Strafrecht overig

Conclusie AG. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Falende klacht over verwerping van het…

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
7 september 2026
Zaaknummer
25/00827
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:858
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Falende klacht over verwerping van het verweer dat het bij aangever geconstateerde letsel kan worden verklaard door gezamenlijke val. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00827

Zitting 15 september 2026

CONCLUSIE

P.T.C. van Kampen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 februari 2025 (rolnr. 22-003117-23) het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2023 integraal bevestigd. Dat brengt mee dat het hof de verdachte wegens “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” heeft veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat G.W.L.A.M. Koppen heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring en de verwerping van het verweer, inhoudende dat het bij aangever geconstateerde letsel kan worden verklaard door een gezamenlijke val in plaats van door de verweten mishandeling, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn.

2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat

“hij op 30 maart 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en een op meerdere plaatsen gebroken oogkas ten gevolge heeft gehad.”

2.3

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van aangifte opgemaakt op 6 april 2021, voor zover inhoudende (p. 14-15):

Op dinsdag 30 maart 2021, liep ik naar de supermarkt, te [plaats] .

Meteen hierop voelde ik dat [verdachte] mij een keiharde klap tegen de linkerkant van mijn gezicht gaf. Ik zag een flits en ik voelde een hevige pijn in mijn gezicht. Ik voelde dat er een warme vloeistof uit mijn neus liep. Dit bleek bloed te zijn. Ik voelde zoveel pijn aan de linker kant van mijn gezicht.

Ik was misselijk en duizelig en had zo'n pijn in mijn gezicht. Mijn mond was van binnen kapot. Ik had een zichtbare deuk in mijn linker jukbeen. Mijn linkeroogwit was rooddoorbloed. Mijn linker oog was opgezwollen. Bij de spoedeisende hulp ben ik meteen bij de oogarts terecht gekomen en de oogarts zag dat er iets heel erg mis was met mijn jukbeen en oogkas. Mijn linker jukbeen bleek naar binnen geklapt te zijn ten gevolge van de klap die [verdachte] mij heeft gegeven. Mijn oogkas was op vier plaatsen gebroken ten gevolge van de klap die [verdachte] mij heeft gegeven.

2. Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 9 april 2021, voor zover inhoudende (p. 19):

Uitwendig waargenomen letsel: zwelling rondom linker oog

Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel ed):

- gebroken jukbeen links

- operatieve correctie op 1 april 2021”

2.4

Het door het hof bevestigde vonnis bevat de volgende bewijsoverweging:

“De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] enkel heeft beetgepakt waarna ze ten val zijn gekomen. De aangever heeft verklaard dat hij van de verdachte een keiharde klap heeft gehad in zijn gezicht en dat hierdoor zijn jukbeen is gebroken. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat aangevers jukbeen en oogkas zijn gebroken en dat hij hieraan is geopereerd.

De politierechter overweegt dat het geconstateerde letsel niet past bij een valpartij maar wel bij een harde klap tegen het jukbeen en is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door hem tegen zijn gezicht te slaan. Als gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel bekomen, een gevolg waarop het opzet van verdachte niet gericht is geweest.”

2.5

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2025 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in:

“1. De lezing van cliënt is duidelijk. Hij werd door aangever belaagd op het moment dat hij in de rij voor de kassa stond en heeft aangever, in een afwerende beweging, beetgepakt. Vervolgens zijn zij (hard) tegen de koelkasten naast de rij gebotst en buiten op de grond beland. Haaks op die verklaring staat de aangifte van de zwager van cliënt. Hij verklaart dat juist hij in de winkel stond op het moment dat hij werd aangesproken en - vrijwel uit het niets - een klap tegen zijn gezicht kreeg. Vraag aan u: welke lezing is waar? Ik verzoek u de lezing van cliënt voor waarheid aan te nemen, dan wel te concluderen dat u simpelweg niet vast kunt stellen welke lezing op waarheid berust omdat ook de alternatieve lezing van cliënt niet kan worden weerlegd. In beide gevallen dient u cliënt vrij te spreken van het hem ten laste gelegde.

2. De verklaring van cliënt vindt steun op verschillende punten in het dossier. [getuige] verklaart dat cliënt bij de balie in de winkel stond op het moment dat hij werd aangesproken, niet aangever. Dit sluit niet aan bij de verklaring van aangever, die verklaart dat juist hij bij de balie stond. Dezelfde getuige verklaart dat hij aangever op de grond zag liggen (tegen de koelkasten aan). Ook dit sluit aan bij de verklaring van cliënt en niet bij de verklaring van aangever. Anders dan cliënt verklaart aangever niet op de grond te zijn beland.

3. Aangever verklaart bovendien inconsistent over de aan hem gegeven klap. Bij de politie verklaart aangever dat hij een klap heeft gehad. Bij de rechter-commissaris verklaart hij dat hij met een whiskeyfles is geslagen, hetgeen hij ook bij de politie zou hebben verteld. Uit het rapport van het [ziekenhuis ], als bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegd, blijkt duidelijk dat aangever daar heeft verteld een vuistslag te hebben gekregen. Dit maakt de lezing van aangever minder betrouwbaar.

4. Het letsel zelf is onvoldoende onderscheidend om te kunnen vaststellen of het scenario van cliënt, dan wel dat van aangever waar moet zijn. Dit letsel kan evengoed worden verklaard door het met kracht tegen de koelkast botsen of op de grond vallen met het gezicht. Uit de onderbouwing van diens vordering blijkt dat aangever een Zygoma fractuur heeft opgelopen. Een simpele zoekslag via google leert dat een dergelijke fractuur door direct inwerkend geweld op het gelaat wordt veroorzaakt, 'bijvoorbeeld door een val, een vuistslag of een botsing (...).

5. Een motief voor het geven van een dergelijke klap in het gezicht van zijn zwager heeft cliënt ook nooit gehad. Hij had - tot dit incident - ook altijd goed contact met zijn zus, zwager en zijn nichtjes. In het door aangever gestuurde berichtje kan de aanleiding ook niet worden gevonden. De toonzetting is daar niet naar. Bovendien kan daarin eerder aanleiding gevonden worden voor aangever, die zich blijkbaar financieel benadeeld voelde.

6. Het spraakbericht dat cliënt aan zijn zus heeft gestuurd is voor tweeërlei uitleg vatbaar. In lijn met zijn verklaring heeft cliënt gereageerd op aangever, die in de winkel op hem af kwam. Deze duiding heeft cliënt ook direct en zonder aarzelen gegeven toen hij bij de politie met het bericht werd geconfronteerd.

Conclusie

7. Alles afwegende verzoek ik u client, anders dan de politierechter, vrij te spreken van het hem ten laste gelegde nu het door cliënt geschetste alternatieve scenario niet als onaannemelijk ter zijde kan worden geschoven.”

2.6

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2025 onder meer het volgende in:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Ik heb niet gevochten met aangever. Ik heb hem helemaal niet aangeraakt. Aangever is mijn zwager, hij heeft twee kinderen met mijn zus.

Toen ik thuis enige tijd terug een lekkage had, heb ik hem gevraagd dat op te lossen, want hij is elektricien. Ik heb hem er 10 euro per uur voor betaald. Ik had toen ook gezegd dat hij misschien nog een extraatje zou krijgen, maar daar is het niet van gekomen. Hij stuurde mij vervolgens een sms, van de inhoud stond ik versteld. Hij was blijkbaar beledigd.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik hem niet heb aangeraakt maar dat er in het dossier meer zit dan alleen mijn verklaring en die van aangever. Mijn vriendin woont om de hoek. Ik ging een winkel in. Er stonden mensen voor mij in de rij voor de kassa te wachten, ik stond dichtbij de deuropening. Aangever en ik hebben elkaar beetgepakt en ik heb mij uit een reflex afgeweerd. We hadden elkaar vast en zijn op de grond gevallen met de zijkant tegen een vitrine aan. Uiteindelijk zijn we buiten de winkel terecht gekomen.

Hij had zijn twee kinderen in de ijswinkel achter gelaten en is de winkel waar ik stond in gestormd.

U vraagt mij hoe het komt dat ik ben gevallen.

Het ging zo snel. Ik heb zijn klap kunnen afweren. We pakten elkaar vast en daarna ben ik op hem gevallen. Ik wist in eerste instantie niet eens dat het mijn zwager [betrokkene 1] was. Ik weerde mij af, omdat ik werd aangevallen. Op het moment dat hij mij wilde slaan is hij tegen de vitrine aan geklapt. Voordat ik het wist stond ik buiten. Ik was erg geschrokken. Ik zat vol met adrenaline. Ik weet niet meer precies hoe ik op hem lag toen we waren gevallen. Buiten zei hij "mijn kinderen, mijn kinderen". Verder heeft hij niets gezegd.

U zegt mij dat aangever een heel andere verklaring heeft afgelegd en dat [getuige] een harde klap heeft gehoord in de winkel.

Ik heb van aangever een klap gekregen en we zijn samen tegen de vitrine aan gekomen, dus het kan kloppen dat er een harde klap is gehoord.

U houdt mij voor dat aangever heeft verklaard dat hij los van mij tegen de vitrine is gevallen.

Hij had mij vast en ik hem ook, omdat ik bang was.

De voorzitter houdt voor dat aangever meteen na het incident tegen mijn zus heeft gezegd dat hij door mij is geslagen. Vervolgens heeft zij mij bericht 'wat bezielt jou nou'. De voorzitter houdt nog voor dat ik daarop zou hebben gezegd dat hij maar had moeten praten en dat ik het niet kan terugdraaien.

De verdachte verklaart:

Aangever zei dat hij schade had. Daarop heb ik gezegd dan had hij mij maar niet moeten aanvallen. Dat is ook zo.

Ik heb hem van tevoren ook aan de telefoon gehad en heb hem gevraagd wat hij bedoelde met die sms. Hij heeft gewoon zijn geld gekregen. Ik had achteraf nooit moeten zeggen dat hij misschien nog een extraatje zou krijgen. Ik vond het een boos sms'je. Hij wilde niet meer klussen voor mij.

U zegt mij dat hij verschillende breuken heeft opgelopen, waaronder zijn linker jukbeen. Hij drinkt en gebruikt drugs. Misschien is er daarna iets gebeurd, heeft hij onderweg met iemand anders ruzie gehad. Hij rook ook naar drank.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities.

De raadsman vult het nog aan als volgt:

De advocaat-generaal is van mening dat de verdachte zelf geen verklaring heeft voor het letsel dat aangever heeft opgelopen. Maar dat is wel zo. Ze klapten tegen de koelkast aan, dat was een harde klap. De verdachte is een forse man, fysiek groter dan aangever. Het letsel kan dus door de botsing zijn gekomen. Hij heeft een zygoma fractuur opgelopen. Via google heb ik gelezen dat een dergelijke fractuur kan worden veroorzaakt door een botsing bij contactsporten, doordat een schouder bijvoorbeeld tegen een gezicht komt.

Het letsel zit aan de buitenkant van het gezicht van aangever, dat is de plaats waar letsel kan ontstaan na een valpartij. Dat biedt dus weldegelijk eerder aanknopingspunten voor de verklaring van de verdachte. Uit de toonzetting van het geluidsfragment kan niet worden opgemaakt dat de verdachte uit zijn slof is geschoten. Het lijkt er eerder op dat aangever zich benadeeld heeft gevoeld.

Het gesprek maakt de verklaring van de verdachte niet onaannemelijk.

[…].”

2.7

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd het hof ter weerlegging van het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer niet heeft kunnen volstaan met de overweging dat het letsel “niet past bij een valpartij maar wel bij een harde klap tegen het jukbeen”.

2.8

Het in het middel bedoelde verweer houdt in dat de verdachte door de aangever is belaagd toen hij in de rij stond voor de kassa in een supermarkt en hem in een afwerende beweging heeft vastgepakt. Hierdoor zouden zij vervolgens hard tegen de koelkasten naast de rij zijn gebotst en op de grond zijn beland. Het bij de aangever geconstateerde letsel zou door de botsing of door de gezamenlijke val kunnen worden verklaard.

2.9

Volledigheidshalve teken ik daarbij aan dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2025 blijkt dat de verdachte – naast bovenstaande lezing van de gebeurtenissen – ook heeft verklaard dat er misschien daarna (ik begrijp: na het incident in de supermarkt) iets is gebeurd waar de verdachte het letsel kan hebben opgelopen, waarbij hij de mogelijkheid heeft geopperd dat de aangever onderweg met iemand anders ruzie heeft gehad.

2.10

Het hof heeft het vonnis van de politierechter integraal bevestigd. Zodoende is bewezenverklaard dat de verdachte aangever heeft mishandeld door hem tegen het hoofd te slaan en dat dit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Uit de bevestigde bewijsoverwegingen blijkt dat het geconstateerde letsel volgens het hof “niet past bij een valpartij maar wel bij een harde klap tegen het jukbeen”. Kennelijk is het hof van oordeel dat de door verdachte gestelde toedracht van het letsel om die reden niet aannemelijk is geworden.

2.11

Uit de als bewijsmiddel 2 gebruikte geneeskundige verklaring blijkt dat het linker jukbeen van aangever gebroken was en dat een zwelling is waargenomen rondom zijn linker oog. Gelet op de aard en ernst van dit letsel, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat dit beter past bij een harde klap tegen het jukbeen dan bij de door verdachte gestelde valpartij. Gelet op de vrijheid die de feitenrechter toekomt bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, is voor een verdere toetsing in cassatie geen plaats. Bovendien heeft het hof met de overweging dat het letsel niet past bij de door de verdachte gestelde valpartij voldaan aan zijn responsieplicht.

2.12

Het middel faalt.

3 Slotsom

3.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG