Strafrecht overig
Conclusie AG. Doodslag (art. 287 Sr) en voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26 WWM). 1. Beroep op…
ECLI:NL:PHR:2026:873 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-873
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 11 september 2026
- Zaaknummer
- 24/04826
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:873
Samenvatting
Conclusie AG. Doodslag (art. 287 Sr) en voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26 WWM). 1. Beroep op putatief en/of extensief noodweer(exces). Hof heeft vastgesteld dat (i) verdachte het slachtoffer na eerdere confrontatie (bewust) heeft opgewacht en met medebrenging van een vuurwapen opnieuw confrontatie heeft gezocht, (ii) dat kort daarna een achtervolging heeft plaatsgevonden waarbij slachtoffer achter vriend van verdachte aanrende en de verdachte op zijn beurt het slachtoffer achterna zat en (iii) dat verdachte – nadat zijn vriend straat reeds was overgestoken en slachtoffer stil bleef staan – een schot op het slachtoffer heeft afgevuurd. Verdediging heeft zich op standpunt gesteld dat slachtoffer voorafgaand aan achtervolging mes heeft getrokken en schreeuwend achter vriend verdachte is aangerend, zodat sprake was van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van vriend van verdachte. Hof heeft gedragingen van verdachte als aanvallend aangemerkt en tot uitdrukking gebracht dat standpunt verdediging niet van enig belang is voor beoordeling van beroep op putatief en/of extensief noodweer(exces). AG meent dat hof hiermee in het midden heeft gelaten of – voorafgaand aan de achtervolging – een (nieuwe) situatie is ontstaan waarin sprake was van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van vriend van verdachte. Die vraag is volgens AG wel relevant voor beoordeling van het verweer. Het middel is terecht voorgesteld. 2. Afwijzing verzoek tot nader onderzoek naar camerabeelden. Hof heeft aan afwijzing ten grondslag gelegd dat de vraag of slachtoffer op eng moment mes in zijn handen had toen hij werd neergeschoten, niet relevant is voor beroep op putatief en/of extensief noodweer(exces). Die afwijzing is – gelet op bespreking eerste middel – ontoereikend gemotiveerd. 3. Klachten over strafoplegging. 4. Beslissing tot opheffing van schorsing voorlopige hechtenis. Volgens AG ontbreekt belang bij bespreking van klacht, nu arrest o.g.v. eerste en tweede middel moet worden vernietigd. AG maakt opmerkingen over praktische uitwerking van vernietiging in cassatie van beslissing tot opheffing van schorsing voorlopige hechtenis. De veronderstelling dat eerdere schorsing van voorlopige hechtenis na vernietiging en terugwijzing in cassatie meteen herleeft, klopt volgens AG niet. 5. Inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/04718.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04826
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 20 december 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000658-22) wegens onder 1 “doodslag” en onder 3 – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander als in het arrest omschreven. Het hof heeft verder de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (24/04718), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat J. Kuijper heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de verwerping van het beroep op putatief en/of extensief noodweer(exces). Het tweede middel richt zich tegen de afwijzing van een verzoek tot nader onderzoek door het NFI naar de camerabeelden, meer in het bijzonder ten aanzien van de vraag of daarop is waar te nemen dat het latere slachtoffer tijdens en/of na de achtervolging van de hiervoor genoemde [medeverdachte] een mes in zijn hand had. Het derde middel bevat een aantal klachten over de strafoplegging. Het vierde middel richt zich tegen de beslissing van het hof tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Het vijfde middel klaagt over de schending van de inzendtermijn in cassatie.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat
“1.
hij op 16 december 2020 te [plaats] opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel afgevuurd op/in het lichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
3.
hij op 16 december 2020 te [plaats] een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool met bijbehorende munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, voorhanden heeft gehad.”
Het hof heeft op grond van art. 359 lid 3 Sv volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
“U houdt mij voor dat op 16 december 2020 [slachtoffer] ( [bijnaam slachtoffer] ) om het leven is gekomen bij een schietpartij op de kruising van de [a-straat] en de [b-straat] in [plaats] en dat ik heb bekend dat ik toen en daar met een pistool een kogel heb afgevuurd in de richting van [slachtoffer] , ten gevolge waarvan hij is overleden. Ik blijf bij die bekennende verklaring;”
2 Het eerste middel
Het eerste middel bevat twee deelklachten over de verwerping door het hof van het beroep op putatief noodweer(exces) en/of extensief noodweerexces.
De raadsman van de verdachte heeft blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2024 overgelegde pleitnota onder meer het volgende aangevoerd (accentueringen in het origineel):
“Aanvaring [c-straat]
Bekend is het eerste voorval dat heeft plaatsgehad, namelijk aan de achterzijde van de supermarkt aan de [c-straat] in [plaats] . Cliënt was daar met twee vrienden. Daar kwamen zij in aanraking met [slachtoffer] .
[betrokkene 1] heeft hierover in het getuigenverhoor bij de RHC verklaard. Een vriend van cliënt krijgt een aanvaring met [slachtoffer] . Een jongen was bij het raam aan het schreeuwen tegen [medeverdachte] . [slachtoffer] zei dat hij de verkeerde had (PV ttz 9 februari 2022, p.2). [medeverdachte] stapte uit en hield [slachtoffer] vast. Het ontstond in de woorden van de getuige door te lang kijken, vies kijken: een woordenwisseling. Cliënt is er volgens de getuige juist bij komen staan om te zorgen dat de jongens elkaar loslieten. De boel werd gesust. Dat komt overeen met wat cliënt daarover zelf verklaard heeft, dat hij juist geen geweld had gebruikt, maar om probeerde de boel te de-escaleren. Dit is ook allemaal waar te nemen op de camerabeelden en wordt zodoende bevestigd.
Het plotselinge geweld bij de [a-straat]
Later komen cliënt en zijn vrienden [slachtoffer] weer tegen, bij de [a-straat] . Er ontstaat weer een vervelende situatie. Cliënt probeert wederom om de situatie te sussen, te de-escaleren. Inderdaad neemt hij een wapen mee. Een wapen dat hij natuurlijk nooit had moeten hebben. Dat is duidelijk. Niettemin is het zijn intentie / gedachte geweest dat daarvan een dempend effect zou uitgaan. Wanneer iemand zal zien dat hij een wapen heeft, dan druipt die wel af, is de redenatie. Daar kwam het niet eens van.
[…]
Wat er vervolgens gebeurt is even verbijsterend als onvoorzien. [slachtoffer] trekt een mes en gaat al schreeuwend achter een vriend van cliënt aan, achter [medeverdachte] . Een bizarre en beangstigende situatie. Wie zal dat weerspreken?
Een shock was dit, volgens [betrokkene 1] in zijn verklaring bij de RHC. Heel snel gebeurde het allemaal. [slachtoffer] trok volgens hem het mes en rende gelijk op [medeverdachte] af.:
‘U vraagt mij of ik kan vertellen hoe het ging op het moment dat hij het mes trok. Hij trok zijn mes. Hij rende gelijk op [medeverdachte] af Hij moest echt hem hebben. [verdachte] rende er achteraan en ik kwam als laatste. U vraagt mij wat ik dacht van die handelingen voor de veiligheid van [medeverdachte] . Ik kon niet echt nadenken na dat moment. Het was echt: boem. In een split second.’
Putatief noodweer
In split seconds is een chaotische, stressvolle situatie ontstaan. [medeverdachte] letterlijk rent voor zijn leven, achtervolgt door [slachtoffer] met een mes. Daar rent cliënt weer achteraan. Stress. Agressie op straat is al erg genoeg. Laat staan als een van je vrienden door een man met een mes achterna gezeten wordt. Cliënt wilt zijn vriend te hulp komen.
Dan op een gegeven moment stopt [slachtoffer] . Achteraf gezien weten we dat [medeverdachte] iets verder, de straat al over is. Maar cliënt ziet [slachtoffer] staan die zijn arm met het mes omhoog heft. Dat is het cruciale moment dat cliënt schiet. Een onomkeerbaar moment. Een cruciaal moment waarin cliënt meende dat zaken anders lagen. Waar sprake is van dwaling aan de kant van cliënt. Brengt dit mee dat er sprake is van putatief noodweer?
De officier van justitie voerde bij repliek aan, dat het beroep op putatief noodweer zou moeten falen, omdat er geen dreigend gevaar meer was. De wederrechtelijke aanranding was al geëindigd, zodat cliënt zich dat niet kan hebben ingebeeld. Dat mist nu juist het punt. In die visie kan er nooit putatief noodweer bestaan. Het gaat er om of cliënt redelijkerwijs heeft gedwaald.
[…]
Ook voor getrainde professionals blijft het uitermate lastig om in een split second, onder stressvolle omstandigheden, de juiste afweging te maken. Daar wordt in voorzien met het putatief noodweer. Heeft iemand in redelijkheid een bepaalde afweging kunnen maken, met zijn kennis op dat moment?
Terug naar de casus
Vooropgesteld, de noodweer situatie bestond, toen [slachtoffer] [medeverdachte] achterna zat. Een acute levensbedreigende situatie voor [medeverdachte] , die secondenlang duurde. Daarover lijkt toch geen discussie te bestaan. Zie bijvoorbeeld het proces-verbaal van verhoor 24 februari 2021:
“Jij vertelde dat [medeverdachte] op dat moment dichtbij de jongen stond maar op de camerabeelden zien wij dat [medeverdachte] al aan de overkant van de straat was en dus niet meer in levensgevaar was.”
De recherche concludeert kennelijk dat [medeverdachte] eerder wel degelijk in levensgevaar was. Een naar de verdediging voorkomt onomstreden conclusie. Een agressieve man sprint [medeverdachte] achterna met een mes. De uiterlijke verschijningsvorm heeft behoeft weinig interpretatie.
De omstandigheden moeten ook meegewogen worden: weinig verlichting zegt [betrokkene 1] bij de RHC (p.2)
Dat is allemaal wat cliënt waarnam. Onder stress, weinig verlichting, ontstaat plotsklaps een nieuwe situatie. [slachtoffer] stopte. Was het voor cliënt duidelijk dat [medeverdachte] al de straat over was? Dat blijkt nergens uit. En juist op dat moment brengt [slachtoffer] zijn arm omhoog
Camerabeelden
Belangrijk punt over die camerabeelden. Die vertellen niet het hele verhaal. Daaruit kan nog niet worden afgeleid wat cliënt kon waarnemen. Ciënt ziet in het donker [slachtoffer] met een mes; daar was zijn focus op gericht. Wat op de beelden als ‘derde’ waarnemer te zien is, is niet het perspectief van cliënt.
[medeverdachte] buigt plotsklaps af naar rechts. [slachtoffer] stopt. Op de camerabeelden 00.11.29 / 00.11.30 is te zie dat hij zijn arm heft. Cliënt schiet al rennende, althans zo lijkt het eruit te zien op de beelden. Hier zat allemaal nauwelijks tijd tussen, gebeurde in een vloeiende beweging.
Niet verwonderlijk dat in lijn daarmee cliënt de volgende verklaringen heeft afgelegd.
Verklaring cliënt r-c d.d. 18 februari 2021:
‘De jongen rende richting [medeverdachte] en hij maakte een steekbeweging. Ik dacht dat [medeverdachte] werd gestoken en toen heb ik geschoten.’
Verklaring cliënt proces-verbaal ter terechtzitting 9 februari 2022, p.4:
‘Het ging allemaal snel. [bijnaam slachtoffer] rende achter [medeverdachte] , ik rende op mijn beurt achter [bijnaam slachtoffer] aan en [betrokkene 2] rende weer achter mij aan. Ik zag dat [bijnaam slachtoffer] een mes bij zich had op dat moment dat hij achter [medeverdachte] rende en daarmee een armbeweging, een steekbeweging, naar [medeverdachte] maakte.' 'Ik zag in elk geval iets scherps. Ik schoot op het moment dat [bijnaam slachtoffer] achter [medeverdachte] aanrende en ik zag dat hij een steekbeweging maakte. Ik rende op dat moment nog.’
‘U vraagt mij of ik nu wel of niet een mes heb gezien. Voor mijn gevoel ging het erg snel. Ik weet dat [bijnaam slachtoffer] met zijn arm een steekbeweging naar [medeverdachte] maakte. Toen ik dat zag heb ik in een reactie geschoten.’
‘Ik weet alleen dat het een reactie was omdat [medeverdachte] in levensgevaar was.’
En die ‘beweging’ heeft cliënt, net 18 jaar, met een licht verstandelijke beperking, aangezien als een geweldshandeling, als een steekbeweging. En daarop gehandeld. Eén keer geschoten, met de gedachte om zijn vriend te beschermen. Eén keer, niet meerdere keren, noch duidelijk gericht op hoofd of vitale lichaamsdelen. Geschoten om zijn vriend te beschermen. Onder stress, paniek, de verkeerde keuze. Precies waar de gedragsdeskundigen over rapporteren. Cliënt heeft wel degelijk het handelen van [slachtoffer] aangezien als een acute levensbedreigende situatie voor [medeverdachte] .
Het is met die op de persoon van cliënt toegesneden factoren, waar de rechtbank bij de verwerping van het beroep op putatief noodweer geen rekening heeft gehouden. De rechtbank heeft immers enkel overwogen dat [medeverdachte] al aan de overkant van de straat was, toen cliënt het schot loste. Daarbij gaat de rechtbank dus voorbij aan de omstandigheden en m.n. de door deskundigen genoemde beperkingen van cliënt. Cognitieve tekorten, beneden gemiddeld functioneren. In paniek verkeerd handelen. Dit zijn beperkingen die het waarnemen en interpreteren van de situatie door cliënt negatief beïnvloeden.
Dat maakt dat de verdediging bepleit dat cliënt ontslagen wordt van alle rechtsvervolging, op grond van putatief noodweer.
Putatief noodweerexces / Extensief noodweer exces
Zoals vaker in het recht geldt, worden bepaalde leerstukken verder ontwikkeld, verfijnd, in de rechtspraak. Een zo’n onderwerp is noodweerexces, waarbij de figuur van putatief noodweerexces is ontwikkeld. […]
[…]
Putatief noodweerexces bouwt in feite op het voorgaande voor. Niet alleen was er sprake van een dwaling over hetgeen gebeurde – zoals hier voor beschreven, en onder invloed van de genoemde omstandigheden – daar komt nog bij dat sprake was van een ‘hevige gemoedsbeweging’. Een hevige gemoedsbeweging die uit de agressie van [slachtoffer] voortkwam en waarbij verband bestaat met de noodlottige keuze die cliënt maakte. Dubbel causaal verband dus.
Hevige gemoedsbeweging
De kernvraag is dus: was er nu sprake van een dergelijke hevige gemoedsbeweging bij cliënt? Hiervoor is al genoemd, de spanning, de stress die er bestond bij cliënt. Een man op straat valt vrijwel uit het niets een vriend van cliënt aan met een mes. Althans, dat is de bedoeling, hij rent achter [medeverdachte] aan.
Is het een onredelijke aanname, om te veronderstellen dat de hevige gemoedsbeweging besloten ligt in de aard van het optreden van [slachtoffer] ? Wie zou zich niet rot schrikken, als dit zou gebeuren? Wie zou geen angst en stress ervaren? Dat cliënt angst ervaarde vloeit – naar standpunt van de verdediging – ook voort uit hetgeen de psycholoog schrijft. In het rapport 23 juli 2021:
‘Volgens onderzochte handelde hij in paniek en vanuit een impuls, zonder over alternatieve oplossingen na te denken. Dit past bij zijn beperkte probleemoplossingsvermogen en coping vaardigheden en op die manier kan de licht verstandelijke beperking doorgewerkt hebben in het ten laste gelegde.’
Dat cliënt stelt dat hij in paniek en impuls handelde, sluit dus volgens de gedragsdeskundige aan bij zijn licht verstandelijke beperking. Zie ook nogmaals de verklaring van [betrokkene 1] bij de RHC. Hij zegt ‘Het was een shock voor mij’. En:
‘U vraagt mij of ik achteraf nog heb nagedacht over wat er is gebeurd. Ja, natuurlijk. Gewoon een shock wat er is gebeurd. Het is niet iets gewoons wat je hebt beleefd.’ (p.5).
Benadering van de rechtbank
De rechtbank overwoog dat er van een ‘zodanige’ hevige gemoedsbeweging bij cliënt geen sprake is geweest. De agressie van het slachtoffer richtte zich niet op hem. Die overweging raakt niet het punt. Die overweging weerlegt ook niet waarom er geen hevige gemoedsbeweging bij cliënt kon.
Die overweging neemt namelijk niet mee:
- de persoon van cliënt, de jeugdige leeftijd, de cognitieve beperkingen;
- de getuigenverklaring die juist spreekt over het in shock zijn door het optreden van [slachtoffer] ;
- de paniek / stress bij cliënt, die aansluit bij de bevindingen van de psycholoog.
Zie het rapport van de psycholoog, p.19
‘Toen hij het slachtoffer inhaalde, zag hij dat het slachtoffer zijn hand met het mes omhoog hief. Op dat moment rende hij vlak achter het slachtoffer langs en vuurde in paniek (eenmaal) een schot op hem af. Hij rende meteen in paniek door en wist niet zeker of hij het slachtoffer had geraakt. Hij voelde alleen maar angst en paniek. Na het schot kon hij alleen maar denken hoe hij zo snel mogelijk bij zijn huis en zijn moeder kon komen. Hij heeft het hele stuk naar huis gelopen, nog steeds in een toestand van paniek. Eenmaal thuis durfde hij het eerst niet aan zijn moeder te vertellen, maar hij heeft het toch gedaan.’
Zoals heel duidelijk blijkt, gaat het om geweldshandelingen die zich snel achter elkaar hebben afgespeeld. Een uiterst agressieve handelwijze van [slachtoffer] die uit het niets is gekomen. Een abrupte explosie van geweld. Cliënt kon en mocht angstig zijn door die handelwijze. Een ingezette achtervolging van leven en dood, zo zag het er voor cliënt uit.
Daarbij was het voor hem helemaal niet kenbaar dat het geweld van [slachtoffer] voorbij was. Lag meer geweld juist niet meer in de rede gelet op de escalatie van de avond? Hij hief zijn arm met het mes.
Het is dé combinatie, de situatie niet adequaat inschatten; daar spelen zijn cognitieve beperkingen een grote rol. Gekoppeld aan de hevige gemoedsbeweging. Dit maakt de situatie van putatief noodweerexces.
Op grond hiervan bepleit de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging.
Extensief noodweerexces
Tot slot nog een juridische nuance. Het is ook mogelijk om het voorgaande te interpreteren als een beroep op extensief noodweerexces.
De basisuitgangspunten voor de aanname van deze strafuitsluitingsgrond zijn aan de orde.
[…]
Zoals in het voorgaande uitgebreid aan de orde is gekomen:
a) bestond er een noodweer situatie, toen [slachtoffer] achter [medeverdachte] aanrende met het mes;
b) is er bij cliënt sprake geweest van een hevige gemoedsbeweging,
c) het kan redelijkerwijs niet anders, gegeven de situatie, dat die hevige gemoedsbeweging het gevolg is geweest van de voorafgaande wederrechtelijke aanranding die [slachtoffer] begint tegen [medeverdachte] .
Het gedrag van cliënt, het schot, is voortgekomen uit het voorgaande. Er is dus sprake van een dubbele causaliteit als bedoeld bij aanname van deze strafuitsluitingsgrond. Dat betekent dat ook los van enige dwaling er een beroep wordt gedaan op deze (basis) variant van (extensief)noodweerexces.
[...]
Conclusie
Zo beschouwd, kan en mag er zonder meer ruimte zijn voor een beroep op noodweerexces; hetzij putatief noodweerexces, hetzij extensief noodweer exces.
Verdediging bepleit dan ook ontslag van alle rechtsvervolging van feit 1.”
Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:
“Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Op 16 december 2020 omstreeks 19:51 uur vindt een conflict plaats aan de achterzijde van een supermarkt van Dirk van den Broek aan de [c-straat] te [plaats] tussen enerzijds het slachtoffer en anderzijds een vriend van verdachte en in mindere mate de verdachte en een andere vriend. Daarbij wordt gescholden, geduwd en getrokken. Vervolgens zijn de verdachten en zijn twee vrienden hun auto ingestapt en weggereden.
Nadat het conflict is geëindigd, bezoekt het slachtoffer een coffeeshop aan de [d-straat] te [plaats] , alwaar hij om 19:58 uur aankomt en om 20:00 uur vertrekt. Hij loopt dan richting de [a-straat] .
In de tussentijd keert de auto waarin de verdachte en zijn twee vrienden zitten om, terug in de richting van de supermarkt Dirk van den Broek aan de [c-straat] . Vervolgens rijdt de auto naar de [a-straat] . Omstreeks 19:58 uur wordt de auto geparkeerd. De inzittenden blijven een aantal minuten in de auto zitten.
Verdachte ziet naar eigen zeggen als eerste het slachtoffer, dat zich op dat moment op de [a-straat] bevindt. Omstreeks 20:01 uur stapt de verdachte als eerste uit de auto. Hij neemt een vuurwapen mee in zijn rechterzak en loopt in de richting van het slachtoffer. Ook de twee vrienden van de verdachte stappen uit de auto en lopen dezelfde richting uit.
Even daarna rennen de verdachte, zijn twee vrienden en het slachtoffer hard achter elkaar aan op de [a-straat] . Voorop rent één van de vrienden van de verdachte, daarachter het slachtoffer en daar weer achter de verdachte met het vuurwapen in zijn hand. Bij de kruising met de [b-straat] buigt de voorop rennende vriend van de verdachte af en steekt de straat over. Het slachtoffer volgt deze vriend niet, maar blijft op de stoep staan. De verdachte rent door, nadert het stilstaande slachtoffer, richt het vuurwapen op hem en vuurt van zeer korte afstand een schot af op het slachtoffer. Omstreeks 20:02 wordt het slachtoffer in de rug geschoten. De vriend van het slachtoffer bevindt zich op dat moment aan de overzijde van de straat. Het slachtoffer is nog in staat de [b-straat] in te lopen, maar valt echter vrij snel neer en overlijdt ter plaatse.
Nadat het slachtoffer is neergeschoten door de verdachte, rent de verdachte weg en gaat naar zijn woning. De twee vrienden van de verdachte stappen in de geparkeerde auto en gaan ook weg.
Verklaringen verdachte
De verdachte heeft over de avond van 16 december 2020 ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard:
Het is begonnen met het conflict bij de supermarkt. Dat ging eigenlijk nergens over. Hierna zijn we de auto ingestapt en weggereden. We zouden naar huis gaan. De auto is gekeerd en vervolgens stilgezet. Op een gegeven moment zag ik in de verte wie eraan kwam. Ik zag hem richting de auto lopen en ben naar hem toegegaan.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer verklaard:
Waarom ik het wapen pakte weet ik niet. Ik ben uitgestapt en ben naar [bijnaam slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer) toegelopen. Ik wilde aan [medeverdachte] bewijzen dat er met ons niet te spotten viel en dat wilde ik [bijnaam slachtoffer] duidelijk maken.
Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte op 18 februari 2021 onder meer verklaard:
Wij zijn de auto ingestapt en weggereden. Wij zijn daarna toch weer omgedraaid. Waarschijnlijk deden wij dit om hem op te wachten. De jongen kwam weer naar de auto toe. Ik ben toen uitgestapt.
De verdachte heeft bij zijn politieverhoor op 17 februari 2021 onder meer verklaard:
V: Gister zei je ook nog, ik pakte een wapen uit de auto? Waarom?
A: Ik wou die jongen laten afschrikken.
Beoordeling hof
Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en de verklaringen van de verdachte stelt het hof vast dat het slachtoffer na de eerdere confrontatie (bewust) is opgewacht, waarna de verdachte – met medeneming van een vuurwapen – de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht, kennelijk onder meer om te bewijzen dat er met hen niet te spotten viel. Vervolgens heeft hij het slachtoffer – na een korte achtervolging – van korte afstand in de rug geschoten. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte noch naar hun uiterlijke verschijningsvorm, noch op grond van diens bedoeling, kunnen worden aangemerkt als verdedigend, maar daarentegen waren gericht op een (nieuwe) confrontatie met het slachtoffer, zodat reeds daarom een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard.
Nu aldus niet is gebleken van een gedraging die kan worden aangemerkt als ‘verdediging’ maar juist als aanvallend, is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Het beroep op putatief noodweer alsook op putatief dan wel excessief noodweerexces wordt dan ook verworpen.
Gelet op het voorgaande acht het hof het niet noodzakelijk om het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek te laten verrichten naar de beelden om te bezien of het slachtoffer wel of niet een mes in zijn handen had op het moment waarop hij werd neergeschoten. Of het slachtoffer op enig moment een mes in zijn handen had is gelet op het voorgaande voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces) niet relevant. Het hof wijst derhalve het voorwaardelijk verzoek van de verdediging hiertoe af.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Ook het feit is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.”
Juridisch kader
Art. 41 Sr luidt:
“1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdachte zich heeft verdedigd tegen een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding” of een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding. Uit de tekst van art. 41 Sr volgt dat die aanranding tegen de verdachte zelf, maar ook tegen een ander kan zijn gericht. Noodweer gaat dus verder dan alleen zelfverdediging.
Van een beroep op putatieve noodweer is sprake indien de verdachte zich erop beroept dat hij heeft kunnen menen dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed (of een onmiddellijke dreiging van een dergelijke aanranding) waartegen hij zich mocht verdedigen. Als zijnde onderdeel van de (buitenwettelijke) schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld kan een dergelijk beroep alleen slagen indien sprake is “van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.”
Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen onder bijzondere omstandigheden in de weg kunnen staan aan een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces. Dit wordt ‘culpa in causa’ genoemd. Van zulke omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte (i) de aanval door het latere slachtoffer heeft uitgelokt door provocatie of (ii) willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. Volgens AG Hofstee fungeert de culpa in causa als beoordelingsfactor als een nuancerend en corrigerend sluitstuk: eerst wordt vastgesteld of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer(exces) is voldaan en pas daarna wordt bezien of de culpa in causa toch een geslaagd beroep op noodweer(exces) in de weg staat. De enkele omstandigheid dat de verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel, of de enkele omstandigheid dat de verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen heeft voorzien is op zichzelf evenwel onvoldoende om culpa in causa aan te nemen.
Voorts geldt dat een beroep op noodweer in ieder geval niet kan worden aanvaard als de gedraging van de verdachte niet kan worden aangemerkt als “verdedigend”, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien. In dat verband kan worden gekeken naar de bedoeling van de verdachte, alsook naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging. Zo’n geval doet zich bijvoorbeeld voor als de gedraging van de verdachte is gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Het gaat hier – anders dan bij de culpa in causa – niet slechts om een corrigerende factor die in de beoordeling van het beroep op noodweer moet worden betrokken, maar om een zelfstandige verwerpingsgrond. Als wordt geoordeeld dat een gedraging als ‘aanvallend’ moet worden gezien, kunnen alle verweren met betrekking tot art. 41 Sr (dus ook een beroep op noodweerexces of putatief noodweer) zonder nadere overwegingen worden verworpen. Die sterke werking van dit oordeel zou volgens Rozemond een reden kunnen zijn om strenge eisen te stellen aan de verwerping van een beroep op noodweer(exces) op deze grond. Ook de Hoge Raad benadrukt in verschillende arresten het uitzonderlijke karakter van deze grond. In arresten van 15 december 2020 en 18 februari 2025 rept de Hoge Raad over de “uitzondering dat bij aanvallende gedragingen een beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces niet kan worden aanvaard”. Het gaat hier volgens annotator Wolswijk om een vingerwijzing die is bedoeld voor de feitenrechter om niet te gemakkelijk tot het oordeel te komen dat een gedraging aanvallend was.
In lijn met het voorgaande lijkt me dat een (gewelddadige) handeling van een verdachte in beginsel moet worden vermoed een verdedigingshandeling te zijn als deze volgt op een wederrechtelijke aanranding van het latere slachtoffer. Daarvan kan evenwel worden afgeweken als er feiten of omstandigheden zijn die erop duiden dat die (gewelddadige) handeling van de verdachte niet is ingegeven door de wil om zich tegen die wederrechtelijke aanranding te verdedigen, maar juist is ontstaan vanuit een intentie om zelf aan te vallen. In zoverre is dan dus geen sprake van een reactie op de aanranding door het latere slachtoffer, maar van een eigen (nieuwe) actie van de verdachte jegens dat slachtoffer.
De bespreking van het middel
Het middel klaagt – als opgemerkt – over de verwerping door het hof van het beroep op putatief noodweer(exces) en/of extensief noodweerexces. Het valt in twee deelklachten uiteen.
De eerste deelklacht klaagt over de begrijpelijkheid van een aantal vaststellingen van het hof. Uit de door het hof geschetste feitelijke context zou volgens de steller van het middel niet blijken dat de verdachte (i) het slachtoffer na de eerdere confrontatie bij de supermarkt (bewust) heeft opgewacht en (ii) (daarna) de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht.
Het hof heeft ten aanzien van de feitelijke context vastgesteld dat er in eerste instantie sprake was van een conflict tussen het slachtoffer en een vriend van de verdachte (en in mindere mate ook de verdachte zelf) bij een supermarkt, waarbij werd gescholden, geduwd en getrokken. Nadat dit conflict was geëindigd, zijn de verdachte en zijn twee vrienden eerst weggereden maar later – iets meer dan vijf minuten later – toch teruggekeerd richting de supermarkt. Zij hebben een aantal minuten in de auto gezeten. Het latere slachtoffer was ondertussen naar een coffeeshop geweest en begaf zich inmiddels weer op straat. De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer als eerste zag. Hij stapt vervolgens als eerste uit de auto, neemt een vuurwapen mee in zijn rechterzak en loopt in de richting van het slachtoffer, waarna zijn vrienden hem volgen. De verdachte heeft hierover later verklaard dat hij aan één van zijn vrienden – [medeverdachte] – wilde bewijzen “dat er met ons niet te spotten viel” en dat hij dat aan het slachtoffer duidelijk wilde maken.
Daarna vindt er – zo blijkt uit camerabeelden – een korte achtervolging plaats. Over de vraag wat daar precies aan vooraf is gegaan en wat hiervoor de directe aanleiding is, heeft het hof niets vastgesteld. Over de achtervolging heeft het hof vastgesteld dat [medeverdachte] voorop rent, dat het slachtoffer daarachter rent en dat de verdachte op zijn beurt weer achter het slachtoffer aanrent met het vuurwapen in zijn hand. [medeverdachte] steekt op enig moment de straat over, waarna het slachtoffer stil blijft staan op de stoep. De verdachte rent door, richt het vuurwapen op hem en vuurt van zeer korte afstand een schot af op het slachtoffer.
Dat het hof op grond hiervan heeft vastgesteld dat het slachtoffer na de eerdere confrontatie (bewust) is opgewacht, is – gelet op de omstandigheid dat de verdachte en zijn vrienden na de eerdere confrontatie met de auto zijn teruggekeerd en pas zijn uitgestapt toen de verdachte het slachtoffer zag – niet onbegrijpelijk. Datzelfde geldt voor de overweging van het hof dat de verdachte “de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht”. Het hof heeft hier – naar het mij voorkomt – niet vastgesteld dat de verdachte die confrontatie ook daadwerkelijk toen is aangegaan met het slachtoffer, maar vooral bedoeld dat de verdachte uit de auto is gestapt met de bedoeling om die confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. Zo bezien is dat oordeel – gelet op het voorgaande – niet onbegrijpelijk.
In zoverre faalt de eerste deelklacht.
Zie ik het goed, dan klaagt de eerste deelklacht voorts over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat geen sprake kan zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, omdat de gedraging van de verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden aangemerkt. In dat verband wordt onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of – zoals de verdediging heeft aangevoerd – sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] door het slachtoffer, omdat het slachtoffer luid schreeuwde en een mes in zijn hand had toen hij achter [medeverdachte] aanrende. De tweede deelklacht klaagt in het verlengde hiervan over de afwezigheid van een (expliciete) beslissing van het hof met betrekking tot een beroep op putatieve noodweer, te weten dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de (voortduring van de) aanranding, dan wel de noodzaak tot verdediging.
Het hof heeft de hiervoor onder 2.13 en 2.14 weergegeven feitelijke context tot uitgangspunt genomen. Het hof heeft op grond daarvan vastgesteld dat (i) het slachtoffer na de eerdere confrontatie (bewust) is opgewacht, waarna de verdachte – met medeneming van een vuurwapen – de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en (ii) de verdachte het slachtoffer vervolgens – na een korte achtervolging – van korte afstand in de rug heeft geschoten. Het hof heeft over deze gedragingen geoordeeld dat zij niet kunnen worden aangemerkt als verdedigend, maar daarentegen gericht waren op een (nieuwe) confrontatie met het slachtoffer. Als gevolg daarvan is het hof ook niet toegekomen aan de vraag of sprake was van verontschuldigbare dwaling.
In dit verband is van belang dat het hof niets heeft vastgesteld over wat er is gebeurd tussen het moment waarop de verdachte met een vuurwapen uit de auto stapte en richting het slachtoffer liep en het moment waarop de hiervoor beschreven korte achtervolging plaatsvond. De verdediging heeft hierover in hoger beroep aangevoerd dat het slachtoffer op dat moment een mes heeft getrokken en meteen op [medeverdachte] afging en – al schreeuwend – achter hem is aangerend. In dat kader heeft de verdediging verzocht om nader onderzoek te laten verrichten door het NFI naar de camerabeelden, om te bezien of het slachtoffer inderdaad een mes in handen had toen hij werd neergeschoten, nu de meningen over wat op de camerabeelden ter zake precies te zien is (in de handen van het slachtoffer), blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2024, verdeeld zijn.
Vertrekkend vanuit het oordeel dat de verdachte de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht door hem op te wachten (hetgeen het hof ook als een aanvallende gedraging heeft aangemerkt), heeft het hof de juistheid van hetgeen door de verdediging is aangevoerd over de aanleiding voor de daarop volgende korte achtervolging in het midden gelaten en dus ook niet in de beoordeling van het verweer betrokken, terwijl het hof in het kader van de afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek naar de camerabeelden heeft overwogen dat de vraag of het slachtoffer op enig moment een mes in zijn handen had, niet relevant is voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces). Daarmee heeft het hof – naar het mij voorkomt – tot uitdrukking gebracht dat die aanleiding voor de korte achtervolging in geen enkel geval van enig belang kan zijn voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces). Zelfs als het slachtoffer – zoals de verdachte heeft verklaard en de verdediging heeft gesteld – inderdaad een mes zou hebben getrokken en al schreeuwend achter [medeverdachte] is aangerend, dan nog zou – zo interpreteer ik het oordeel van het hof – het beroep op (putatief) noodweer(exces) afstuiten op de conclusie van het hof dat het schieten door de verdachte niet als verdedigend, maar juist als aanvallend moet worden aangemerkt.
Het hof heeft bij zijn oordeel kennelijk veel waarde gehecht aan de omstandigheid dat het slachtoffer na de eerdere confrontatie (bewust) is opgewacht, waarna de verdachte de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht. Het hof heeft de feitelijke context – dus vanaf de eerste confrontatie bij de supermarkt tot het moment waarop de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten – kennelijk in zijn geheel bezien en geoordeeld dat de verdachte met zijn vrienden bewust is teruggekeerd om opnieuw de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan en dat daarom ook het latere schieten van korte afstand in de rug als een aanvallende gedraging moet worden aangemerkt. Het gevolg van deze redenering is dat het hof hiermee volledig heeft uitgesloten dat een en ander weliswaar is begonnen als confrontatie, maar vervolgens is overgegaan in een situatie waarin sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] .
Dat laatste maakt het oordeel van het hof mijns inziens niet zonder meer begrijpelijk. Onder de aanname dat het slachtoffer inderdaad op enig moment een mes heeft getrokken en al schreeuwend achter [medeverdachte] is aangerend, zou er wat mij betreft wel degelijk sprake kunnen zijn van een (nieuwe) situatie, waarin de verdachte zich kon en mocht verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] (waarmee overigens nog niet is gezegd dat de verdachte ook een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt). De enkele omstandigheid dat de verdachte daaraan voorafgaand uit was op een confrontatie met het slachtoffer maakt dat niet anders. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof verder niets heeft vastgesteld over wat deze confrontatie precies had moeten inhouden, terwijl de verdachte hierover slechts heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte] wilde “bewijzen dat er met ons niet te spotten viel” en dat hij “die jongen [wou] laten afschrikken”.
In dat geval (van de hiervoor genoemde aanname) is het schieten van de verdachte op het slachtoffer in ieder geval in tijd gevolgd op de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [medeverdachte] , zodat – gelet op hetgeen ik hiervoor onder 2.9 heb vooropgesteld – in beginsel zou moeten worden vermoed dat het hier om een reactie op die aanranding gaat. Ik meen dat er noch aan de bedoeling van de verdachte, noch aan de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging feiten of omstandigheden kunnen worden ontleend om van dat vermoeden af te wijken. Over die bedoeling van de verdachte heb ik zonet al uitgelegd waarom de enkele omstandigheid dat de verdachte in eerste instantie uit was op een confrontatie met het slachtoffer daarvoor naar mijn oordeel onvoldoende gewicht in de schaal legt. Ook de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging – het van korte afstand in de rug schieten van het slachtoffer – is in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij op het slachtoffer heeft geschoten toen hij meende dat het slachtoffer een steekbeweging richting [medeverdachte] maakte, onvoldoende om die gedraging toch als aanvallend aan te merken.
Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de aanleiding voor de korte achtervolging en hetgeen de verdediging in dat verband heeft aangevoerd in geen geval van enig belang kan zijn voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces), is dan ook naar mijn oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Het hiermee samenhangende oordeel van het hof dat de gedraging van de verdachte kan worden aangemerkt als aanvallend, is dat evenmin. De verwerping van het beroep op (putatief) noodweer(exces) is ontoereikend gemotiveerd.
Het middel is terecht voorgesteld.
3 Het tweede middel
Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek tot het laten verrichten van onderzoek door het NFI naar de camerabeelden, meer in het bijzonder ten aanzien van de vraag of daarop is waar te nemen dat het slachtoffer tijdens de achtervolging van [medeverdachte] een mes in zijn handen had.
Het hof heeft het verzoek in zijn arrest als volgt afgewezen:
“Gelet op het voorgaande acht het hof het niet noodzakelijk om het Nederlands Forensisch Instituut onderzoek te laten verrichten naar de beelden om te bezien of het slachtoffer wel of niet een mes in zijn handen had op het moment waarop hij werd neergeschoten. Of het slachtoffer op enig moment een mes in zijn handen had is gelet op het voorgaande voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces) niet relevant. Het hof wijst derhalve het voorwaardelijk verzoek van de verdediging hiertoe af.”
Het hof heeft het verzoek tot nader onderzoek afgewezen omdat de vraag of het slachtoffer op enig moment een mes in zijn handen had, voor de beoordeling van het beroep op (putatief) noodweer(exces) naar het oordeel van het hof niet relevant is. Ik heb hiervoor bij de bespreking van het eerste middel reeds toegelicht waarom dat naar mijn oordeel wel degelijk relevant is. De afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek is daarom mijns inziens niet toereikend gemotiveerd.
Ook het tweede middel is terecht voorgesteld.
4 Het derde middel
Het derde middel bevat een aantal klachten over de strafoplegging. In de eerste plaats wordt geklaagd over de vaststelling van het hof dat in soortgelijke zaken “in de regel gevangenisstraffen van 8 tot 12 jaren” worden opgelegd. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het, alles afwegende en in het bijzonder gelet op de destijds jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd en gelet op hetgeen het hof zelf heeft overwogen.
Nu ik op grond van de bespreking van het eerste en tweede middel reeds tot de conclusie dat de zaak moet worden teruggewezen naar het hof, zal ik over dit middel kort zijn.
De motivering van de strafoplegging houdt onder meer het volgende in:
“Straf
Naar het oordeel van het hof kan gezien de aard en de ernst van de feiten niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf aan de verdachte.
Daarbij stelt het hof voorop dat een rechtvaardige strafoplegging binnen het wettelijk kader het resultaat is van een door de onafhankelijke rechter verrichte weging van de aan de individuele strafzaak zelf verbonden omstandigheden zoals hierboven weergegeven ten opzichte van algemeen aanvaarde strafdoelen zoals vergelding en speciale en generale preventie, een en ander tegen de achtergrond van de algemene rechtsbeginselen, waarbij rechtsgelijkheid en rechtszekerheid een belangrijke toetssteen vormen.
In verband met deze laatste aspecten zal hef hof acht slaan op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof gaat er daarbij van uit dat aan verdachten in soortgelijke zaken in de regel gevangenisstraffen worden opgelegd van 8 tot 12 jaren. Bij de bepaling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf gaat het hof dan ook uit van die zogeheten bandbreedte.
Het hof is – alles afwegende en in het bijzonder gelet op de destijds jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt. De door de reclassering geschetste gevolgen voor de verdachte doen daar – gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde – niet aan af.
Gelet echter op de geconstateerde forse overschrijding van de redelijke termijn zal het hof deze straf van 8 jaren verlagen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest.”
De vaststelling van het hof dat in soortgelijke zaken “in de regel gevangenisstraffen worden opgelegd van 8 tot 12 jaren” worden opgelegd, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Tot een motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden. Gelet op de grote vrijheid die de feitenrechter in het kader van de strafoplegging toekomt en ook in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, is het oordeel van het hof dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
5 Het vierde middel
Het vierde middel klaagt over de beslissing van het hof tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het arrest van het hof bevat de volgende overweging:
“Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 30 juli 2024 geschorst. De ernst van de bewezen verklaarde feiten en de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf – die de duur van de door de rechtbank opgelegde straf substantieel te boven gaat – zijn niet te verenigen met het laten doorlopen van die schorsing. Dat betekent dat het hof termen aanwezig acht om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.”
Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat deze overweging in het licht van het – nadien gewezen – arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (te) mager voorkomt, terwijl evenmin blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis is gehoord.
Bij een bespreking van dit middel heeft de verdachte evenwel geen belang. Beslissingen over de voorlopige hechtenis door het hof worden – net als beslissingen over de benadeelde partij en de afwikkeling van het beslag – door Van Dorst en Borgers aangeduid als ‘nevenuitspraken’. Omdat dit soort nevenuitspraken zijn vervat in de einduitspraak van het hof en ook nauw samenhangen met de daarin opgenomen (hoofd)beslissingen als bedoeld in art. 348 en 350 Sv, geldt dat het beroep tegen een einduitspraak automatisch ook het beroep omvat tegen al deze nevenuitspraken. Bijgevolg brengt de vernietiging van die einduitspraak mee dat ook alle daarin opgenomen nevenuitspraken worden getroffen.
Aangezien ik op grond van de bespreking van het eerste en het tweede middel reeds tot de conclusie kom dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd, behoeft het middel bij gebrek aan een rechtens te respecteren belang dan ook geen (verdere) bespreking.
Ten overvloede merk ik naar aanleiding van de schriftuur nog het volgende op. De steller van het middel meent dat het belang bij de onderhavige klacht in cassatie is gelegen in het belang van de verdachte “bij (het voortduren van de) schorsing van de voorlopige hechtenis gedurende de strafprocedure, zodat hij aan de behandeling gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis conform de daarmee verbonden voorwaarde kan blijven deelnemen”. Daarin ligt de veronderstelling besloten dat de vernietiging van de beslissing van het hof bij arrest tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis met zich brengt, dat de eerder door het hof bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis weer herleeft. De vraag is of die veronderstelling juist is.
Art. 75 Sv luidt onder meer:
“3. Een bevel dat ingevolge artikel 66, tweede lid, voortduurt, kan door de rechter in hoogste feitelijke aanleg, vóór de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, op vordering van het openbaar ministerie worden verlengd met ten hoogste honderdtwintig dagen. De geldigheidsduur van een dergelijk bevel kan tweemaal worden verlengd, met dien verstande dat de duur van het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding en de verlengingen daarvan tezamen een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de datum van de einduitspraak in eerste aanleg, niet te boven gaan. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.
[…]
5. Na de einduitspraak in hoogste feitelijke aanleg blijft, onverminderd het bepaalde in het laatste lid van dit artikel, het bevel van kracht totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. In geval een einduitspraak als bedoeld in het vierde lid, laatste volzin, wordt vernietigd, kan de rechter bepalen dat het bevel van kracht blijft overeenkomstig artikel 72, zesde lid.
[…]
8. Indien de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel 440, tweede lid, terugwijst of verwijst, blijft, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, het bevel gedurende dertig dagen daarna van kracht.”
Deze bepaling – in het bijzonder lid 8 – regelt de voorlopige hechtenis na terugwijzing of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad. Indien het door het hof gegeven bevel tot voorlopige hechtenis op grond van art. 75 lid 5 Sv tijdens de cassatieprocedure heeft voortgeduurd, blijft dat bevel gedurende dertig dagen na de vernietiging en terug- of verwijzing van de zaak van kracht. Binnen die dertig dagen kan het hof waarnaar de zaak is terug- of verwezen vervolgens een nieuwe beslissing nemen over de voorlopige hechtenis, in welk kader de verdediging kan verzoeken om schorsing (of opheffing) daarvan.
De ratio van deze bepaling lijkt me erin te liggen dat de rechter in de procedure na terug- of verwijzing binnen dertig dagen een nieuw oordeel kan geven over de voorlopige hechtenis en de vernietiging van het arrest van het hof door de Hoge Raad niet direct verandering brengt in de situatie rondom de voorlopige hechtenis die bestond na de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak. Indien het hof bijvoorbeeld in zijn arrest de gevangenneming van de verdachte beveelt, dan betekent een vernietiging van dat arrest in cassatie niet dat de verdachte direct op vrije voeten komt. Art. 75 lid 8 Sv bepaalt immers dat het door het hof gegeven bevel gedurende dertig dagen van kracht blijft.
Hoewel de wet geen specifieke bepaling bevat met betrekking tot de situatie dat het hof bij eindarrest besluit tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis en de Hoge Raad deze einduitspraak vervolgens vernietigt, ligt het niet in de rede te veronderstellen dat in een dergelijk geval de schorsing herleeft. Dat houdt in de eerste plaats verband met de beslissing omtrent de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zelf. Naar het mij voorkomt ligt in die beslissing – naast de opheffing van de schorsing zelf – altijd ook een bevel tot verdere tenuitvoerlegging van het eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis besloten. In de onderhavige zaak heeft het hof dat ook expliciet beslist: “Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte en beveelt de verdere tenuitvoerlegging van dat bevel” (AG: mijn cursivering). In een dergelijk geval brengt art. 75 lid 8 Sv mijns inziens mee dat (ook) het bevel tot verdere tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis gedurende dertig dagen van kracht blijft.
De veronderstelling van de steller van het middel dat de eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis na vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad herleeft, klopt mijns inziens daarom niet. Ook tegen de achtergrond van de ratio van die bepaling is er geen reden om daar anders over te denken. Ook in de situatie dat het hof bij arrest de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis heeft opgeheven, ligt het voor de hand dat het hof in de gelegenheid wordt gesteld om na terugwijzing binnen dertig dagen een nieuwe beslissing te nemen over de voorlopige hechtenis. Daarbij kan het hof dan rekening houden met de beslissing van de Hoge Raad en de redenen waarom de Hoge Raad het arrest van het hof heeft vernietigd, in welk kader de verdediging in de gelegenheid is om (opnieuw) opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis te bepleiten (en het hof zich van het ter zake door de verdediging bepleite rekenschap zal moeten geven).
6 Het vijfde middel
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Namens de verdachte is op 30 december 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 september 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met een aantal dagen is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 16 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
Nu deze conclusie inhoudt dat het arrest van het hof moet worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen, kan de Hoge Raad deze klacht onbesproken laten. Het tijdsverloop in cassatie kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.
7 Slotsom
Het eerste en het tweede middel slagen. Het derde en het vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vijfde middel kan onbesproken blijven.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG