dagen voorafgaand aan 18 november 2019 gewoon thuis was.

Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de gebeurtenissen op 18 november 2019 stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Op 18 november 2019 omstreeks 14.00 uur (p. 39) ontving de brandweer een melding over stankoverlast bij een woning aan de […] [ik begrijp: [a-straat 1] : MvW] te [plaats] . Ongeveer twee weken eerder (het hof begrijpt: op of omstreeks 4 november 2019) was ook al een dergelijke melding gedaan. De lucht bleek uit een put van de riolering te komen. Bij het openen van de rioolput, rook de brandweer een benzinelucht. Na een buurtonderzoek werden twee van de drie op de rioolput aangesloten panden (een sportschool en het tankstation) uitgesloten als veroorzaker(s) van de geroken benzinelucht. Het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] bleef over. Hierop is besloten om het perceel en de daarop gevestigde panden aan een nadere inspectie te onderwerpen. Om 18.21 uur werd het perceel betreden door de brandweer tezamen met ambtenaren van de gemeente en de politie. Teneinde toegang tot het perceel te krijgen werd het kettingslot van een hek opengeknipt. Vervolgens werd om 18.58 uur een houten deur, links van de roldeur die toegang gaf tot de loods, geopend. Nadat een houten wandje dat achter de deur bleek te staan was ingetrapt, werden in een ruimte verschillende kunststof vaten met daarin een bruine substantie aangetroffen. Voorts blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat het in die ruimte naar benzine rook. In afwachting van nader onderzoek door het gespecialiseerde team op het terrein van drugslabs en de forensische opsporing, werd de houten plaat teruggeplaatst en de houten deur weer afgesloten. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat vervolgens op 18 november 2019, omstreeks 20.45 uur, vanaf het perceel 290 plotseling meerdere personen wegrenden. Al deze personen zijn kort daarna in de directe omgeving van de loods aangehouden. Deze personen bleken te zijn de verdachten [betrokkene 1] , [medeverdachte] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [verdachte] en [betrokkene 6] . [betrokkene 1] en [medeverdachte] waren over het hek geklommen en werden ter hoogte van het tankstation aangehouden. De anderen, waaronder de [verdachte] , werden op het terrein van de loods aangehouden. Uit hetgeen [verbalisant 4] heeft gerelateerd blijkt dat een van de personen blauwe handschoenen droeg, alsmede dat hij bij drie aangehouden verdachten ( [betrokkene 4] , [verdachte] en [betrokkene 5] ) op het moment dat hij hen de boeien heeft aangelegd een sterke chemische geur rook die op benzine leek. Dit was dezelfde sterke geur als de geur die hij eerder die avond ook in de loods gelegen aan het perceel [a-straat 1] had geroken. Bij nadere inspectie van de loods, bleek dat de houten plaat opzij was geschoven en dat de houten deur was opengedraaid.

Het hof overweegt als volgt.

Door de Landelijk Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) is nader onderzoek verricht in de loods behorende bij de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . Op basis van de bevindingen van de LFO stelt het hof vast dat in voornoemde loods tot aan de dag van de ontdekking, op 18 november 2019, op grote schaal cocaïne werd teruggewonnen uit karton, dat als dragermateriaal fungeerde. Een deel van de reeds teruggewonnen cocaïne bevond zich nog in de loods. In een van de ruimten van de loods - ruimte C, welke ruimte is aangeduid als de ‘chemische ruimte’ - stonden namelijk vijf Jumbotassen gevuld met in totaal meer dan 70 kilogram cocaïnebase. Gelet op de bevindingen van de LFO en de (door hen) aangetroffen voorwerpen en stoffen, was de cocaïnewasserij ingericht en gereed voor het terugwinnen van nog meer cocaïne uit karton. In de loods waar de cocaïnewasserij was opgesteld, was ook een aparte ruimte ingericht als slaapplek (ruimte H). In deze ruimte waren acht slaapplaatsen ingericht (met dekens en kussens op de matrassen, procesdossier p. 238), welke recent nog waren gebruikt.

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen en het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachten - waaronder de verdachte - in de directe omgeving van de aangetroffen cocaïnewasserij zijn aangehouden. Voorts rook de kleding van verdachten ten tijde van de aanhoudingen naar een chemische geur die op benzine leek, welke geur ook uit de cocaïnewasserij werd geroken. Uit de inhoud van het dossier blijkt ook dat de kleding en schoenen van de verdachten in beslag zijn genomen. Vervolgens zijn per verdachte de kleding en schoenen per stuk verpakt in een papieren zak daarna per verdachte in een plastic zak gedaan. Met betrekking tot het nader onderzoek aan de kleding heeft [verbalisant 5] gerelateerd dat hij bij het openen van de plastic zakken een zoete weeïge chemische lucht rook, die afkomstig was van de kleding en de schoenen. De kledingstukken die de verdachte op 18 november 2019 droeg zijn naderhand door het NFI onderzocht. Uit de rapportage van het NFI blijkt dat in de bemonsteringen van de schoenen van de verdachte cocaïne is aangetoond. In drie bemonsteringen van verdachtes joggingbroek (rechterheup, rechterenkel en het kruis/bovenbeen) is eveneens cocaïne aangetoond. Ook in een bemonstering van de trui van de verdachte is cocaïne aangetoond. Voorts blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat onder de schoenen van de verdachten pulp is aangetroffen, gelijkend op het kartonpulp dat eveneens in de cocaïnewasserij was aangetroffen. Uit het bericht van [medeverdachte] ‘we zitten binnen en buiten de brandweer en de politie’ dat hij 18 november 2019 aan zijn vrouw stuurde blijkt ook dat de verdachten in de loods waren op het moment van de ontdekking van het drugslab.

Gelet op het vorenstaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de zes aangehouden verdachten, waaronder [verdachte] , op 18 november 2019 allen in de loods verbleven alwaar de cocaïnewasserij was opgebouwd en ingericht en dat zij van daaruit, toen zij bemerkten dat zij waren ontdekt, hebben getracht te vluchten.

Dat de verdachten ook in de loods werkzaam waren vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de Whatsapp-gesprekken die verdachte [medeverdachte] met zijn vrouw heeft gevoerd. Uit die gesprekken maakt het hof op dat de werkzaamheden - in ieder geval - vanaf 1 november 2019 zijn gestart. Bovendien zijn op zijn telefoon foto’s aangetroffen ter zake waarvan niet alleen blijkt dat aan die foto’s GPS-coördinaten zijn gekoppeld en dat deze coördinaten overeenkomen met de locatie alwaar de cocaïnewasserij is aangetroffen, maar ook dat de goederen die op de foto’s te zien zijn overeenkomen met de materialen die op de plaats delict zijn aangetroffen.

Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de bevindingen en de waarnemingen van de verbalisanten die zij ten aanzien van de door hen geroken chemische lucht (een beetje gelijkend op de lucht van benzine) hebben opgetekend. De bevindingen passen bij het aantreffen van een cocaïnewasserij in de loods. Ook ziet het hof geen reden te twijfelen aan de bevindingen dat het materiaal onder de schoenen van alle verdachten sterke gelijkenissen vertoonde met de kartonpulp die in de loods is gevonden. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat nog nader onderzoek is verricht naar de vraag of buiten de loods (ook) kartonpulp/kartonafval is aangetroffen, welke vraag ontkennend is beantwoord.

Ten aanzien van de individuele betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten van de verdachte overweegt het hof nog het navolgende.

Ofschoon de bevindingen omtrent de geur van de kleding en de schoenen op zichzelf genomen zonder nader deskundig onderzoek van het NFI nog niet zonder meer tot een bewezenverklaring zou kunnen leiden, kunnen zij wel dienen ter ondersteuning van de verdenking jegens de verdachte die onder andere volgt uit de omstandigheid dat hij samen met vijf medeverdachten op heterdaad is aangehouden in de directe nabijheid van een loods waaruit zij - zoals hiervoor overwogen - waren gevlucht toen de cocaïnewasserij was ontdekt.

Het door de verdachte geschetste scenario - inhoudende dat hij de loods op 18 november 2019 niet heeft betreden en slechts buiten op de deur heeft geklopt en daar geruime tijd, 40 tot 60 minuten buiten had staan wachten op een vriend van een vriend die in de auto bleef wachten zonder dat hij de aanwezigheid van politie en brandweer ter plaatse had opgemerkt - acht het hof niet aannemelijk en schuift dat derhalve terzijde. In dit verband neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat alvorens de verdachten werden aangehouden de brandweer, de politie en medewerkers van de gemeente al enige tijd ter plaatse aanwezig waren en dat zij de locatie niet hebben verlaten terwijl zij aan het wachten waren op de specialisten en de forensische opsporing. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte minstens 40 minuten buiten heeft gestaan zonder dat hij ook maar door een iemand van de politie, de brandweer of de gemeente is gezien.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte voor zijn aanwezigheid in de directe omgeving van de aangetroffen cocaïnewasserij en voornoemde feiten en omstandigheden waaronder hij is aangehouden - welke omstandigheden in samenhang beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van de aan hem tenlastegelegde feiten - geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven.

Ten aanzien van de conclusie van het NFI dat op verdachtes kleding (schoenen, joggingbroek en trui) cocaïne is aangetroffen, heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij cocaïne gebruikte en dat de cocaïne bij het aantrekken van de kledingstukken of door het bijvoorbeeld afvegen van zijn handen aan de kleding daarop terecht kan zijn gekomen. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat de sporen van cocaïne op verdachtes kleding zijn gekomen op de wijze zoals dat van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in overweging dat op verschillende kledingstukken en ook op verschillende plekken op verdachtes joggingbroek cocaïne is aangetroffen. Het hof acht het niet aannemelijk dat slechts bij het gebruik van cocaïne op deze verschillende kledingstukken, en op verschillende plaatsen, sporen van cocaïne worden aangetroffen. Dit klemt te meer nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij drie à vier maanden voorafgaand aan 18 november 2019 voor het laatst cocaïne had gebruikt en dat hij een kleine hoeveelheid gebruikte. Voor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat op verdachtes kleding sporen van cocaïne zijn aangetroffen, terwijl uit het rapport van het NFI blijkt dat in de cocaïnewasserij cocaïnebase aanwezig was, stelt het hof vast dat het NFI ten aanzien van diverse voorwerpen ook heeft geconcludeerd dat die cocaïne bevatten. Dat op verdachtes kleding cocaïne is aangetroffen betreft naar het oordeel van het hof eveneens een omstandigheid op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij in de cocaïnewasserij aanwezig is geweest en daar - samen met anderen - (een materiaal bevattende) cocaïne heeft bewerkt.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de vijf hierboven genoemde medeverdachten hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt en goederen en stoffen voorhanden heeft gehad teneinde (nog meer) cocaïne te bewerken. Het onder 1 en 2 tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Over de periode en overige elementen van de bewezenverklaring merkt het hof nog het volgende op. Op basis van de inhoud van de Whatsapp-berichten tussen [medeverdachte] en zijn vrouw, en de data waarop die zijn verstuurd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat in de periode van 1 november 2018 tot en met 18 november 2019 hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne zijn bewerkt en dat de verdachte en zijn medeverdachten in deze periode stoffen en onderdelen van een productieopstelling voorhanden hebben gehad voor de bewerking van (nog meer) materiaal bevattende cocaïne. Bovendien blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat ter plaatse niet alleen op 18 november 2019 een benzinelucht werd geroken, maar dat twee weken eerder ook al een dergelijke melding, was gedaan, hetgeen naar het oordeel van het hof bevestigt dat vanaf begin november 2019 de cocaïnewasserij in bedrijf was.

Voor zover van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht dat [getuige] ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat de verdachte op 18 november 2019 opeens was verdwenen en dat hij op alle andere dagen voorafgaand aan 18 november 2019 gewoon thuis was, volgt het hof de verdediging niet omdat anders dan de verdediging heeft gesteld, [getuige] niet heeft verklaard dat de verdachte op alle dagen voorafgaand aan 18 november 2019 thuis was.

Onder 3 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne.

Het hof stelt voorop dat voor het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde voldoende is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid daarvan, waaronder tevens is te begrijpen de situatie waarin de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

De verdachte heeft met zijn werk in de cocaïnewasserij niet alleen een materiaal bevattende cocaïne bewerkt, maar hij heeft ook samen met zijn medeverdachten een hoeveelheid van 72,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk aanwezig gehad. De verdachte en zijn medeverdachten moeten hebben geweten dat de cocaïne die zij uit het karton hadden teruggewonnen in de loods bleef staan totdat die werd meegenomen of opgehaald. Op 18 november 2019 was (nog) een hoeveelheid van 72,9 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne in de loods aanwezig. Ook hadden zij hierover tot die tijd de beschikkingsmacht; de tassen met daarin de aangetroffen cocaïnebase stonden namelijk voor het grijpen in de loods. De verdachte en zijn medeverdachten waren - gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft vastgesteld en overwogen - op 18 november 2019 ook in die loods aanwezig.

Zoals hiervoor reeds genoemd acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de 3 tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van het. medeplegen wijst het hof in het bijzonder nog op de inhoud van de Whatsapp berichten die [medeverdachte] naar zijn vrouw heeft gestuurd. In die berichten wordt bijvoorbeeld op 15 november geschreven: ‘gisteren waren we twee weken hier. Sinds we begonnen met werken’. Op 18 november heeft hij nog geschreven ‘we zitten binnen en buiten de brandweer en de politie’. Het hof kan het woord ‘we’ niet anders duiden dat daaronder de zes aangehouden verdachten kunnen worden begrepen. Het hof leidt uit de aard en de omvang van de cocaïnewasserij ook af dat sprake was van het bewerken van (een materiaal bevattende) cocaïne dat overleg en op elkaar afgestemd handelen vereist. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof dan ook genoegzaam worden vastgesteld dat de tenlastegelegde feiten door ‘verenigde personen’ is begaan. De verdachte is ook, samen met anderen, aangehouden onder omstandigheden die op betrokkenheid bij die feiten duiden en daaromtrent heeft hij - zoals hiervoor reeds genoemd - geen aannemelijke die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Ook deze omstandigheid draagt bij aan het oordeel van het hof dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte, zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

De verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten worden in al hun onderdelen verworpen.”

2.11

De bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2019 (p. 234-235), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :

Vandaag 18 november 2019 had ik dienst met collega [verbalisant 6] . Omstreeks 17.45 uur kregen wij van het operationeel centrum Middelburg een melding te gaan naar de […] (het hof begrijpt: [a-straat 1]) in [plaats] . Aldaar werd een vreemde lucht geroken uit het riool op straat. Ter plaatse zag ik dat de brandweer reeds met twee voertuigen ter plaatse was. Ook zag ik verschillende personen van de handhaving gemeente [plaats] tezamen met de AOV’er [betrokkene 7] . Zij stonden allemaal op het terrein van het tankstation ' [A] '. Vanaf de [a-straat] gezien met het gezicht naar het tankstation bevond zich rechts naast dat tankstation een metalen hek. Achter dit hek bevond zich een loods met perceelnummer […] (het hof begrijpt: [a-straat 1]). Dit hek was afgesloten middels een kettingslot. Achter dit hek staande kijkende naar die loods was een roldeur te zien. Rechts van deze roldeur was een bakstenen uitbouw te zien waar enkele ramen en twee kunststof deuren in zaten. De AOV’er vertelde ons dat er vandaag weer een melding van een bewoner in de [a-straat] was geweest dat die een benzinelucht rook die uit het riool leek te komen. Ongeveer twee weken geleden was zo een melding ook al gedaan. Hij vertelde mij dat de brandweer het riool op straat ter hoogte van het tankstation had geopend en daar direct een hele penetrante lucht uit rook. Deze lucht rook sterk naar benzine. Toen ik in de put keek, rook ik dit ook direct. De brandweer had uitgezocht welke panden zaten aangesloten op dit riool. Dit waren er drie. Het tankstation, de sportschool en het pand met huisnummer […] (het hof begrijpt: [a-straat 1]). De sportschool was niets mee aan de hand en het tankstation hadden ze door een expert laten onderzoeken. Ook hier was niets mee aan de hand en technisch in orde. Hierdoor bleef de loods met pandnummer […] (het hof begrijpt: [a-straat 1]) over.

Om 18.21 uur verbrak de brandweer het kettingslot waarmee het hek was afgesloten, middels een hydrologische nijptang.

Om 18.24 uur werd door ons, de gemeente en de brandweer het terrein betreden. Door een brandweerman werd een vluchtige stof gemeten bij een beluchtingsrooster rechts naast de roldeur. De lucht uit het riool was ook een vluchtige stof.

De brandweer probeerde een kunststof deur in de uitbouw te forceren zonder het produceren van vonken. Dit lukte niet.

Om 18.58 uur werd er door de brandweer een houten deur geopend die zich links naast de roldeur bevond. Dit lukte, echter zat er een houten wandje achter. Toen dit wandje werd ingetrapt, zag ik een ruimte waarin verschillende kunststof vaten stonden met daarin een bruine substantie. Ik stond op veilige afstand, maar ook daar rook ik direct weer die benzinelucht.

Toen de brandweer uit de loods ging hadden ze de houten plaat terug van binnenuit tegen de deuropening gezet en de houten deur dicht geduwd.

Omstreeks 20.45 uur hoorde ik een collega roepen dat er meerdere verdachten weg renden vanaf het terrein met huisnummer [a-straat 1] de openbare weg op. Dit bleken uit eindelijk zes verdachten té zijn. Hiervan hielden ik samen met collega […] (het hof begrijpt: [verbalisant 2]) er drie aan in de voortuin rechts naast te woning met huisnummer [a-straat 1] . Achter deze woning bevond zich de betreffende loods. Ik zag dat alle ramen van de woning waren afgesloten middels rolluiken. De voordeur van de woning was afgesloten voor en na de aanhoudingen. Toen ik later naar de houten deur van de loods liep die de brandweer had geopend, zag ik dat die op een kier stond. Toen ik die voorzichtig opende zag ik dat die houten plaat nu grotendeels naar rechts open stond. Hieruit kon ik opmaken dat de verdachten zich waarschijnlijk in de loods bevonden en via deze deur naar buiten waren gevlucht.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2019 (p. 73-74), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :

Aanvullend proces verbaal van bevindingen, in verband met het aantreffen van een drugslab op maandag 18 november 2019 op het perceel [a-straat 1] in [plaats] . Dit volledige perceel had het huisnummer [a-straat 1] . In mijn eerdere bevindingen benoemde ik ook het huisnummer […] , dit is echter onjuist. Op het perceel [a-straat 1] is zowel de woning als de loods met uitbouw gevestigd. Toen ik omstreeks 20.55 uur ter hoogte van het hek naast het tankstation stond. hoorde ik een collega roepen over de portofoon en hoorde aan het volume van het roepen dat er iets aan de hand was. Ik keek om mij heen en zag dat er een aanhouding plaatsvond ter hoogte van de kruising [a-straat] met de [b-straat] . Dit bleek later verdachte [betrokkene 1] te zijn. Ik hoorde ook iemand roepen dat er verdachten van het perceel af kwamen rennen. Ik zag dat collega [verbalisant 2] vanuit de [b-straat] kwam rennen en riep dat er nog meer waren, ik zag dat hij terug rende in de richting van het hek aan de [b-straat] . Ik rende achter hem aan. Aangekomen bij het hek zag ik dat er een persoon voor het hek op de grond zat en geboeid was aan dit hek. Dit bleek later verdachte [medeverdachte] te zijn. Ik zag dat Collega [verbalisant 2] over het hek klom om in de voortuin van de woning te komen. Ik volgde en klom ook over dit hek. Eenmaal in de tuin renden wij naar rechts om rechts haast de woning te komen. Aldaar zag ik nog drie verdachte personen. Ik zag dat een van deze personen blauwe handschoenen aan had. Ik riep samen met collega [verbalisant 2] deze personen aan en vertelde hun dat ze waren aangehouden. Dit bleken later de verdachten [betrokkene 4] , [verdachte] en [betrokkene 5] te zijn.

Toen ik bij de drie verdachten samen met collega [verbalisant 2] boeien aan het aanleggen was, rook ik direct de sterke chemische geur die ik eerder die avond uit het riool in de [a-straat] en het ontdekte drugslab had geroken. Het was een sterke chemische lucht die op de geur van benzine leek. Ik zag dat de kleding die ze droegen er vervuild uit zag en ik zag bij zeker een van de verdachten ook een paar plastic soort schoonmaak handschoenen in een van zijn broekzakken zitten. Eén deel van die handschoenen was duidelijk zichtbaar. In verband met de meerdere verdachten en mogelijke sporen had ik de goederen die zij op zak hadden in hun kleding laten zitten. Kort daarna zijn wij met de drie verdachten om de woning heen gelopen om vervolgens langs de loods bij het andere hek uit te komen aan de [a-straat] . Aldaar werden alle verdachten naast elkaar gezet en kregen zij een witte overal aan. Al hun eigen kleding en goederen die zij hij zich droegen werden in afzonderlijk zakken opgeborgen. Deze zakken werden middels de letters A t/m F in combinatie met hun namen gekoppeld. Ik hoorde daar van collega’s dat er in totaal zes verdachten waren aangehouden. Collega [verbalisant 6] had ter hoogte van het hek bij de [a-straat] ook een verdachte aangehouden, welke later [betrokkene 6] bleek te zijn.

3. Het proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 27 januari 2020 (p. 211), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :

Veiligstellen kleding:

Onze eerste inzet op maandag 18 november 2019 betrof het veiligstellen van de kleding van zes aangehouden verdachten. Deze verdachten werden op het terrein [a-straat 1] in afwachting van onze komst opgehouden. Door ons werd iedere verdachte apart gefotografeerd in de kleding zoals wij hem ter plaatse geboeid aantroffen. Vervolgens heb ik, per verdachte, de bovenkleding (jas en/of trui), de broek en de schoenen apart in schone droge papieren zakken verpakt. Deze papieren zakken zijn door mij per verdachte apart in een schone ongebruikte plastic zak verzegeld met vermelding van letter A t/m F.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 december 2019 (p. 216-218), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 5] :

Op 18 november 2019 werd er een cocaïnewasserij aangetroffen in [plaats] . Hierbij werden 6 verdachten aangehouden. Onder de verdachten werden diverse goederen, kleding en schoeisel in beslag genomen. Per verdachte was er een (1) plastic zak met daarin diverse papieren zakken. De plastic zakken waren genummerd A tot en met F. Bij het openen van de plastic zakken rook ik, [verbalisant 5] , een zoete weeïge chemische lucht die afkomstig was van de kleding en schoeisel.

(…)

[verdachte]

5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2020 (p. 271-275), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 7] :

Op 18 november 2019 had ik piketdienst bij de Districtsrecherche de Markiezaten. Omstreeks 22:00 uur ben ik naar de [a-straat] te [plaats] gegaan in verband met een aangetroffen drugslaboratorium. Toen ik daar ter plaatse was ben ik ook het drugslaboratorium binnengegaan. Ik zag dat er aan de loods een ruimte vast zat, ruimte H. Ik zag dat deze ruimte H als slaapgedeelte was ingericht. Ik zag dat hier 8 slaapplaatsen waren ingericht. Deze slaapplaatsen bestonden per slaapplaats uit 1-2 matrassen waarbij de matrassen dan op elkaar lagen. Ik zag dat het erop leek dat deze slaapplaatsen recent nog gebruikt waren.

6. Het proces-verbaal onderzoek Westminster, forensisch onderzoek schoenen, d.d. 1 februari 2020 (p. 453-454), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 8] :

Op 7 januari 2020 ontving ik één (1) plasticzak met daarin sporendragers, kledingstukken en schoenen van één (1) verdachte.

Goednummer: PL2000-2019277756-2124785

SIN: AANC0241NL

Object: Schoeisel (Sport)

Aantal/eenheid: 2 stuks

Merk/type: Nike

Kleur: Rood

Eigenaar: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1979.

Forensisch onderzoek aan de schoenen.

Ik zag dat het één (1) paar schoenen van de verdachte restanten karton/pulp bevatte. De door mij waargenomen restanten karton/pulp op en rondom het één (1) paar schoenen komen visueel/soortgelijk overeen met de karton/pulp dat door mij en de politiemedewerkers van LFTO werd aangetroffen in de loods/tab aan de [a-straat 1] in [plaats] .

7. Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 26 oktober 2020 (los opgenomen), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 8] :

Bij aanvang van dit onderzoek was ter plaatse door de politie de [verdachte] aangehouden op de locatie [a-straat 1] (het hof begrijpt: [a-straat 1]) te [plaats] .

In verband met de nodige aanrijtijd die ik als forensisch onderzoeker naar de locatie van de plaats delict nog moest rijden, werd na telefonisch overleg van mij met de Landelijke Faciliteit Ontmanteling, besloten de op dat moment gedragen kleding van de aangehouden verdachte afzonderlijk veilig te stellen en in beslag te nemen.

Verdachte

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1979

Sporendragers

Goednummer: PL2000-2019277756-2124785

SIN: AANCO241NL

Object: Schoeisel (Sport)

Aantal: 2 stuks

Merk/type: Nike

Kleur: Rood .

Goednummer: PL2000-2019277756-2124788

SIN: AANC0242NL

Object: Kleding (Broek)

Kleur: Grijs

Inhoud: Joggingbroek met zwarte streep

Goednummer: PL2000-20I9277756-2124792

SIN: AANC0243NL

Object: Kleding (Trui)

Kleur: Meerkleurig

Inhoud: Sweater met groen/wit/zwart en capuchon

8. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 november 2022 (los opgenomen), voor zover inhoudende:

Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal

Kenmerk

Omschrijving FO

AANC0241NL

Schoeisel, merk Nike (sport)kleur rood, 2 stuks

AANC0242NL

Kleding (broek), joggingbroek met een zwarte streep.

AANC0243NL

Kleding (trui), sweater met groen/wit/zwart capuchon

Het onderzoeksmateriaal [AANCO241NL] bestond uit een paar rode Nike schoenen met daarop meerdere lichtbruine vlekken/substanties. Hiervan werden zowel de rechter- als de linkerschoen bemonsterd met een met methanol bevochtigd wattenpropje.

Het onderzoeksmateriaal [AANCO242NL] bestond uit een grijze joggingbroek met daarop meerdere lichtbruine en crèmekleurige vlekken. Hiervan werden meerdere lichtbruine en crèmekleurige vlekken ten hoogte van de rechterheup, rechterenkel en het kruis/bovenbeen uitgesneden met een scalpel.

Het onderzoeksmateriaal [AANCO243NL] bestond uit een relatief schone groen/wit/zwarte trui met daarop enkele Iichtbruine vlekken. Er zijn twee stukjes uit de mouw en een stukje aan de onderkant van de trui uitgesneden met een scalpel.

Tabel 2 Onderzoeksmateriaal en resultaat

Kenmerk

Resultaat

AANC0241NL

in beide bemonsteringen is cocaïne aangetoond

AANC0242NL

in alle drie de bemonsteringen is cocaïne aangetoond

AANC0243NL

in één bemonstering is cocaïne aangetoond in de andere bemonstering is een aanwijzing voor de aanwezigheid van cocaïne gevonden

(…)

10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2020 (p. 713), voor zovér inhoudende als relaas van [verbalisant 9] :

In verband met het onderzoek naar de strafbare feiten in onderhavig onderzoek werd onder andere [verdachte] gehoord. Hij verklaarde, onder andere, dat hij niet in de loods was geweest op de [a-straat 1] te [plaats] en dat als er mogelijk kartonpulp/kartonafval onder zijn schoenen terecht zou zijn gekomen, dit zou zijn gebeurd toen hij werd aangehouden, daar de ondergrond buiten de loods ook zou zijn vervuild. Ik, verbalisant, heb vervolgens de foto’s, welke genomen zijn kort na het aantreffen van de cocaïnewasserij, nogmaals bekeken en zag daar geen vervuiling van kartonpulp/kartonafval op, buiten de loods. Tevens heb ik, verbalisant, aan de aanhoudende verbalisant van [verdachte] de vraag gesteld of er, ten tijde van deze aanhouding, sprake was van vervuiling van de ondergrond met betrekking tot kartonpulp/kartonafval. Aan mij werd mede gedeeld dat dit zeker niet het geval was. Sterker nog er werd mij, verbalisant, medegedeeld dat er überhaupt geen sprake was van enige vervuiling op deze locatie buiten de loods.

(…)

12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2020 (p. 792-803), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 9] :

In verband met de onderzochte feiten, in onderhavig onderzoek, was in proces-verbaal, voorzien van nummer 93, al een uiteenzetting gemaakt van de aangetroffen bijzonderheden in de telefoon, welke in beslag was genomen onder verdachte [medeverdachte] . In deze telefoon werden tevens een tweetal relevante WhatsApp chats aangetroffen. Deze chats waren allen in de Spaanse taal en werden, na te zijn veilig gesteld, vertaald door een beëdigd tolk/vertaler.

groen (zeer vermoedelijk verdachte [medeverdachte] .)

blauw + dikgedrukt (zeer vermoedelijk de vriendin/vrouw van verdachte [medeverdachte] )

Groen 2-11 -2019 00:00:03

Bb ik lig op bed ben kapot

Groen 2-11-2019 00:00:21

Morgen vroeg op en weer bikkelen

Groen 2-11-2019 00:00:48

Goed liefje. Godzijdank zijn we inmiddels begonnen met werken

Groen 3-11-2019 22:23:55

Hier met 10 man op de grond

Groen 3-11-2019 22:24:00

Allemaal op de grond

Blauw 3-11-20 19 22:24:25

Jee heftig en maken jullie een beetje lol bb

Groen 3-11-2019 22:24:44

Nee schat je mag hier geen herrie maken

Groen 3-11-201922:25:07

Het is allemaal heel strak georganiseerd

Groen 7-11-2019 21:52:43

Zeker schat we zijn nog niet eens op de helft maar gisteren zijn er drie mensen extra gebracht om te helpen en er komen een paar machines zodat het sneller gaat

Groen 12-11-2019

Schat je mag hier niet eens wap gebruiken. Er zijn 2 opzichters eentje vanuit de huurder en de andere van die mensen hier

Ik ben hier elke ochtend om 6 of 7 uur op en aan het werk om een klus af te maken die op een nachtmerrie begon uit te lopen

Groen 14-11-2019

Schat wij komen niet buiten je weet toch dat we op de werkplaats slapen

Groen 15-11-2019

Hier waar wij zitten hebben we sinds onze aankomst geen daglicht gezien

De mensen hier trekken het ook bijna niet meer

Gisteren waren we 2 weken hier

Sinds we begonnen met werken

Groen 18-11-2019

Schat de politie is er

Politie staat buiten

Er is geen uitweg schat

We zitten binnen en buiten de brandweer en de politie.”

2.12

Het middel bevat de klacht dat het hof bij de afwijzing van het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] als getuigen te horen, is uitgegaan van een onjuist kader en vervolgens de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] voor het bewijs heeft gebruikt, zonder te zijn ingegaan op de vraag of de procedure in haar geheel, na het gebruik van deze getuigenverklaringen voor het bewijs, nog voldoet aan de eisen van het recht op een eerlijk proces uit art. 6 EVRM.

2.13

Uit het hiervoor geschetste procesverloop volgt – samengevat – dat namens de verdachte op 29 december 2020 tijdig een schriftuur als bedoeld in art. 410 lid 1 en 3 Sv is ingediend, waarbij is verzocht de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] als getuigen te horen. Op de regiezitting van 8 december 2021 heeft de raadsman dat verzoek gehandhaafd. Het hof heeft vervolgens op de zitting van 5 januari 2022 het verzoek afgewezen.

De bespreking van het middel: de afwijzing van het getuigenverzoek

2.14

Ik merk om te beginnen op dat het verzoek van de raadsman om de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] te horen een verzoek is als bedoeld in art. 287 lid 3 en onder a Sv in verbinding met art. 415 lid 1 Sv. Hoewel het onderzoek ter terechtzitting bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op 17 april 2024 in verband met een gewijzigde samenstelling van het hof (kennelijk) opnieuw is aangevangen, kan – gelet op het bepaalde in art. 322 lid 4 Sv – over de afwijzing van de verzoeken van 5 januari 2022 in cassatie worden geklaagd. Hoewel de verdediging tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak het niet-horen van de verbalisanten wel heeft betreurd, maar niet opnieuw het verzoek heeft gedaan om deze verbalisanten te horen, kan daarmee (in dit geval) niet worden gezegd dat het belang bij cassatie om die reden ontbreekt.

2.15

Het verzoek van de verdachte om de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] te horen als getuigen, houdt verband met de ontkenning van de verdachte dat hij in de aangetroffen cocaïnewasserij aanwezig is geweest. Het hof heeft de verklaring van [verbalisant 4] , die een voor de verdachte belastende strekking heeft, voor het bewijs gebruikt. Het hof heeft mede aan de verklaring van [verbalisant 4] ontleend dat de verdachte in de cocaïnewasserij aanwezig is geweest en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen. Wat betreft de [verbalisant 2] ligt dat anders. Het hof heeft diens verklaring niet voor het bewijs gebezigd, zodat niet kan worden gezegd dat de bewezenverklaring mede op zijn verklaring berust.

2.16

Het hof heeft het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] afgewezen omdat het “niet noodzakelijk [is], gelet op de twee technische onderzoeken (de toegewezen onderzoekswensen B en E) die zullen worden uitgevoerd”. Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat het hof hier ten onrechte toetst aan het noodzakelijkheidscriterium, terwijl het had dienen te onderzoeken of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het ging om getuigen waarvan het horen bij tijdig ingediende appelschriftuur was verzocht (art. 418 lid 1 jo. 288 lid 1 onder c Sv).

2.17

De enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, levert echter niet zonder meer voldoende – rechtens te respecteren – belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Daarbij is het volgende van belang.

2.18

Uit de (post-)Keskin-rechtspraak van de Hoge Raad volgt – kort gezegd – dat bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd.

2.19

De rechter kan het verzoek om zo’n belastende getuige op te roepen en te horen niettemin afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het oproepen en horen van de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant’) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.

2.20

Voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde op de terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging. Als de feiten en omstandigheden die uit de verklaring van de niet ondervraagde getuige volgen, ook kunnen worden afgeleid uit andere bewijsmiddelen of als het een omstandigheid betreft die in het geheel van de bewijsvoering van ondergeschikte betekenis is, dan heeft de verdachte onvoldoende belang bij cassatie.

2.21

Het hof heeft door te overwegen dat het horen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] niet noodzakelijk is, gelet op de twee technische onderzoeken die zullen worden uitgevoerd (de toegewezen onderzoekswensen B en E), kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat – gelet op de andere onderzoekswensen die zullen worden toegewezen – het horen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] op dat moment voor de bewijsvoering onmiskenbaar irrelevant of overbodig is (‘manifestly irrelevant or redundant’), omdat het van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat oordeel, waarin besloten ligt dat de verdachte door het niet oproepen van de getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de door het hof wel toegewezen onderzoekswensen B en E ook ertoe strekten te onderzoeken of de verdachte in de cocaïnewasserij aanwezig is geweest. Dat betekent dat het middel niet tot cassatie kan leiden voor zover het klaagt dat het hof het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] als getuige te horen heeft afgewezen op onjuiste dan wel onbegrijpelijke gronden.

De bespreking van het middel: eerlijk proces

2.22

De verdediging heeft daarmee geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om een getuige te horen die voor de verdachte een belastende verklaring heeft afgelegd. Daar komt bij dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 10 november 2022 volgt dat de onderzoekswensen B en E niet zijn uitgevoerd omdat deze door de deskundigen als weinig zinvol werden bestempeld of niet konden worden uitgevoerd. De door het hof gegeven reden voor de afwijzing van het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] te horen is daarmee komen te vervallen.

2.23

Indien de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om een Keskin-getuige te horen, dient de rechter na te gaan of de procedure voldoet aan het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. De rechter zal daarbij (kort samengevat) acht moeten slaan op (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.

2.24

De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met ‘the overall fairness of the trial’ als bedoeld in art. 6 EVRM. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.

2.25

Het hof heeft er in zijn overwegingen geen blijk van gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Hierover klaagt het middel terecht.

2.26

Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden om de volgende redenen. Als gezegd is aan het verzoek tot het horen van de [verbalisant 4] ten grondslag gelegd dat de verdachte betwist dat hij in de cocaïnewasserij aanwezig is geweest. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in dat de verdachte na het aantreffen van de cocaïnewasserij wegrende vanaf het betreffende perceel en vervolgens samen met drie medeverdachten in de buurt van de cocaïnewasserij werd aangehouden. De kleding van de drie verdachten werd in beslag genomen en in afzonderlijke zakken verpakt (bewijsmiddel 1 en 2). [verbalisant 5] heeft de in beslag genomen kleding en schoeisels van de aangehouden verdachte onderzocht en omschrijft dat hij bij het openen van de plastic zakken een zoete, weeïge, chemische lucht rook (bewijsmiddel 4). Uit het rapport van het NFI volgt dat op verschillende plaatsen op de schoenen en broek van de verdachte cocaïne is aangetroffen. Ook op de trui van de verdachte is op één plaats cocaïne aangetroffen (bewijsmiddel 8). In de cocaïnewasserij stonden onder andere speciekuipen gevuld met een substantie van opgelost karton en vloeistof. De in de cocaïnewasserij aangetroffen goederen en chemicaliën duiden erop dat op grote schaal cocaïne werd teruggewonnen uit dragermateriaal, vermoedelijk karton (bewijsmiddel13). Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat onder de schoenen van de verdachte restanten van karton/pulp zijn aangetroffen. Deze restanten komen visueel overeen met de karton/pulp dat werd aangetroffen in de cocaïnewasserij, terwijl buiten op het terrein geen karton/pulp is aangetroffen (bewijsmiddel 6 en 10).

2.27

Deze uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden kunnen het oordeel dat de verdachte in de cocaïnewasserij aanwezig is geweest zelfstandig dragen. De verklaring van de getuige [verbalisant 4] is daarmee binnen het geheel van bewijsvoering van het hof van ondergeschikte betekenis. Een en ander brengt met zich dat ook als het betwiste deel van de verklaring van getuige [verbalisant 4] uit de bewijsvoering wordt weggedacht, de bewezenverklaring zonder meer toereikend is gemotiveerd en dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij de klachten van het cassatiemiddel.

2.28

Het eerste middel leidt niet tot cassatie.

3 Het tweede middel

3.1

Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1, feit 2 en feit 3. In het bijzonder wordt geklaagd over (i) het in deze feiten bewezenverklaarde medeplegen en (ii) het oordeel van het hof dat de verdachte in de twee weken voorafgaand aan 18 november 2019, zijnde de datum waarop de cocaïnewasserij door de politie wordt ontdekt, aanwezig is geweest in de cocaïnewasserij en daar strafbare handelingen heeft verricht. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat het bewezenverklaarde medeplegen en de bewezenverklaarde periode niet kunnen worden afgeleid uit de door het hof voor het bewijs gebezigde Whatsapp-berichten tussen de [medeverdachte] en zijn vrouw.

3.2

Het hof heeft aan het oordeel dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten eerst ten grondslag gelegd de inhoud van de Whatsapp-berichten tussen de [medeverdachte] en zijn vrouw. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op het bericht dat [medeverdachte] op 18 november 2019 naar zijn vrouw stuurde. Dit bericht houdt in: “we zitten binnen en buiten de brandweer en de politie” (bewijsmiddel 12). Het hof heeft uit dit bericht afgeleid dat het woord ‘we’ duidt op de zes (kort daarna) aangehouden verdachten, waaronder de verdachte en de [medeverdachte] . Het hof heeft ook bij zijn oordeel betrokken dat (i) de aard en de omvang van de cocaïnewasserij afgestemd handelen en overleg met elkaar vereist (ii) de verdachte samen met anderen is aangehouden onder omstandigheden die op betrokkenheid bij die feiten duidt (iii) de verdachte geen aannemelijk de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Het hof heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld en kunnen oordelen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

3.3

Dat betekent dat het middel faalt voor zover het klaagt over het onder feit 1, 2 en 3 bewezenverklaarde medeplegen.

3.4

Wat betreft de bewezenverklaarde periode geldt ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit dat het hof - samengevat - heeft bewezenverklaard dat de verdachte op 18 november 2019 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk ongeveer 72,9 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad. Voor zover het middel klaagt dat ten aanzien het onder 3 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte voor 18 november 2018 strafbare handelingen heeft verricht in de cocaïnewasserij, ontbeert het derhalve feitelijke grondslag.

3.5

Wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde feit heeft het hof de periode van 1 november 2019 tot en met 18 november 2019 bewezenverklaard. Hoewel een dergelijke bewezenverklaring doorgaans niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht, volgt in dit geval uit de bewijsoverwegingen dat het hof bewezen heeft geacht dat de verdachte ook zelf vóór 18 november 2019 een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt (feit 1) en stoffen en onderdelen van een productieopstelling voorhanden heeft gehad voor de bewerking van materiaal bevattende cocaïne (feit 2). Dat het hof bewezen acht dat de verdachte dit gedurende de gehele periode van 1 tot en met 18 november 2019 heeft gedaan, lees ik daarin echter niet.

3.6

Het hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat gedurende (een groot deel van) de periode van 1 november tot en met 18 november 2019 aan de [a-straat 1] in [plaats] een drugslab aanwezig was dat door een groep van personen in werking werd gehouden. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist. Het hof heeft volgens zijn bewijsoverwegingen verder aan zijn oordeel ten grondslag gelegd (i) de inhoud van de Whatsapp-berichten tussen [medeverdachte] en zijn vrouw en de data waarop die zijn verstuurd en (ii) dat ter plaatse niet alleen op 18 november 2019 een benzinelucht werd geroken, maar dat twee weken eerder ook al een dergelijke melding werd gedaan. De gebezigde bewijsmiddelen houden meer specifiek in dat [medeverdachte] aan zijn vrouw heeft bericht dat hij met tien man op de grond ligt (3 november), dat er drie extra mensen zijn gebracht (7 november), dat zij twee weken geleden begonnen zijn met werken en sinds hun aankomst geen daglicht hebben gezien (15 november). Verder was volgens bewijsmiddel 5 bij het laboratorium een slaapzaal ingericht.

3.7

Deze bewijsmiddelen houden in dat gedurende de tenlastegelegde periode in het drugslab werd gewerkt door een vaste groep van personen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte een van de medewerkers van het lab was, dat zijn verklaring dat hij daar slechts op 18 november 2019 aanwezig was niet aannemelijk is en dat hij (daarmee) voor omstandigheden die, in samenhang beschouwd, redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs van de aan hem tenlastegelegde feiten, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Het hierop gebaseerde oordeel dat de verdachte ook zelf vóór 18 november 2019 een materiaal bevattende cocaïne heeft bewerkt (feit 1) en stoffen en onderdelen van een productieopstelling voorhanden heeft gehad voor de bewerking van materiaal bevattende cocaïne (feit 2), acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.8

Overigens zie ik ook hier geen belang bij cassatie, aangezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wordt aangetast wanneer wordt uitgegaan van betrokkenheid van de verdachte bij de feiten van slechts één dag. Daarbij merk ik op dat het hof in de strafmaatoverwegingen geen bijzondere betekenis heeft toegekend aan de onder 1 en 2 bewezenverklaarde periode.

4 Afronding

4.1

Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4.2

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat dient tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf te leiden.

4.3

Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.4

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Ik merk daarbij op dat hoewel niet expliciet in het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 april 2024 is vermeld dat dit onderzoek na een wijziging van de samenstelling van het gerecht opnieuw is aangevangen, uit het procesverloop, waaronder het voordragen van de zaak door de AG, kan worden afgeleid dat dit wel is gebeurd. Vgl. HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:164. Vgl. HR 1 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.64 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1217. Vgl. HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1924, rov. 3.6.3. HR 1 juli 20214, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.44 Vgl. HR 1 juli 2014:1496, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.75. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.2. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.3. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, rov. 2.4.2. Vgl. HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.12.1 – 2.12.2. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.13. Vgl. bijvoorbeeld HR 12 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1199 en HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399 rov 2.3, onder verwijzing naar HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728.