Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2026:852 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-852
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 6 september 2026
- Zaaknummer
- 25/01758
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:852
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01758 B
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[klager],
Geboorteplaats en -datum onbekend,
hierna: de klager
1 Het cassatieberoep
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft bij beschikking van 24 april 2025 (raadkamernr. 25-001967) het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag op een Audi S3 Sportback (kenteken [kenteken]) met last tot teruggave van die auto aan de klager, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Advocaat A.R. Maarsingh heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank over de grondslag van het beslag en de maatstaf die de rechtbank bij de beoordeling van het beklag heeft toegepast. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank – voor zover inderdaad sprake zou zijn van een beslag in de zin van art. 94 Sv – ten onrechte in het midden heeft gelaten of de klager rechthebbende is op de inbeslaggenomen auto.
2 De procedure
Op grond van de aan de Hoge Raad toegezonden stukken kan de procesgang in deze zaak als volgt worden samengevat.
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de zoon van de klager, [betrokkene 1], ter zake van een verdenking van handel in harddrugs, is op 9 december 2024 de bovengenoemde personenauto in beslag genomen. Volgens de vaststellingen van de rechtbank betreft het een personenauto van de klager, die veelvuldig door zijn zoon [betrokkene 1] werd gebruikt.
Op 22 januari 2025 heeft de griffie van de rechtbank Overijssel een namens de klager ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv ontvangen. Dit klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de auto aan de klager.
Op 24 april 2025 is het klaagschrift in raadkamer behandeld. Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard.
3 Het eerste middel
Het eerste middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat er klassiek beslag ex art. 94 Sv op de inbeslaggenomen personenauto rust. Bezien in samenhang met de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat er sprake is van conservatoir beslag en ten onrechte (alleen) het besliskader van art. 94 Sv heeft gehanteerd.
De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave aan hem van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen Audi S3 Sportback met kenteken [kenteken], ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“1. Het verloop van de procedure
[…]
Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een personenauto, merk Audi, type S3 Sportback, onder kenteken [kenteken] (hierna: de personenauto).
[…]
2 De standpunten van de klager en zijn raadsman en de officier van justitie
Standpunt van klager en zijn raadsman
Het standpunt van klager is dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard, dat het beslag moet worden opgeheven en dat de in beslag genomen personenauto aan hem moet worden afgegeven. Klager stelt eigenaar van de personenauto te zijn. In het klaagschrift en tijdens de behandeling in raadkamer is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De zoon van klager. [betrokkene 1], wordt vervolgd, onder meer ter zake een verdenking van handel in drugs. In het kader van die vervolging en het onderzoek naar die verdenking is de personenauto in beslag genomen.
De in beslag genomen personenauto behoort tot het eigendom van klager. Klager heeft de personenauto in september 2022 gekocht. Uit de overeenkomst volgt dat klager de eigenaar van de personenauto is. [betrokkene 1] maakte gebruik van de personenauto van klager. Hij was de rechtmatig gebruiker. Klager kon de auto betalen. De eigenaar van de personenauto mag bepalen wie er in zijn auto rijdt. Nu klager niet op de hoogte is geweest van de mogelijke criminele handelingen van zijn zoon, is er geen grond om het beslag op de auto van klager te handhaven. Ook is klager niet op de hoogte van eventuele fraude met de kilometerstand van de personenauto.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – primair verklaard dat het beslag op de personenauto wegens het voortduren van strafvorderlijk belang dient te worden gehandhaafd en dat het klaagschrift daarom ongegrond moet worden verklaard. Er is gefraudeerd met de kilometerteller van de personenauto. Hierdoor kan de personenauto niet terug in het verkeer en dient deze verbeurd te worden verklaard. Er rust klassiek beslag op de personenauto. Op 10 december 2024 is er een machtiging afgegeven voor het conservatoir beslag op de personenauto. De enkele aankoopnota van de personenauto maakt niet dat klager eigenaar is van de personenauto. Uit het dossier volgt dat [betrokkene 1] frequent gebruik heeft gemaakt van de personenauto van klager. Subsidiair heeft de officier van justitie – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard dat het conservatoir beslag op de auto dient te worden gehandhaafd, nu klager enkel kentekenhouder en geen gebruiker van de personenauto was. Het conservatoir beslag dient daarom te worden gehandhaafd ten aanzien van [betrokkene 1].
[…]
5 De beoordeling
Maatstaf
Ten aanzien van de vraag of er sprake is van klassiek dan wel conservatoir beslag overweegt de raadkamer het volgende. Hoewel uit de stukken niet volledig duidelijk blijkt dat er klassiek beslag ex 94 Sv is gelegd op de personenauto, gaat de rechtbank daar voorshands wel vanuit. Het eerste beslag werd immers gelegd op 9 december 2024 en werd na machtiging van de rechter-commissaris op 10 december 2024 gevolgd door conservatoir beslag.
Het beklag richt zich klaarblijkelijk tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten ongegrond worden verklaard.
De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagraadkamer vooruit loopt op het in de strafzaak te geven oordeel. De raadkamer tekent hier echter bij aan dat moet worden beslist op grond van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval op het moment van het beoordelen van het beklag. Het summiere karakter van de beklagprocedure leidt er daarom niet toe dat niet kritisch naar deze feiten en omstandigheden zal worden gekeken.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager, of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°. Sr in verbinding met art 552f Sv.
Overwegingen
Klager wenst de personenauto terug te krijgen. Klager stelt rechthebbende te zijn van de onder belanghebbende [betrokkene 1] inbeslaggenomen personenauto en wenst de inbeslaggenomen personenauto terug te krijgen. Klager stelt dat hij niet op de hoogte was dat zijn personenauto voorwerp was van een of meer strafbare feiten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard en heeft zich verzet tegen de teruggave van de personenauto.
Op grond van de zich thans in het raadkamerdossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer, is het volgende gebleken. Op 9 december 2024 is de personenauto van klager onder [betrokkene 1] in beslag genomen. [betrokkene 1] is de zoon van klager. [betrokkene 1] is verdachte in het onderzoek Beagle ter zake medeplegen van handel in harddrugs. Ook wordt hij verdacht van medeplegen van gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Tijdens het onderzoek Beagle is gebleken dat [betrokkene 1] veelvuldig gebruik maakte van de betreffende personenauto. Uit het technisch onderzoek naar de personenauto is gebleken dat het voertuig zeer waarschijnlijk voorzien is geweest van een kilometerblocker. De kilomerstand die het instrumentenpaneel weergaf was zeer waarschijnlijk veel lager dan de daadwerkelijk kilometerstand van de personenauto. Nu er zeer veelvuldig gebruik is gemaakt van de auto door [betrokkene 1] bij het mogelijk plegen van strafbare feiten, en er vermoedelijk gefraudeerd is met de kilometerstand van de personenauto, is de raadkamer van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend in de strafzaak tegen verdachte, belanghebbende [betrokkene 1], de verbeurdverklaring zal bevelen van de inbeslaggenomen personenauto. Het strafvorderlijk belang verzet zich daarom tegen opheffing van het beslag op de personenauto.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
6 De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.”
Het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie dat is overgelegd in raadkamer van 24 april 2025 houdt onder meer in:
“5.
Relevante gegevens zaak: korte omschrijving verdenking en strafartikel.
Verdachte [betrokkene 1] is verdachte in het onderzoek Beagle terzake medeplegen handel in harddrugs gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 3 oktober 2024 te Zwolle althans in Nederland en/of Duitsland en/of Turkije.
Voorts is hij verdachte van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband met het oogmerk delicten te plegen als genoemd in artikel 10, 10a en 11 Opiumwet.
Voorts is hij verdachte van medeplegen gewoontewitwassen van een bedrag van ongeveer 1.4 miljoen euro althans een of meer voorwerpen.
Verdachte [betrokkene 1] zit hiervoor in voorlopige hechtenis.
Gedurende het onderzoek Beagle is gebleken dat de Audi voornamelijk wordt bestuurd door [betrokkene 1]
. Dit blijkt uit zowel OVC-gesprekken (in de betreffende auto), bakengegevens gecombineerd met telefoongegevens van [betrokkene 1].
[klager] heeft geen legaal inkomen, maar beschikt wel onder andere over dit voertuig.
Door de rechter-commissaris is op 9 december 2024 een machtiging conservatoir beslag afgegeven ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het voordeel is berekend op
1.380.658,00 euro (zie bijlage). Overigens staat hier het parketnummer 08-110414-24 genoemd. Dit betreft dezelfde zaak. Het proces-verbaal aanvraag conservatoir beslag is bijgevoegd waaruit kan worden afgeleid dat het om dezelfde zaak gaat.
Op de Audi is conservatoir beslag gelegd (zie bijlage model A).
Uit het onderzoek door FO verkeer is gebleken dat er met de kilometerteller gefraudeerd is (zie pv
bevindingen FO verkeer fraude kilometerteller). In de auto lagen twee afbeeldingen van SP chiptuning (zie bijlage).
6
Welk beslag rust er op de/het voorwerp(en) waarover wordt geklaagd?
x klassiek (94 Sv)
x conservatoir (94a Sv)
(…)
9
Is voortduring van het beslag nodig? ja
Primair is het OM van mening dat, gelet op het feit dat er met de kilometerteller gefraudeerd is de
auto niet terug het verkeer in kan en derhalve dient te worden verbeurd verklaard.
Subsidiair is het OM van mening dat de auto, juist omdat klager enkel kentekenhouder maar geen
gebruiker van de auto was, dient te worden gehouden voor conservatoir beslag ten aanzien van
[betrokkene 1].
10
Wat zijn de gronden voor voortduring van het beslag
Klassiek (94 Sv)
0 waarheidsvinding
0 aantonen wederrechtelijk verkregen voordeel
x vatbaar voor verbeurdverklaring
0 vatbaar voor onttrekking aan het verkeer
en
Conservatoir beslag (94a Sv)
x ontnemen wederrechtelijk voordeel
0 geldboetebeslag
0 slachtofferbeslag
(…)
12
Conclusie
Gezien het bovenstaande is het Openbaar Ministerie van oordeel dat het beslag wegens het voortduren van strafvorderlijk belang dient te worden gehandhaafd en dat het klaagschrift daarom
ongegrond moet worden verklaard.”
Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 24 april 2025 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsman voert het woord en deelt, zakelijk weergegeven het volgende mee.
Het Openbaar Ministerie concludeert dat er klassiek beslag rust op de auto. Dat klopt niet.
De officier van justitie deelt, zakelijk weergegeven, het volgende mee.
In de kennisgeving van inbeslagname (hierna: KVI) staat dat het een klassieke inbeslagname betreft. Vervolgens is er conservatoir beslag gelegd op de auto. Het klassieke beslag dateert van 9 december 2024 en het conservatoir beslag dateert van 10 december 2024.
De raadsman voert het woord en deelt, zakelijk weergegeven, het volgende mee.
Op de KVI van 9 december 2024 staat op de allerlaatste pagina ‘bewaring van het recht tot verhaal, ter ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel'. De auto kan niet als vermogensbestanddeel worden gebruikt jegens [betrokkene 1]. Klager is de eigenaar van de auto. [betrokkene 1] was de rechtmatig gebruiker. Ik heb vier producties van geldstromen waaruit volgt dat mijn cliënt de auto kan betalen. Indien hij niet op de hoogte is van de mogelijke criminele activiteiten van [betrokkene 1] is er geen reden om het beslag te handhaven.
Klager verklaart, zakelijk weergegeven, het volgende.
Er staat nergens dat mijn zoon niet in mijn auto had mogen rijden. Ik weet niets van fraude met de kilometerstand. Wij komen regelmatig in Duitsland. Daar woont onze familie.
De officier van justitie deelt, zakelijk weergegeven, het volgende mee.
Er rust klassiek beslag op de auto. Op 10 december 2024 is er – na machtiging van de rechter-commissaris – conservatoir beslag gelegd over het klassieke beslag. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het niet uit maakt dat de zoon van klager de auto gebruikt. De Hoge Raad oordeelde dat de enige maatstaf is of vaststaat dat de derde als eigenaar van de auto kan worden aangemerkt (ECLI:NL:HR:2024:841). Uit het dossier blijkt dat de zoon van klager frequent gebruik maakt van de auto. Hij kan als vaste gebruiker worden gezien. Er is zelfs OVC-apparatuur in de auto geplaatst in de lopende strafzaak tegen de zoon. Het conservatoir beslag dient te worden gehandhaafd.
De raadsman deelt, zakelijk weergegeven, het volgende mee.
Op 9 december is er beslag gelegd op de auto. Hoewel afwijkingen in de kilometerstand van de auto bijdragen aan een waardevermindering van het voertuig, vormt het geen gevaar voor de samenleving om ermee te rijden. Er ligt een overeenkomst waaruit volgt dat mijn cliënt eigenaar is van de auto. De eigenaar van de auto mag bepalen wie er in de auto rijdt.”
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder het kopje “verloop van de procedure” vastgesteld dat het klaagschrift een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een personenauto betreft. Omtrent de grondslag van het beslag heeft de rechtbank overwogen dat uit de stukken “niet volledig duidelijk blijkt” dat er klassiek beslag ex art. 94 Sv op de personenauto is gelegd, maar dat de rechtbank daar voorshands wel van uitgaat. In dit verband heeft de rechtbank vastgesteld dat het eerste beslag werd gelegd op 9 december 2024 en dat dit na machtiging van de rechter-commissaris op 10 december 2024 werd gevolgd door conservatoir beslag. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat het beklag zich “klaarblijkelijk” richt tegen een beslag dat is gelegd op grond van art. 94 Sv en het beklag (uitsluitend) beoordeeld aan de hand van de voor een klassiek beslag geldende maatstaven.
Uit de overwegingen van de rechtbank maak ik op op dat de rechtbank ervan uit is gegaan dat er zowel klassiek beslag ex art. 94 Sv als conservatoir beslag ex art. 94a Sv op de auto rust. Uit de bestreden beschikking blijkt niet op basis van welke stukken de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat sprake is van klassiek beslag ex art. 94 Sv. Uit de overweging van de rechtbank dat het eerste beslag op 9 december 2024 werd gelegd en dat dit na machtiging van de rechter-commissaris op 10 december 2024 werd gevolgd door conservatoir beslag, leid ik af dat er volgens de rechtbank op 9 december 2024 eerst klassiek beslag is gelegd. In de kennisgeving van inbeslagneming van 9 december 2024 die als bijlage aan het (hiervoor onder 3.3 weergegeven) schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie is gehecht, is echter een aanwijzing te vinden dat het gaat om een op grond van art. 94a Sv gelegd beslag. Daar komt bij dat de raadsman van de klager – blijkens het onder 3.4 weergeven proces-verbaal – bij de behandeling van het klaagschrift heeft aangevoerd dat er geen klassiek beslag op de auto rust. Tegen die achtergrond meen ik dat de rechtbank haar oordeel omtrent de grondslag van het beslag nader had moeten motiveren. Het middel klaagt daarover mijns inziens terecht.
Volledigheidshalve teken ik daarbij aan dat hetgeen namens de klager tijdens de behandeling van het klaagschrift naar voren is gebracht, hoofdzakelijk is toegespitst op de maatstaven die gelden voor de beoordeling van een beslag in de zin van art. 94 Sv, zodat de rechtbank mogelijk op basis daarvan heeft gemeend te kunnen volstaan met de constatering dat er (ook) klassiek beslag ex art. 94 Sv op de auto is gelegd. Aangevoerd is immers dat de klager niet op de hoogte is geweest van de mogelijke criminele handelingen van zijn zoon en evenmin op de hoogte is van de vermeende fraude met de kilometerstand van de personenauto. Dergelijke omstandigheden zijn – gelet op het bepaalde in art. 33a lid 2 Sr – (uitsluitend) van belang voor de beoordeling van een beklag tegen een beslag in de zin van art. 94 Sv.
Uit het onder 3.4 weergeven proces-verbaal blijkt evenwel ook dat de procespartijen het er in ieder geval over eens waren dat er (ook) conservatoir beslag ex art. 94a Sv op de auto rust. De raadsman van de klager heeft in dit verband aangevoerd dat de auto “niet als vermogensbestanddeel kan worden gebruikt jegens [betrokkene 1]” omdat klager de eigenaar van de auto is. Zoals opgemerkt blijkt uit het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie eveneens dat er (mogelijk naast klassiek beslag) conservatoir beslag op de auto rust. In het licht van die omstandigheden acht ik het oordeel van de rechtbank dat het beklag zich (ik begrijp: uitsluitend) richt tegen het beslag voor zover dat is gelegd op grond van art. 94 Sv, niet zonder meer begrijpelijk. In cassatie wordt dan ook terecht geklaagd dat de rechtbank ten onrechte alleen het besliskader van art. 94 Sv heeft gehanteerd.
Het middel slaagt.
Nu het eerste middel slaagt, kan het tweede middel – dat is gebaseerd op de aanname dat er klassiek beslag op de auto rust – buiten bespreking blijven. Daarbij heb ik in overweging genomen dat het voor de beoordeling van de vraag of de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of klager als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp moet worden beschouwd, bepalend is op welke grondslag het beslag is gelegd.
4 Slotsom
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG