Strafrecht overig

Conclusie AG. Veroordeling voor het medeplegen van i) gekwalificeerde doodslag, ii) poging tot woninginbraak…

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
14 september 2026
Zaaknummer
24/02769
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:875
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling voor het medeplegen van i) gekwalificeerde doodslag, ii) poging tot woninginbraak met geweld, de dood ten gevolge hebbend en iii) poging tot woninginbraak. Falende klacht over verwerping van UOS dat verklaringen van één van de medeverdachten van het bewijs moeten worden uitgesloten. Slagende klacht over schending van de redelijke termijn in cassatie (inzendtermijn). Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02769

Zitting 15 september 2026

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 4 juli 2024 (parketnummer 21-005666-22) de verdachte voor – kort gezegd – het medeplegen van gekwalificeerde doodslag (feit 1 primair), het medeplegen van een poging tot woninginbraak met geweld, de dood ten gevolge hebbend (feit 2 subsidiair) en het medeplegen van een poging tot woninginbraak (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen onttrokken aan het verkeer. Ten slotte heeft het hof beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en overeenkomstig het toegewezen bedrag aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaak van de [medeverdachte 1] , nummer 24/02640. Het cassatieberoep in die zaak is door de Hoge Raad bij arrest van 16 juni 2026 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.

1.3

Het cassatieberoep in de onderhavige zaak is op 16 juli 2024 ingesteld namens de verdachte. J.S. Nan en J. Vanhoutte, advocaten in Den Haag, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In het tweede middel wordt geklaagd over de overschrijding van de inzendtermijn.

1.4

Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het eerste middel faalt en dat het tweede middel slaagt, maar niet tot terugwijzing behoeft te leiden.

2 Het eerste middel

2.1

In het middel wordt geklaagd dat “het hof zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verklaringen van medeverdachte [A-G: [medeverdachte 1] ] [medeverdachte 1] niet voor het bewijs konden worden gebezigd, in het bijzonder niet ten aanzien van diens verklaring dat [de verdachte] het slachtoffer met een hamer meermalen (op het hoofd) zou hebben geslagen.”

2.2

Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaard dat:

“1. primair

hij op 20 januari 2022, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door

- die [slachtoffer] meermalen, met kracht met een hamer tegen het hoofd, te slaan en

- die [slachtoffer] meermalen, tegen het hoofd en het lichaam te stompen en te slaan en

- met die [slachtoffer] te worstelen en omver te duwen en te trekken en

- die [slachtoffer] met de hand de mond af te dekken en afgedekt te houden en

- die [slachtoffer] meermalen, tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en

- die [slachtoffer] meermalen, met kracht met een koevoet, tegen het hoofd en het lichaam en de benen te slaan en

- die [slachtoffer] vast te pakken en

- terwijl die [slachtoffer] werd vastgehouden, met een koevoet, met kracht in het hoofd van die [slachtoffer] te slaan,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld in vereniging door middel van braak gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (strafbaar gesteld in de artikelen 312 lid 1 jo. lid 2 jo. 310 van het Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren;

2. subsidiair

hij op 20 januari 2022 te [plaats] , althans in Nederland, in een woning, gelegen aan de [a-straat 1] , omstreeks 02.00 uur, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een geldbedrag en/of goederen naar hun gading, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , toebehoorde(n), weg te nemen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, door

- met een auto vanuit [plaats] naar [plaats] te rijden en

- onderweg te stoppen om een (van tevoren verborgen en/of klaargelegde) koevoet op te halen en

- de auto te parkeren nabij de woning en

- de auto steeds gereed te houden voor vertrek en

- gezichtsbedekkende kleding (te weten een mondmasker) te dragen en

- met tie-wraps en een koevoet naar de (toegangs)deur van de woning te lopen en

- voornoemde deur met de koevoet open te breken en

- de woning te betreden en

- in de woning van die [slachtoffer] te zoeken naar geld en/of goederen van hun gading,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

welke poging tot diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, door tezamen en in vereniging met anderen,

- die [slachtoffer] meermalen, met kracht met een hamer tegen het hoofd, te slaan en

- die [slachtoffer] meermalen, tegen het hoofd en het lichaam te stompen en te slaan en

- met die [slachtoffer] te worstelen en omver te duwen en te trekken en

- die [slachtoffer] meermalen, tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en

- die [slachtoffer] meermalen, met kracht met een koevoet, tegen het hoofd en het lichaam en de benen te slaan en

- die [slachtoffer] vast te pakken en

- terwijl die [slachtoffer] werd vastgehouden, met een koevoet, met kracht door het hoofd van die [slachtoffer] te slaan,

terwijl voornoemd geweld de dood ten gevolge heeft gehad;”

2.3

Deze bewezenverklaring steunt op de in bijlage I bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen. In deze bewijsmiddelen worden de vier bij de feiten 1 primair en 2 subsidiair betrokken verdachten vaak alleen met de voornaam aangeduid, een enkele keer met de achternaam of een bijnaam en bij de voor het bewijs gebezigde geluidsopnamen met NN-nummers 1 tot en met 4. Ter bevordering van een goed begrip van de bewijsmiddelen vermeld ik hier welke voornaam bij welke achternaam hoort en wie naar het oordeel van het hof schuilgaat achter de NN-nummers 1 en 2. Het betreft de [verdachte] (NN2) en de medeverdachten [medeverdachte 1] (NN1), [medeverdachte 2] ( [bijnaam medeverdachte 2] ) (A-G: ik begrijp NN3) en [medeverdachte 3] (A-G: ik begrijp NN4).

2.4

Het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“T.a.v. feit 1 primair en feit 2 subsidiair

(…)

Definitief sectieverslag van het NFI d.d. 28 september 2022

(…)

Interpretatie van de letsels

Het forensisch pathologisch onderzoek betrof een bejaarde man (sub B1) met talrijk letsel in de vorm van huidverscheuringen, oppervlakkige huidbeschadigingen en bloeduitstortingen. Het totale letselbeeld (vorm, aspect, locatie en spreiding) duidt op toebrenging door derden. Aan het hoofd (sub A en B2) waren onder meer enkele tientallen huidverscheuringen waarvan twee met onderliggende indeukingsbreuken van de schedel. Hierbij was onder meer plaatselijk destructie van hersenweefsel; ook was er bloedophoping onder het spinnenwebvlies en waren er hersenschorskneuzingen (sub C). Het letsel is bij leven ontstaan door meervoudige (en hevige) stomp botsende krachtinwerking op het hoofd, minstens deels door slagen met of stoten tegen een of meerdere harde voorwerpen en/of structuren. De karakteristieken van de letsels duiden hierbij op zowel een kantig als een eerder breedvlakkig aspect; wat eventueel goed kan passen bij de aangetroffen klauwhamer (zie verkregen informatie). Er werden botdelen uitgenomen voor eventueel MIT-onderzoek. Bij voornoemd hoofdletsel zijn hersenfunctiestoornissen te verwachten op basis waarvan het overlijden zonder meer wordt verklaard. Gezien de resultaten van het neuropathologisch onderzoek is de hersenschade kort voor overlijden opgetreden.

(…)

Proces-verbaal van bevindingen opgewaardeerde geluidsopnames, p 460 (A)

Op woensdag 18 mei 2022, heb ik, [verbalisant] , opnieuw (1) van de drie audiobestanden beluisterd, welke afkomstig zijn van de telefoon van [medeverdachte 3] . Dit audiobestand betreft 3uAirPlayer(3).mp4 Fragment 2. Audiobestand 3uAirPlayer(3).mp4 Fragment 2 is opgewaardeerd door een specialist van de Landelijke Eenheid. Naar aanleiding hiervan heb ik dit fragment nogmaals beluisterd.

Ik heb dit opgewaardeerde fragment meerdere malen beluisterd en letterlijk in tekst uitgewerkt. In dit bestand hoor ik vier mannelijke stemmen. Ik heb deze mannen NN1, NN2, NN3 en NN4 genoemd. Twee van de vier stemmen lijken erg veel op elkaar, deze twee mannen maken vaak elkaars zinnen af, ik heb deze twee mannen NN1 en NN2 genoemd. Er wordt in dit audiobestand herhaaldelijk door elkaar heen gesproken. Ik heb de zinnen waar er door elkaar heen wordt gesproken zoveel mogelijk schuin gemarkeerd.

Opgewaardeerd fragment 3uAirPlayer(3).mp4. Fragment 2

NN1 en/of 2: Ntv daar binnen geweest, ik heb een koevoet in zijn hoofd gedrukt/gezet

NN1 en/of 2: ntv jij bent binnen geweest en jij hebt een koevoet in zijn hoofd gedrukt/gezet jij hebt binnen ntv koevoet ntv iedereen heeft m gewoon uuuuhh ntv hahaha

NN1 of 2: ik zweer dat ik die koevoet in zijn hoofd heb gezet.

NN1 jij hebt hem 80 keer met die hamer geslagen

NN1 of 2:ntv (praten door elkaar heen) dit was te verschrikkelijk

NN1 of 2:wat doe je dom praten, iedereen jij jouw jijzelf [verdachte] , iedereen die daar is geweest ntv je gaat ons alle drie uuhh en jezelf

Proces-verbaal van bevindingen opgewaardeerde geluidsopnames, p 464 (A)

Uitgewerkte bestand - trim_F6D3DA24-EFAB-4CE6-A0510AFT7195BCEF_edit

NN3, 3 of 4: moet je zeggen wacht hoe zag het eruit hoe zag het eruit?

NN1: ntv gewoon in zijn hoofd

Opmerking verbalisant: klinkt een doffe klap, dof geluid

NN2, 3 of 4: Ja

NN1 of 2: Eerst seconde dat die zeg maar dik geworden klaar er hij was done/da

NN2,3 of 4: Maar hoe diep was, hoe diep was, hoe diep was het?

NN1: Kankerdiep ntv

NN4: Maar [bijnaam medeverdachte 2] was daar niet bij

NN3: Ik heb niets gezien broer

NN1: Hij heeft niets gezien, hij was zeg maar de deur al uit, hij was net in zijn recht toen dat gebeurde

NN4: Hij hij probeerde jij hun uit uit elkaar te halen

NN1: nee ntv behalve terugleggen/terugdeggen mongool

NN4: Nee maar [bijnaam medeverdachte 2] wat deed [bijnaam medeverdachte 2] hij was weggerend

NN2 of 3: ntv als een fokka niffo ntv

NN1: ntv Nee, deze man, we gingen weg ja ntv gingen weg toch ...

NN1: [bijnaam medeverdachte 2] was als allerlaatst, als eerst naar binnen, dacht huh als laatst naar binnen dus hij gaat als eerst eruit toch ntv weet het niet

NN1 of 2: Ntv lui ntv ikke ntv de woonkamer in ntv in ik ging gelijk

NN4: Wat deed [verdachte] , hij zat te vechten ofzo

NN1: Hahahaha hij zat hem in bedwang te houden daaro

Proces-verbaal van bevindingen verklaring over audiobestanden door [medeverdachte 2] , p 483 (A)

NN1: ntv koevoet in zijn hoofd gezet ntv iedereen heeft m gewoon uuuuhh ntv hahaha ik zweer dat ik die koevoet in zijn hoofd heb gezet.

[medeverdachte 1] tegen [verdachte] : ‘Jij hebt het daar binnen gezien. Ik heb een koevoet in zijn hoofd gedrukt.’

[medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] : ‘je hebt gezien dat ik een koevoet door zijn hoofd heb gedrukt.’ Dan zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat [verdachte] hem 80x met een hamer heeft geslagen.

Proces-verbaal van bevindingen overzicht van processen-verbaal omtrent geluidsopnames van [medeverdachte 3] d.d. 15 juni 2022, p 498 (A)

Op basis van de herkenningen van de stemmen van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en de verklaringen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wie er op de audiobestanden te horen zijn, kan worden gesteld dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] deelnamen aan de gesprekken. Verdere bevestiging hiervoor kan worden gevonden in het onderzoek naar de reisbewegingen en stoplocaties van de vier verdachten op de avond van 21 januari 2022; de vier verdachten lijken die avond bij elkaar in de buurt te zijn. Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , de bevindingen van het onderzoek naar de reisbewegingen en stoplocaties van de vier verdachten, in combinatie met de chatberichten die [medeverdachte 1] stuurde over waar hij was op 21 januari 2022, kan worden gesteld dat ook hij deelnam aan de door [medeverdachte 3] opgenomen gesprekken.

Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 9 februari 2022. p 1348 (A)

Op 20 januari 2022 hebben we [verdachte] opgehaald in [plaats] .

V: Wie zat waar in de auto?

A: Ik, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] . 4 man.

V: En wie zat waar?

A: [medeverdachte 3] reed. Ik zat voorin. Of [verdachte] of [medeverdachte 2] achter mij zat weet ik niet. Volgens mij zat [verdachte] achter mij. Want [medeverdachte 2] gaf ik de hele tijd zo ballonnen. Via m’n linkerschouder, dus dan zat hij zeg maar, linksachter. [verdachte] vroeg van “hoe zit dat met dat huis”, volgens mij. Toen zaten we een beetje met elkaar te praten, beetje te discussiëren en toen zeiden ze van “ja, we hebben nu deze huurauto, dus kunnen wel gaan kijken”. Ik zei tegen hem van “ja weet je het zeker” en “hoe denk jij erover”. Toen zei hij van “ja, ik weet het niet. Ik wil ook meer te weten komen, dus ik wil weer gaan kijken”. Toen zei ik: “Ja, zo zie ik het ook eigenlijk. Ik wil ook meer weten over dat huis en hoe en wat”. Toen zijn we weer daar naartoe gegaan. Die jongens wisten ook over dat huis. We hebben het gewoon gelijk gezegd. Ook tegen hen. We zeiden gewoon van, want zij gaan ook soms mee naar inbraken. Ik zei van: “Er is een huis waar geld kan liggen. En die man is vaak in de avond weg, dus gaan jullie mee? Ik heb een extra paar ogen nodig, want dat huis is eng”. Toen zeiden zij van “ja, is goed”. We gingen gewoon bespreken met z'n allen van “gaan we het doen ja of nee”. [medeverdachte 3] zei van “stel die man is thuis”. Ik zei van “die man is niet thuis, want hij werkt nu”. Het was in de avond ook weer. Toen hebben we daar ingebroken. [medeverdachte 3] is wat terughoudender, maar ja hij zei op een gegeven moment “oké, maar dan wil ik in de auto blijven zitten, ik loop niet mee”. Toen zei ik “oké, ga maar op de uitkijk staan”.

A: [medeverdachte 3] bleef in de auto. Toen zijn ik, [medeverdachte 2] en [verdachte] gewoon daar naartoe gegaan.

V: En wie liep er voorop?

A: [verdachte] .

V: Wie liep er achter [verdachte] ?

A: Ikke, en toen [medeverdachte 2] .

V: Oké en toen jullie een deur zagen?

A: Hebben we hem opengemaakt.

V: Hoe heb je dat gedaan?

A: Koevoet.

V: Kun je vertellen waar die koevoet vandaan komt?

A: Die had [verdachte] verstopt, ergens ook in [plaats] .

V: Was je erbij toen hij die koevoet heeft opgehaald?

A: Ja, iedereen was daarbij.

V: Je bedoelt de jongens die je net noemde?

A: Als ik zeg iedereen gewoon alle 4 toch. Ik, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .

V: Oké. En op welk moment hebben jullie die koevoet opgehaald?

A: Iets daarvoor.

V: Oké. Hoe ging dat ophalen van die koevoet, dus?

A: Nik. Hij zei gewoon tegen [medeverdachte 3] “stop hier”, en hij stapt uit en hij pakt hem, ergens uit de bosjes of achter een boom. Ik weet niet.

V: En waar heeft hij die koevoet gelaten?

A: Gewoon achterin, denk ik.

V: Heb jij die koevoet nog gezien ook op dat moment?

A: Nee. Ik zag gewoon dat hij binnenkwam. Hij had hem zeg maar, bij z'n voeten gewoon.

V: Wat voor kleur had die koevoet?

A: Zwart gewoon.

V: En weet je ongeveer hoe groot hij was, lang?

A: Gewoon die normale koevoet. Hoe lang weet ik niet. Halve meter, meter.

V: En wat was de reden dat er tie-wraps bij waren?

A: [verdachte] dacht “als er iemand is, kan je beter hem vastbinden, dan niet”, zeg maar.

A: Dus toen zijn we weer naar binnen gegaan. [verdachte] voorop, ik als tweede, [medeverdachte 2] als derde, maar er lag zoveel troep, dat we gewoon heel rustig moesten lopen en kijken waar we liepen. Dus [verdachte] ging, het was zeg maar een gang, en er was de deur naar de woonkamer. Denk ik dan, of ja ik denk dat dat de woonkamer is. Hier naar rechts dus, en ik was verder gelopen, dus ik was in de gang, [verdachte] werd toen aangevallen, toen hij bij de deur was. Ik was al verder in de gang, dus ik moest eerst omdraaien, want m'n rug was daarnaartoe. Kwam ineens een man vanuit de rommel op [verdachte] springen. Het was ook donker. Hij kwam ineens zeg maar. Het ging heel snel. Want we hoorden ook geen stem. Hij zat ons echt op te wachten gewoon. Blijkbaar heeft hij ons gehoord toen we de deur openmaakten. Uit reflex hebben we hem van [verdachte] afgeduwd en geslagen en is gewoon een schermutseling. Het ging allemaal heel snel. Het duurde ook niet zo lang volgens mij. [verdachte] lag in de rommel, die man lag bovenop hem. Dat duurde misschien best lang, want die man was vrij sterk en hij hield [verdachte] elke keer in bedwang. Het was donker en die man trok de capuchon over [verdachte] z'n hoofd, dus we raakten beetje in paniek van stel hij heeft een mes of ik weet niet iets, waar die zich mee wil verdedigen. Hij pakte hem bij z'n keel en hij gooide hem op de grond, en toen lag [verdachte] onderop. En toen hebben ik en [medeverdachte 2] , gelukkig zeg maar, die man nog om kunnen draaien en [verdachte] bovenop te krijgen. Nou, ik keerde mij om. Ik begon die man gewoon te duwen en te trappen. En, maar je had geen ruimte zeg maar, dus het was meer, ik kon niks anders. Wat je zag probeerde ik hem gewoon mee te raken. Trappen, slaan, duwen. Omdat ik en [medeverdachte 2] hem zeg maar, wegduwden van hem, want hij zat op [verdachte] in de rommel. Dus op een gegeven moment, die man lag hier en [verdachte] lag bovenop hem en had [verdachte] hem onder controle. Het was ook donker, ja het was gewoon een schermutseling eigenlijk, wat ik mij kan herinneren. Ik ben toen gaan kijken, want op een gegeven moment had ik hem wel onder controle, maar hij bleef hele tijd bewegen en tegenstribbelen. En we zeiden gewoon tegen hem "doe rustig". En het enige wat ik weet, dat op een gegeven moment [verdachte] hem onder controle had, dat ik, zei hij tegen mij, van: “Ga in de woonkamer kijken, waar die man vandaan kwam”. Of het de woonkamer was weet ik niet, maar denk ik. Die man bleef hele tijd bewegen en hij had [verdachte] ook gebeten. [medeverdachte 2] zei tegen mij “ga zoeken”. [verdachte] was gewoon bezig hele tijd. [verdachte] heeft amper gepraat gewoon, want hij was steeds bezig met die man. Hij heeft ook geschreeuwd zeg maar. Toen heeft [verdachte] , denk ik, iets gepakt om voor z'n mond te doen. We zeiden van “waar ligt het geld”, maar hij zei: “Ik heb geen geld”. [medeverdachte 2] zei het in straattaal “Waar is doekoe?” We hebben allemaal gevraagd om doekoe of om geld. Ik was ook moe, want ik had hem zeg maar hele tijd weggeduwd van [verdachte] af, dus ik zat even uit te rusten en ik zei alleen van “Meneer, doe rustig, gewoon, waar is het geld? Dan gaan we weg. Toen zei hij: “Het ligt in m'n vrachtwagen. Ik kan wel mee lopen”, maar dat heeft hij niet gedaan. Toen zeiden [medeverdachte 2] en [verdachte] van “ga zoeken in z’n woonkamer”. Maar er lag zoveel rommel totdat ik echt bij z'n bed kwam. Toen kwam ik terug en toen lag [verdachte] nog steeds op hem. En [medeverdachte 2] was nog steeds op dezelfde plek, want hij kon er niet langs natuurlijk. Hij wou [verdachte] niet alleen laten. Maar toen kwam het probleem. Hoe ga ik langs [verdachte] en die man om naar buiten te komen? Hoe gaat [verdachte] dan weg? En toen is het fout gegaan. Die man stopte ook niet. We zeiden tegen hem “ga je stoppen, dan kunnen we normaal weggaan”. Dat wou hij niet. Hij bleef maar doorgaan, maar toen ik terugkwam, was er zeg maar al bloed, maar toen ik nog ging zoeken was er nog niks met die man. [verdachte] heeft hem met hamer geslagen. Ik weet alleen van die hamer, dat ik iets zag op z'n hoofd, maar of dat een hamer was of koevoet, dat weet ik niet, want het was niet lang. Dus koevoet is het niet.

V: En waar kwam die hamer vandaan?

A: Weet ik niet. Hij had hem ineens in z'n hand [verdachte] .

Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 31 maart 2022. p 1443 (A)

A: Tijdens de rit hebben we met elkaar besproken wanneer het een goed moment was om daar binnen te gaan en of iedereen het ermee eens was. Qua taakverdeling spraken we af dat [verdachte] die man in bedwang ging houden, omdat hij wat groter is. Ik kan best goed met een koevoet overweg, dus ik zou die koevoet gebruiken om in te breken, en ik zou gaan zoeken, en [medeverdachte 2] zou achterblijven in de gang als het volgens plan zou lopen. Als die man daar was zou [verdachte] hem in bedwang houden. Toen we erheen liepen, maakten we de afspraak dat we allemaal naar binnen zouden gaan en dat iedereen zou gaan zoeken, maar toen kwam die meneer uit die rommel en viel [verdachte] aan. [medeverdachte 3] die zou op uitkijk blijven, dat vond hij zelf ook goed.

V: jullie hielden er wel rekening mee dat die man thuis kon zijn?

A: Ja, maar dat doe je bij elke woning toch.

V: En welk plan hadden jullie dan?

A: Gewoon zoals bij elke inbraak, zo snel mogelijk deur openmaken en zoeken. [verdachte] was het grootste en het fitste, dus [het] sprak vanzelf dat hij die man in bedwang zou houden als dat nodig was. We gingen terug naar de woning voor geld. Iedereen had mondkapjes op. [verdachte] had tie-wraps meegenomen, omdat hij die man in bedwang zou houden. Hij had ze in zijn zak toen we hem gingen ophalen en hij zei dat toen hij in de auto stapte. Iedereen dacht van waarom, maar het was zijn taak om die man in bedwang te houden als hij thuis zou zijn dus, dat was zijn hele idee. Niemand zei tegen hem neem tie-wraps mee, maar het kan dat hij bang was voor zijn eigen veiligheid dat hij tie-wraps meenam. Ik weet niet waarom. Niemand had wapens bij zich, alleen een koevoet en handschoenen.

V: Jullie haalden [verdachte] in [plaats] op en toen zei hij dat hij tie-wraps bij zich had?

A: ja, hij zei, stel hij is thuis.

(…)

Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] 10 maart 2022, p 1267 (A)

V: Je hebt uitgelegd wat er te horen is op de opnames, hoe is het ontstaan om die opnames te maken?

A: de dagen erna waren ik en [medeverdachte 3] helemaal gestrest. We wilden naar de politie maar het kon niet, toen zei [medeverdachte 3] als we naar de politie gaan dan moeten we wel een audiofragment hebben, een bewijs.

V: wanneer hebben jullie deze opname gemaakt?

A: ik denk op zaterdag, dus woensdag op donderdag is dit gebeurd en zaterdag de opnames gemaakt.

V: en waar?

A: in de auto, was in [stadswijk 1] in [plaats] , soort tankstation, zij waren daar aan het chillen en wij kwamen daar. Ik weet niet zeker of het een tankstation is. Ja het was daar.

V: zij waren aan het chillen.

A: ja [medeverdachte 1] en [verdachte] , [medeverdachte 3] werd door [medeverdachte 1] gebeld van we zijn daar kom, toen zijn we gekomen en heeft [medeverdachte 3] dat opgenomen, we waren in [stadswijk 2] bij mijn broer, trein gepakt naar [stadswijk 1] en 2 minuten lopen.

[...]

V: wanneer zie je voor het eerst dat [medeverdachte 1] die man met een koevoet slaat.

A: nadat [verdachte] opstond en die man vasthield, heeft [medeverdachte 1] hem zitten slaan tegen zijn benen, dat heb ik gezien met mijn ogen.

Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] 24 januari 2022, p 1084 e.v. (A)

A: Maar toen zei [medeverdachte 1] tegen mij ga effe daar parkeren we gaan effe uitstappen zo en we komen zo terug. Ik zei van wat ga je doen? Zegt hij ja we gaan effe wat doen met [verdachte] en we komen zo terug. Ik heb daar geparkeerd, en toen was [verdachte] gelijk uitgestapt met [medeverdachte 1] , zeiden ze ook tegen [medeverdachte 2] van kom effe. En toen zijn ze weggegaan.

A: ongeveer twintig vijfentwintig minuten daarna, zie ik [medeverdachte 2] terugrennen naar de auto. Ze waren vol met bloed.

V: wat wordt er dan besproken in de auto als jullie met z’n vieren in die auto daar wegrijden? Wie zegt er wat?

A: [medeverdachte 1] zit de hele tijd te praten over hoe heeft hij hoe.

V: wat zei hij precies?

A: die koevoet is vijf centimeter door zijn schedel doorgegaan

V: niet ze, van [medeverdachte 1] he, wat heeft [medeverdachte 1] verteld in het algemeen, wat jij gehoord hebt.

A: ja over het geweld of hoe ze wat binnen gebeurde.

V: wie?

A: [medeverdachte 1] en [verdachte] , ze waren met z’n tweeën, [verdachte] is de grootste en de langste, dus hij liep voor. En dus ze lopen naar binnen, en die man dus was blijkbaar aan het wachten op hen, hij had hen gehoord. En hij komt schreeuwend tegen [verdachte] aan, en [verdachte] had blijkbaar die hamer op zijn hand, dus hij sloeg hem op zijn hoofd, en toen zei [medeverdachte 1] van er was ook een gat in zijn hoofd en hij bloedde heel veel.

V: over die hamer he, wie heeft dat verteld aan jou.

A: [verdachte] en [medeverdachte 1] , allebei samen ja.

V: [verdachte] heeft jou verteld dat hij met de hamer geslagen heeft.

A: ja. [medeverdachte 2] loopt naar binnen en hij ziet wat voor hem, dat hij heeft mij verteld, hij ziet die man op de grond vol met bloed, en [medeverdachte 1] slaat hem op zijn been met die koevoet, en [verdachte] ondertussen zit die man gewoon te slaan.

V: [medeverdachte 2] loopt ook naar binnen.

A: ja, ziet hij overal bloed, is hij weggerend, en zij twee zitten nog steeds daar. [verdachte] kan niet eruit, dus [verdachte] zegt, volgens mij zei hij precies wat hij tegen [medeverdachte 1] had gezegd van hij had iets tegen [medeverdachte 1] gezegd, van sla hem of pak hem, en [medeverdachte 1] op dat moment, hij sloeg hem op zijn hoofd.

V: waarmee?

A: met die koevoet.

V: wat deden ze dan?

A: nee gewoon met vechten met slaan, want die man lieten ze niet met rust.

V: ze vertelden jou dat ze bleven slaan.

A: ja.

V: wie?

A: ja [verdachte] [medeverdachte 1] zei of [verdachte] van ja hij bleef [verdachte] bleef maar slaan maar hij, die man was te sterk.

V: en vertelden ze ook [medeverdachte 1] of [verdachte] hoe vaak ze hem sloegen?

A: non stop volgens mij.

V: non stop.

A: ja en hij bleef maar verder gaan.”

2.5

De op de terechtzitting van het hof van 13 juni 2024 overgelegde pleitnota van de raadsman van de verdachte en de blijkens het proces-verbaal van die zitting daarop gegeven aanvulling (AG: door mij cursief en onderstreept weergegeven) houden het volgende in:

“17. Nogmaals wil de verdediging benoemen dat het aan waardering en selectie van het bewijs aan feitenrechters is. In deze zaak deelt de verdediging de waardering, selectie maar ook de motivering van de rechtbank niet ten aanzien van met name feit 1 op de tenlastelegging.

18. De verdediging heeft in de pleitnota eerste aanleg uitgebreid bepleit dat [medeverdachte 1] inconsistente verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank heeft [medeverdachte 1] in veel verklaringen niet consistent geacht, maar wel in de verklaring van hem met betrekking tot de hamer.

19. De rechtbank heeft het volgende opgemerkt ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ):

T.a.v. 20 januari 2022:

“[medeverdachte 1] heeft over de aanloop naar de inbraak op 20 januari 2022 en de plannen die daarover zijn besproken in de auto opening van zaken gegeven en heeft een consistent verhaal geschetst. Uitsluitend over zijn eigen rol ten aanzien van het toegepaste geweld, heeft [medeverdachte 1] niet geloofwaardig verklaard. Met betrekking tot dat geweld vindt zijn verklaring ook geen steun in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht het verhaal van [medeverdachte 1] voor het overige aannemelijk en betrouwbaar en zal dit gedeelte van zijn verklaringen bezigen tot het bewijs.”

20. Dit is, volgens de verdediging hoewel het juridisch kan, “textbook cherrypicking”.

21. De verdediging voelt zich derhalve genoodzaakt om nog eens kort de verklaringen van alle verdachten de revue te laten passeren:

Verklaring [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] )

22. Vanaf punt 187 tot en met 269 heeft de verdediging in de pleitnota eerste aanleg uitgelegd en toegelicht waarom [medeverdachte 1] ongeloofwaardig is geweest. Niet alleen ten aanzien van zijn rol met betrekking tot de geweldshandelingen maar over nagenoeg alle momenten vanaf het moment dat ze naar de woning van het slachtoffer liepen.

23. [medeverdachte 1] is bijvoorbeeld de enige die aangeeft dat [medeverdachte 2] heeft geslagen met de hamer en de koevoet. [medeverdachte 1] is de enige die heeft aangegeven dat hij in beginsel niet eens wist waarom hij was aangehouden, omdat hij nergens bij betrokken is geweest (verhoor 25 januari 2022 p. 1338 en verhoor 27 januari 2022 p. 1343).

24. Iemand die eerst zegt niet te weten waarom hij is aangehouden en vervolgens na het lezen van het dossier begint te verklaren wordt door de rechtbank gezien als iemand die consistent heeft verklaard, terwijl [medeverdachte 1] in elke aanvullende verklaring met iets nieuws kwam en zichzelf tegenspreekt ten opzichte van eerdere verklaringen.

25. Een samenvatting van hetgeen hij heeft verklaard ten aanzien van de fatale inbraak is het volgende:

- Iemand die hij kent wilde een auto huren, hij heeft dat geregeld met het verhuurbedrijf, want hij kon korting regelen;

- Ze zijn spontaan op het plan gekomen om in te breken, iedereen stemde ermee in;

- Vervolgens naar het huis gegaan en gekeken of de vrachtwagen er stond, omdat ze wilden weten of de man thuis was. De vrachtwagen stond er niet;

- Toen zijn ze naar binnen gegaan en de man viel de jongen aan die voorop liep;

- [medeverdachte 2] had volgens [medeverdachte 1] de koevoet;

- [verdachte] kreeg de meneer onder controle. Tegen de meneer is heel de tijd gezegd dat hij rustig moest blijven. Ze wilden het niet, want ze dachten dat hij niet thuis was;

- [medeverdachte 1] is de woning in geweest om te zoeken of er wat te halen viel;

- Hij kon niets vinden en bij terugkomst zag hij dat [verdachte] de man met zijn vuisten aan het slaan was en dat [medeverdachte 2] de man met koevoet en hamer heeft geslagen;

- Hij zou als 2e de woning hebben verlaten;

- Vervolgens handen gewassen in [stadswijk 3] , er was overal bloed;

- [medeverdachte 2] was onder het bloed en [verdachte] had een wond en wilde naar het ziekenhuis.

26. Los van het feit dat [medeverdachte 1] aan de hand van hetgeen hij naar alle waarschijnlijkheid heeft gelezen een verklaring heeft afgelegd lijkt het er, volgens de verdediging, óók nog op dat het rechercheteam [medeverdachte 1] sturende vragen heeft gesteld.

27. Op pagina 1405 van het dossier staat het volgende:

“Maar je ziet dat [verdachte] dan op een gegeven moment, die hamer in z’n hand heeft.”

28. De verdediging wil hier alvast opmerken dan als het dossier écht écht goed bestudeerd wordt, dat niemand in deze zaak cliënt heeft gezien met een hamer. [medeverdachte 1] heeft pas na het lezen van het dossier iets over een hamer gezegd.

29. Het enige waar, nog voor de aanhouding gesproken wordt over een hamer, is in de heimelijk opgenomen gesprekken door medeverdachten. Maar wat er specifiek bedoeld wordt met die hamer en wie dan de hamer gebruikt heeft is voor heel veel interpretaties vatbaar.

30. De meest simpele en, wat de verdediging betreft, aannemelijke uitleg is dat een paar jongens in gesprek gaan met elkaar over iets verschrikkelijks en door de stres en ballonnen van alles roepen, zonder dat daar per definitie een kern van waarheid in zit.

Pagina 4, onder 30: op die gesprekken is ook te horen dat er geschoten is en dat [betrokkene 1] dat gedaan zou hebben. Alles wat is opgenomen is geknipt en geplakt en moeten we eigenlijk met een korreltje zout nemen.

31. Twee van de jongens zijn bezig met het bewerkstelligen van “bewijs” waaruit moet blijken dat hun aandeel nihil is. [medeverdachte 1] lijkt juist er het makkelijkst over te praten. De verdediging kan het zich niet voorstellen dat het lacherige gedrag oprecht is, maar juist een manier om de schrik te camoufleren.

Pagina 4, onder 31: ik kan mij niet voorstellen dat jonge jongens bewust lacherig doen over dit voorval.

32. Uit het dossier kan in ieder geval vastgesteld worden dat niemand cliënt met een voorwerp in zijn hand gezien heeft.

33. De verdediging heeft enkele punten opgenomen in de pleitnota van de eerste aanleg waaruit overduidelijk blijkt dat [medeverdachte 1] eerst anders verklaard heeft dan op een later moment.

34. De verdediging heeft een conclusie n.a.v. de verhoren van [medeverdachte 1] opgenomen in eerste aanleg en dat zal de verdediging nu opnieuw doen:

In grote lijnen geeft [medeverdachte 1] het volgende aan vanaf het moment dat ze de auto hebben gehuurd via een kennis van hem:

- De auto wordt opgehaald door hem en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) en op het moment, of zelfs daarvoor al, dat ze [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) ophalen en bij [medeverdachte 2] zijn vertelt hij hen over het huis en het plan om in te breken;

- Nadat ze aan het chillen zijn in [plaats] halen ze cliënt op;

- Vervolgens komt weer de inbraak ter sprake ;

- Ze halen de koevoet op en cliënt verlaat de auto om de koevoet te pakken;

- Bij het huis aangekomen geeft [medeverdachte 3] aan dat hij niet durft en blijft daarom in de auto;

- Cliënt, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen forceren de deur;

- Op het moment dat ze de woning in gaan wordt cliënt nagenoeg direct aangevallen door de man;

- [medeverdachte 1] loopt zelf door en gaat de woning in om te kijken wat er is;

- [medeverdachte 2] had een hamer en een koevoet vast en sloeg de man;

- Er was veel bloed;

- Cliënt was met de man aan het vechten met zijn vuisten/blote handen;

- [medeverdachte 1] is als eerste uit de woning gegaan en weet niet wat zich heeft afgespeeld in de woning, nadat hij de woning heeft verlaten. [medeverdachte 1] heeft eerder verklaard dat hij als tweede de woning verliet;

- [medeverdachte 1] hoorde wel geschreeuw;

- [medeverdachte 2] had de koevoet en zou die hebben weggegooid;

- Cliënt zou, volgens [medeverdachte 1] , de tie-wraps hebben meegenomen;

- Er was geen plan en ze dachten dat de man niet thuis was.

35. Uit alle verhoren van [medeverdachte 1] blijkt dat hij zijn best heeft willen doen om een zo goed mogelijk verhaal voor zichzelf te schetsen.

36. Het interessante aan de inconsistentie van [medeverdachte 1] is dat hij tijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg opeens verklaarde dat er ook een stalen buis zou hebben gelegen waar het slachtoffer mee geslagen zou zijn. De betreffende buis waar [medeverdachte 1] over sprak is nooit gevonden.

Pagina 5, onder 36: het gaat om een TGO dus als er een buis geweest zou zijn zouden zij die zeker gezien hebben.

37. Opvallend is dat [medeverdachte 1] ook aangeeft, net als [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ), dat cliënt in grote lijnen hetzelfde verklaard zou hebben als [medeverdachte 1] (p. 1455). De verdediging interpreteert deze opmerking in die zin dat [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat cliënt naar waarheid verklaard heeft.

38. De verdediging verzoekt uw hof dat ook te doen.

(…)

106. De rechtbank heeft ten aanzien van het slaan met de hamer het volgende opgenomen:

“De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat [verdachte] met de hamer meermalen op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Dit blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] en vindt steun in de geluidsopname waarin wordt gezegd dat er met een hamer is geslagen. In de geluidsopnames wordt gesproken over 80 keer. Dat aantal is waarschijnlijk overdreven, maar bevestigt voor de rechtbank wel dat er in elk geval vaker dan eenmaal met de hamer is geslagen. Dat ook vaker is geslagen met de hamer vindt bovendien steun in de geconstateerde letsels”

107. Zoals reeds uitgelegd is het onbegrijpelijk dat de rechtbank bewezen heeft verklaard dat cliënt met de hamer geslagen zou hebben en dat dit blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] .

108. Ten aanzien van de geluidsopname wil de verdediging opmerken dat [medeverdachte 1] zegt dat er 80 keer met de hamer geslagen is.

109. Uit die opnames blijkt niet dat hij het over cliënt heeft wanneer hij aangeeft dat er met de hamer geslagen is.

110. Ook kan het zomaar zo zijn dat [medeverdachte 1] dit roept, omdat hij het slachtoffer met de hamer gezien heeft en dat het slachtoffer de hamer heeft gebruikt.

111. Het kan ook zo zijn dat [medeverdachte 1] dit roept om zijn verhaal aan te dikken, zoals wel vaker gebeurt bij jongeren wanneer ze hun verhaal vertellen.

112. Specifiek kan niet vastgesteld worden aan de hand van het dossier dat cliënt met de hamer geslagen heeft en dat [medeverdachte 1] het specifiek over cliënt heeft.

113. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat de enige juiste conclusie aan de hand van dit dossier de volgende is:

114. CLIËNT HEEFT NIET GESLAGEN MET DE HAMER EN UIT HET DOSSIER BLIJKT NIET DAT ANDEREN SPECIFIEK AANGEVEN DAT CLIËNT DE PERSOON IS DIE DE HAMER HEEFT GEBRUIKT.

115. De verdediging stelt zich daarom op het standpunt dat cliënt geen geweldshandelingen heeft verricht die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. Het enige wat vaststaat is dat cliënt met vuisten gevochten heeft met het slachtoffer op het moment dat het slachtoffer zijn woning wilde verdedigen.

116. De verklaring van [medeverdachte 1] kan mede gelet op het feit dat niet vast kan komen te staan dat hij over cliënt spreekt ten aanzien van het slaan met de hamer, maar ook gelet op het feit dat [medeverdachte 1] inconsistent is geweest in zijn verklaringen niet gebruikt worden voor het bewijs.”

2.6

Het hof heeft in zijn arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

(…)

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals vermeld in bijlage I. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen zoals de rechtbank die in het vonnis heeft opgenomen en die hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen, voor zover relevant, over. Waar ‘rechtbank’ staat, moet ‘hof’ worden gelezen. Waar de overweging van de rechtbank aanvulling of (beperkt) verbetering behoeft, is dit aangegeven met niet-cursieve tekst. Indien in de overwegingen van de rechtbank taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

a. Vastgestelde feiten

(…)

ten aanzien van 20 januari 2022 (feiten 1 en 2):

[medeverdachte 1] en verdachte zijn op 20 januari 2022 teruggegaan naar de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , ditmaal samen met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Onderweg naar de woning zijn ze de koevoet gaan ophalen, die [betrokkene 2] , verdachte en [medeverdachte 1] na hun poging tot inbraak op 18 januari 2022 hadden verstopt in de bosjes. In de auto werd de beoogde inbraak besproken. Vervolgens zijn ze naar de woning gereden. [medeverdachte 3] bleef in de auto achter het stuur zitten en [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 2] zijn met mondkapjes op naar de woning gelopen. Zij hadden tie-wraps en de koevoet bij zich. Toen de deur met de koevoet opengebroken was, ging verdachte als eerste de woning binnen met daarachteraan eerst [medeverdachte 1] en daarna [medeverdachte 2] . Wederom bleek de bewoner (hierna: [slachtoffer] ) thuis te zijn. [slachtoffer] verraste het drietal en besprong verdachte vermoedelijk met een hamer in de hand, waardoor [slachtoffer] bovenop verdachte terechtkwam. Er ontstond een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] werd geslagen, gestompt, geschopt, geduwd en getrokken. [slachtoffer] zou verdachte hebben getrokken en geslagen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn verdachte toen te hulp geschoten en hebben er samen voor gezorgd dat [slachtoffer] wat betreft zijn positie werd omgedraaid, zodat verdachte bovenop [slachtoffer] kwam te zitten. [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] toen een aantal keren met de koevoet op zijn benen geslagen. Toen het erop leek dat verdachte [slachtoffer] in bedwang had, is [medeverdachte 1] verder de woning in gelopen om te zoeken naar geld en/of goederen. [medeverdachte 2] is bij verdachte blijven staan. [slachtoffer] verzette zich en greep naar verdachte en [medeverdachte 2] . Nadat verdachte met zijn hand de mond van [slachtoffer] afdekte, heeft [slachtoffer] verdachte tot bloedens toe in zijn hand gebeten. [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] tijdens deze worsteling geslagen. [medeverdachte 1] hoorde geschreeuw en is teruggelopen naar de hal met de koevoet in zijn hand. Hij heeft met die koevoet meermalen op het hoofd en lichaam van [slachtoffer] geslagen. Verdachte heeft op enig moment de hamer van [slachtoffer] bemachtigd en heeft daarmee op het lichaam en hoofd van [slachtoffer] geslagen. [medeverdachte 2] is als eerste de woning ontvlucht en naar de auto gerend, waar [medeverdachte 3] zich nog steeds achter het stuur bevond. Daarna hebben [medeverdachte 1] en verdachte de woning verlaten. Het viertal is vervolgens in de auto weggereden. De volgende dag bleek (na aankomst van de politie) [slachtoffer] aan zijn verwondingen te zijn overleden.

b. Bewijsoverwegingen

(…)

ten aanzien van 20 januari 2022:

Ten aanzien van de gebeurtenissen op 20 januari 2022 stelt het hof voorop dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in beginsel betrouwbaar zijn en aldus gebruikt kunnen worden voor het bewijs. Voor het hof is daarvoor bepalend dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] enkele dagen na het feit uit eigen beweging naar de politie zijn gestapt en daar (consistente) verklaringen hebben afgelegd, terwijl zij op dat moment nog niet – maar ook verdachte en [verdachte] [A-G: ik begrijp: [medeverdachte 1]] nog niet – in beeld waren bij de politie en niemand van hen überhaupt als verdachte was aangemerkt. Naar het oordeel van het hof worden de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bovendien op belangrijke en essentiële onderdelen ondersteund door de MIT-rapportage van het NFI. Uit deze rapportage volgt dat er in sommige beschadigingen zwarte coating voorkwam en in andere niet, wat kan duiden op het feit dat met twee verschillende voorwerpen op het hoofd van het slachtoffer is geslagen, te weten een “breedvlakkig” voorwerp en een voorwerp met daarop een zwarte coating. Daarnaast worden de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ondersteund door de geluidsopnames die na het feit heimelijk zijn opgenomen.

De betrouwbaarheid van de geluidsopnames

De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] zijn eigen stem niet op de geluidsopnames herkent. De rechtbank is van oordeel dat de stem van [verdachte] op de geluidsopnames wel is te horen. De rechtbank komt als volgt tot dit oordeel. Allereerst hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 1] aan deze gesprekken hebben deelgenomen. Zij hebben nauwkeurig aangegeven wie wanneer wat heeft gezegd. NN1 is [medeverdachte 1] en NN2 is [verdachte] [AG: ik begrijp: de verdachte]. Ten tweede waren verdachten volgens hun telefoongegevens (mastgegevens) bij elkaar in de buurt toen de opnames werden gemaakt. Tot slot heeft een verbalisant de stemmen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] op de geluidsopnames herkend en is [verdachte] ook door een andere verbalisant op deze geluidsopnames herkend.

De rechtbank is van oordeel dat de geluidsopnames bruikbaar en betrouwbaar zijn voor het bewijs. De opnames zijn kort na de woningoverval gemaakt, nog voordat [verdachte] en de medeverdachten zijn aangehouden voor onderhavige feiten. Op het moment dat de geluidsopnames werden gemaakt, wisten zij niet dat het werd opgenomen, zodat zij vrijuit konden spreken. Zij hebben concrete (dader)informatie besproken over hun eigen rol bij het door hen uitgeoefende geweld op en tegen [slachtoffer] . Op de opnames wordt gesproken over het slaan met een hamer en een koevoet op het hoofd van [slachtoffer] . Er is een bebloede hamer aangetroffen in de woning van het slachtoffer. Over het gebruik van de koevoet heeft [medeverdachte 1] verklaard. Dat er met deze voorwerpen op het hoofd is geslagen, vindt steun in de MIT-rapportage van het NFI (MIT = Microanalyse van Invasief Trauma). Uit deze rapportage blijkt dat de aangetroffen hoofdletsels van [slachtoffer] goed kunnen passen bij toedracht van het slaan met bijvoorbeeld de aangetroffen hamer en/of een breekijzer en in de omstandigheid dat stukjes zwarte coating op [slachtoffer] zijn aangetroffen (de rechtbank concludeert afkomstig van de zwarte koevoet). Om die reden acht de rechtbank de geluidsopnames betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Geslagen met de hamer

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat [verdachte] met de hamer meermalen op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Dit blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] en vindt steun in de geluidsopname waarin wordt gezegd dat er met een hamer is geslagen. In de geluidsopnames wordt gesproken over 80 keer. Dat aantal is waarschijnlijk overdreven, maar bevestigt voor de rechtbank wel dat er in elk geval vaker dan eenmaal met de hamer is geslagen. Dat ook vaker is geslagen met de hamer vindt bovendien steun in de geconstateerde letsels.

Opzet op de dood

Door de verdediging is verder aangevoerd dat geen sprake zou zijn geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank moet de handelwijze van verdachte en/of zijn mededaders naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op de dood van het slachtoffer omdat zij wilden wegvluchten, nadat zij door de bewoner werden betrapt bij een woninginbraak. Het is een algemene ervaringsregel dat delen van het hoofd dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarop met kracht met een slagwapen (zoals een hamer en of een koevoet) geweld wordt uitgeoefend, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft. Het slaan met een koevoet (door de mededader) en een hamer (door verdachte) op het hoofd van [slachtoffer] is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van fataal letsel, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken – niet anders kan dan dat verdachte en zijn mededader [medeverdachte 1] de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] hebben aanvaard. Onder deze omstandigheden en gezien de aard van de gedragingen is dan ook voldaan aan het vereiste van het voorwaardelijk opzet op de dood.

Medeplegen - de rol van verdachte

De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen van gekwalificeerde doodslag en gekwalificeerde (poging tot) diefstal. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat er een duidelijk plan was om in te breken en dat ook niet werd uitgesloten dat de bewoner thuis zou zijn. In de auto is immers besproken dat verdachten tie-wraps bij zich hadden, waaruit de rechtbank concludeert dat er wel degelijk rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat ze de bewoner zouden aantreffen. De nauwe en bewuste samenwerking volgt verder uit het feit dat verdachte en zijn mededaders samen naar de woning van [slachtoffer] zijn gegaan, dat zij een koevoet bij zich hadden, dat de groep zich in de woning heeft opgesplitst waarbij [medeverdachte 2] aanvankelijk bij de voordeur is blijven posten terwijl de andere twee, waaronder verdachte, de woning verder zijn binnen gegaan. Voorts volgt dat zij daartoe de deur hebben opengebroken en toen verdachte door het slachtoffer werd belaagd, verdachte en zijn medeverdachten met hem hebben geworsteld, waarbij het slachtoffer geslagen is en geschopt. Ook blijkt dat verdachte vervolgens het slachtoffer in bedwang heeft gehouden, waarna [medeverdachte 1] de woning verder is gaan doorzoeken en toen het slachtoffer zich bleef verzetten, hij meermalen op zijn hoofd is geslagen met de koevoet door [medeverdachte 1] en een hamer door verdachte.

De vervolgvraag is dan of ook sprake is geweest van medeplegen ten aanzien van de gekwalificeerde doodslag. Hoewel niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de fatale klap heeft gegeven, is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte het slachtoffer in bedwang hield en samen met [medeverdachte 1] het fatale letsel heeft toegebracht. Net als de officier van justitie maakt de rechtbank geen onderscheid tussen de fatale klap en de overige klappen met de hamer en de koevoet, nu de volgordelijkheid van de letsels niet is vast te stellen en ook niet is vast te stellen welk specifieke letsel het slachtoffer uiteindelijk fataal is geworden. De opzet was gelet op voorgaande naar het oordeel van de rechtbank gericht op de samenwerking en op de bewezen verklaarde gedragingen.”

Het juridisch kader

2.7

De rechter die over de feiten oordeelt, bepaalt wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft zijn beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in het algemeen niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

De bespreking van het eerste middel

2.8

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat een wezenlijk punt is of de verdachte het slachtoffer met een hamer op het hoofd heeft geslagen. Volgens de stellers van het middel volgt dit alleen rechtstreeks uit de verklaringen van de [medeverdachte 1] . Namens de verdachte is in hoger beroep aangevoerd dat diens verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof is van dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt afgeweken zonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Niet wordt uitgelegd waarin steun kan worden gevonden voor de stelling dat de verdachte het slachtoffer met een hamer op het hoofd heeft geslagen. Gelet op de aard van het aan de orde gestelde onderwerp, alsmede de indringendheid van de aangevoerde argumenten, had het hof moeten verduidelijken waarom de verklaringen van de [medeverdachte 1] wel tot het bewijs kunnen worden gebezigd, aldus de stellers van het middel.

2.9

In hoger beroep is door de raadsman van de verdachte gemotiveerd naar voren gebracht dat de verklaringen van de [medeverdachte 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat – kort gezegd – die verklaringen inconsistent en ongeloofwaardig zijn.

2.10

Het verweer van de raadsman dient te worden verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof heeft in weerwil van dat standpunt de verklaringen van de [medeverdachte 1] voor het bewijs gebruikt. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat die verklaringen betrouwbaar zijn. Daarnaast heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het gepasseerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zijn weerlegging vindt in de bewijsvoering. In cassatie komt het aan op de begrijpelijkheid van die (kennelijke) oordelen van het hof.

2.11

Het hof heeft overwogen dat uit de verklaringen van de [medeverdachte 1] blijkt dat de verdachte het slachtoffer meermalen met een hamer op het hoofd heeft geslagen. Dit vindt steun in de voor het bewijs gebezigde geluidsopnames die kort na het feit door één van de medeverdachten ( [medeverdachte 3] ) heimelijk zijn gemaakt. Op het moment dat die geluidsopnames werden gemaakt, wisten de verdachte en de [medeverdachte 1] niet dat hun gesprek met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] werd opgenomen. Zij konden zich onbespied wanen en vrijuit spreken. Uit de opnames blijkt dat er concrete (dader)informatie is besproken over ieders eigen rol bij het uitgeoefende geweld. Op de opnames wordt gesproken over het slaan met een hamer en een koevoet op het hoofd van het slachtoffer. Te horen is dat NN1, waarvan het hof heeft vastgesteld dat het [medeverdachte 1] is, zegt “jij hebt hem 80 keer met die hamer geslagen”. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dit heeft gezegd tegen de verdachte. Dat meer dan eenmaal met een hamer is geslagen vindt steun in het geconstateerde letsel van het slachtoffer. Verder blijkt uit het door het hof tot het bewijs gebezigde verhoor van de [medeverdachte 3] van 24 januari 2022 dat de verdachte aan [medeverdachte 3] heeft verteld dat hij met een hamer heeft geslagen.

2.12

Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verklaring van de [medeverdachte 1] dat de verdachte met een hamer op het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen, betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt, is – mede gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijs door de feitenrechter – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

2.13

Het middel faalt.

3 Het tweede middel

3.1

In het tweede middel wordt geklaagd over “[s]chending van het recht en/of verzuim van vormen, in het bijzonder art. 6 EVRM, nu de redelijke (inzendings)termijn in cassatie is geschonden.”

De bespreking van het tweede middel

3.2

Namens de verdachte is op 16 juli 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2025 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van zes maanden, die geldt in zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, met ruim negen maanden overschreden. Ik merk op dat inmiddels ook de termijn van veertien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad.

3.3

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat ook om die reden de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden.

3.4

Een en ander dient te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.

3.5

Het middel slaagt.

4 Slotsom

4.1

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het tweede middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

De kwalificatie luidt: “medeplegen van doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.” De kwalificatie luidt: “medeplegen van poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.” De kwalificatie luidt: “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.” Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma. Zie ook HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov. 2.3 en A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 328. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.2. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.14-3.16. Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.