Strafrecht overig

Conclusie AG. Veroordeling wegens o.a. medeplegen van diefstal d.m.v. valse sleutel. Middel klaagt over door…

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
25/02024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:892
E-mail

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling wegens o.a. medeplegen van diefstal d.m.v. valse sleutel. Middel klaagt over door hof toegewezen vordering benadeelde partij t.a.v. post 'sieraden', welke post door benadeelde partij is geschat met behulp van ChatGPT en welke schatting hof heeft gevolgd. AG staat stil bij vraag of en zo ja, op welke manier een 'AI-tool' kan worden gebruikt bij onderbouwing vordering benadeelde partij en of hof zijn schatting zonder nadere motivering op een berekening die is gebaseerd op een 'AI-tool' mag baseren. AG is van oordeel dat het hof toewijzing vordering benadeelde partij onvoldoende met redenen heeft omkleed en dat middel slaagt. De conclusie strekt tot vernietiging van uitspraak hof, maar uitsluitend m.b.t. beslissing op vordering benadeelde partij en oplegging schadevergoedingsmaatregel, tot partiële terugwijzing zaak, tot verwerping van beroep voor het overige en tot eventuele constatering van schending redelijke termijn berechting in cassatiefase.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02024 J

Zitting 22 september 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 mei 2025 het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Limburg met verbeterde lezing van het in de zaak met parketnummer 03-180827-24 onder feit 3 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde en onder verbetering en aanvulling van gronden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte vervolgens wegens

- in de zaak met parketnummer 03-180827-24:
onder 1 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel”,
onder 2 “niet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden” en
onder 3 primair “medeplegen van oplichting”, en

- in de zaak met parketnummer 03-066760-24:
- onder 1 primair “overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994”, en
- onder 2 “overtreding van artikel 110 van de Wegenverkeerswet 1994”,

veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, een taakstraf, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden. Het hof heeft tevens beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals nader in het arrest bepaald.

1.2

Namens de verdachte heeft B.M.A. Jegers, advocaat in Heerlen, één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel richt zich tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Het klaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk is, nu de waardeschatting van sieraden in die vordering op ChatGPT is gebaseerd. Het klaagt verder dat de beslissing van het hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat het hof deze waardeschatting zonder nader onderzoek of deugdelijke motivering tot uitgangspunt heeft genomen.

2.2

De vordering van de benadeelde partij heeft onder meer betrekking op gestolen sieraden (post V). De waarde van die sieraden is door de benadeelde partij geschat op een bedrag van € 49.874,00. Bij die schatting heeft de benadeelde partij met behulp van ChatGPT rekening gehouden met de verandering van de goudprijs en inflatiecorrectie.

2.3

De benadeelde partij heeft als bijlage bij de vordering de volgende voorbeelduitwerking van ChatGPT gevoegd:

“Om te berekenen wat een 18 karaats gouden armband die in 1983 4000 gulden kostte, nu zou kosten, moeten we rekening houden met twee factoren: de inflatie en de verandering in de goudprijs.

1 Inflatiecorrectie:

Om de waarde van 4000 gulden in 1983 om te rekenen naar euro's nu, moeten we eerst de gulden omrekenen naar euro's en dan de inflatie toepassen.

In 1983 was 1 euro gelijk aan 2,20371 gulden. Dus 4000 gulden is gelijk aan ongeveer €1815,12.

Vervolgens moeten we deze waarde aanpassen voor inflatie. Hiervoor kunnen we een inflatiecalculator gebruiken die de waarde van geld over de tijd heen bijhoudt. Stel dat de gemiddelde inflatie in Nederland sinds 1983 ongeveer 2,5% per jaar is geweest (dit is een grove schatting, de werkelijke inflatie kan verschillen).

Benaderde inflatieberekening :

De waarde van €1815,12 in 1983 zou in 2023 ongeveer het volgende zijn:

Nieuwe waarde = Oude waarde x (1+inflatie)jaren […]

Dit kunnen we nu berekenen, en daarna vergelijken met de huidige goudprijs.

2 Verandering in goudprijs:

De goudprijs is een andere belangrijke factor. De waarde van goud fluctueert aanzienlijk over de tijd. De goudprijs in 1983 was anders dan die van vandaag. De huidige goudprijs zou moeten worden toegepast om te zien hoeveel de armband zou kosten als hij hetzelfde gewicht en zuiverheid had.

Laten we deze berekeningen nu uitvoeren.

De waarde van €1815,12 in 1983 zou, gecorrigeerd voor inflatie, nu ongeveer €4873,71 bedragen.

Dit is de geschatte waarde gebaseerd op inflatie alleen. Om een nauwkeurige schatting te geven van wat de armband tegenwoordig zou kosten, moeten we ook rekening houden met de huidige goudprijs in vergelijking met die van 1983. Dat zou een preciezer beeld geven van de waarde van de armband vandaag.

4o

You said :

wat was de goedprijs in 1983 en de goedprijs in 2024

ChatGPT said :

ChatGPT

Hier zijn de historische goudprijzen:

Goudprijs in 1983:

In 1983 lag de gemiddelde goudprijs rond de $424 per troy ounce.

Goudprijs in 2024:

De huidige goudprijs (in 2024) schommelt rond de $1900 - $2000 per troy ounce.

Met deze gegevens kunnen we de verandering in de goudprijs berekenen en deze toepassen op de waarde van de gouden armband. Wil je dat ik dit voor je bereken?

4o

You said :

ja graag

ChatGPT said :

ChatGPT

Als we rekening houden met de verandering in de goudprijs, zou de 18 karaats gouden armband die in 1983 4000 gulden kostte, nu ongeveer €8347,84 waard zijn.

Deze berekening combineert zowel de inflatie als de stijging van de goudprijs om een nauwkeurige schatting te geven van de huidige waarde.”

2.4

Het hof heeft met betrekking de vordering van de benadeelde partij – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:

“Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Ten aanzien van de gevorderde kostenposten overweegt het hof als volgt.

[…]

Kostenpost V

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om de vordering ten aanzien van kostenpost V niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze kostenpost onvoldoende is onderbouwd. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat slechts een gedeelte van de opgegeven sieraden met stukken is onderbouwd en niet vastgesteld kan worden dat alle sieraden in rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde. Daarnaast heeft de raadsman de betrouwbaarheid betwist van de wijze waarop de benadeelde partij de huidige waarde heeft ingeschat.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat deze kostenpost voldoende is onderbouwd en in voldoende rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij de hoeveelheid weggenomen sieraden grotendeels heeft onderbouwd met de bijbehorende aankoopbonnen en de oorspronkelijke taxatierapporten. Slechts een klein gedeelte van deze kostenpost heeft de benadeelde partij niet met nadere stukken kunnen onderbouwen. Het hof ziet echter geen enkele reden te veronderstellen dat de benadeelde partij een grotere hoeveelheid aan sieraden heeft opgegeven in de vordering dan die daadwerkelijk zijn weggenomen door de verdachte, temeer nu het hof uit de overgelegde taxatierapporten is gebleken dat de benadeelde partij ook een aantal sieraden daarin welbewust niet in de gevorderde schade heeft opgenomen. Gelet hierop acht het hof het niet aannemelijk dat de benadeelde partij de gevorderde kostenpost op onjuiste gronden heeft ingediend en toewijzing daarvan komt daarom niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

De benadeelde partij heeft de huidige waarde van de gestolen sieraden geschat op een bedrag van € 49.874,00 en heeft deze schatting uitgebreid onderbouwd in de vordering. Nu de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof gebruik maken van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof ziet, met name gelet op de onderbouwing van de benadeelde partij, voldoende aanleiding om de door de benadeelde partij geleden schade wegens de gestolen sieraden tevens te schatten op het bedrag van € 49.874,00.”

2.5

In zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019 overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij onder meer het volgende (met weglating van voetnoten):

“Beoordeling en beslissing rechter

2.8.1

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

[…]

2.8.6

Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.

(…)

2.8.7.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten.”

2.6

Het middel klaagt – zoals al aangegeven – dat het hof in strijd met art. 361 lid 4 juncto art. 359 lid 2 Sv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is, nu de waardeschatting van de gestolen sieraden door de benadeelde partij is gebaseerd op ChatGPT, alsmede dat het hof deze waardeschatting zonder nader onderzoek of deugdelijke motivering tot uitgangspunt heeft genomen. Het middel raakt in de kern aan een ontwikkeling van het gebruik van ChatGPT in processtukken. Voor zover ik kan overzien, heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich daarover niet eerder uitgelaten.

2.7

De eerste klacht is gebaseerd op de veronderstelling dat art. 359 lid 2 Sv van toepassing is op de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en faalt daarmee. De bewijsregels van het strafprocesrecht zijn immers niet van toepassing op de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij. Maatgevend zijn de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken.

2.8

De steller van het middel doet daarnaast een beroep op art. 361 lid 4 Sv. Deze bepaling schrijft in samenhang met 415 lid 1 Sv voor dat de beslissing over de vordering van de benadeelde partij door het hof met redenen wordt omkleed.

2.9

Alvorens ik inga op de motivering van de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij betreffende de gestolen sieraden, sta ik stil bij hetgeen de benadeelde partij aan die vordering ten grondslag heeft gelegd en hetgeen daartegen is ingebracht.

2.10

Door de benadeelde partij is een bedrag van in totaal € 49.874,00 gevorderd in verband met door de verdachte gestolen sieraden. Die vordering is opgebouwd uit vijftien schadeposten. Elf schadeposten betreffen in gulden aangekochte dan wel in 1983 getaxeerde sieraden. Daarvan zijn facturen en een taxatierapport overgelegd. Aan de vordering terzake van deze sieraden ligt een berekening ten grondslag waarbij als vertrekpunt is genomen de taxatiewaarde of (de al dan niet geschatte) aanschafprijs van de betreffende sieraden in gulden, waarna ChatGPT heeft berekend wat de sieraden in euro waard waren ten tijde van het bewezenverklaarde. Daarbij heeft ChatGPT rekening gehouden met de verandering van de goudprijs en een grove schatting van de gemiddelde inflatie in Nederland sinds het jaar van aanschaf of taxatie (ongeveer 2,5% per jaar). Bij de vordering is de onder randnummer 2.3 van deze conclusie weergegeven voorbeeldberekening van ChatGPT gevoegd. Ten aanzien van de overige schadeposten is de waarde overwegend geschat, omdat daarvan geen factuur beschikbaar was. In hoeverre ChatGPT hierbij een rol heeft gespeeld, is mij niet duidelijk.

2.11

De verdediging heeft in hoger beroep onder meer de betrouwbaarheid betwist van de wijze waarop de benadeelde partij de huidige waarde van de sieraden heeft ingeschat. Daaraan is ten grondslag gelegd dat daarbij geen deskundige betrokken is geweest en ChatGPT geen betrouwbare bron is, nu een dergelijk systeem ook fouten kan maken.

2.12

Omdat het schadebedrag niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, heeft het hof voor de vaststelling van de omvang van de geleden schade gebruik gemaakt van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof heeft, gelet op de onderbouwing van de vordering door de benadeelde partij, voldoende aanleiding gezien om de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade wegens de gestolen sieraden te schatten op een bedrag van € 49.874,00.

2.13

In beginsel verzet geen rechtsregel zich ertegen dat een benadeelde partij bij de onderbouwing van haar vordering gebruik maakt van een ‘AI-tool’, zoals ChatGPT. Wel is het dan naar mijn oordeel van belang dat de berekening voldoende inzichtelijk en controleerbaar is voor de overige procespartijen en de rechter. In het verlengde daarvan dient de strafrechter zich ervan te vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen.

2.14

Hoewel het hof de hoogte van de toewijzing van de vordering wat betreft de sieraden niet direct heeft gebaseerd op de berekening van de benadeelde partij, maar op een schatting van het hof, heeft het hof bij die schatting onmiskenbaar de door de benadeelde partij voorgestelde en deels op ChatGPT gebaseerde berekening gevolgd door de schade eveneens te schatten op een bedrag van € 49.874,00.

2.15

Het hof heeft zijn schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 BW gebruikt, hetgeen hem vrij stond nu de omvang van de schade niet nauwkeurig kon worden vastgesteld. Het hof dient in zijn motivering van die schatting zo veel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Het hof lijkt er bij zijn schatting van te zijn uitgegaan dat de door ChatGPT gehanteerde percentages en cijfers gebaseerd zijn op vaststaande feiten, terwijl de door de benadeelde partij overgelegde voorbeeldberekening van deze AI-tool – die overigens niet betrekking heeft op enig aan de vordering ten grondslag liggend gestolen sieraad – daarvoor geen enkele bron noemt en ook anderszins door de benadeelde partij geen gegevens zijn aangedragen die de percentages en cijfers die ChatGPT heeft gehanteerd, bevestigen. Daarbij komt dat de verdediging de vordering ten aanzien van de post sieraden heeft betwist door onder meer aan te voeren dat de waardebepaling middels gebruikmaking van ChatGPT onvoldoende betrouwbaar is. Al met al ben ik daarom van mening dat het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onvoldoende met redenen heeft omkleed.

2.16

Het middel slaagt.

2.17

Nu het middel ziet op de vraag tot welke omvang de schade kan worden toegewezen en daarmee raakt aan de grond waarop de verschuldigdheid van het in de opgelegde schadevergoedingsmaatregel begrepen schadebedrag is aangenomen, moet – ondanks dat het middel niet expliciet klaagt over de opgelegde schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag is opgelegd als de toegewezen vordering van de benadeelde partij – het voorgaande ook gevolgen hebben voor de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

3 Slotsom

3.1

Het middel slaagt.

3.2

Ambtshalve merk ik op dat voor zover de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep op 3 juni 2025, de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Als de overschrijding van de redelijke termijn kan worden beperkt tot minder dan één maand kan worden volstaan met de constatering daarvan. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

3.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, tot verwerping van het beroep voor het overige en tot eventuele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Parketnummer: 20-003230-24. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga. Zie daartoe het onder randnummer 2.5 van deze conclusie weergegeven overzichtsarrest onder r.o. 2.8.1. Het hof heeft op dit bedrag uiteindelijk € 12.595,00 in mindering gebracht, nu de verzekering dit bedrag reeds aan de benadeelde partij heeft betaald. Het hof heeft aldus de post ‘sieraden’ toegewezen tot een bedrag van € 39.312,55. In mijn oordeel dat noodzakelijk is dat de aan de vordering ten grondslag liggende berekening voldoende inzichtelijk en controleerbaar moet zijn, word ik gesterkt door de berichtgeving van ‘OpenAI’, het bedrijf achter ChatGPT, van 16 september 2026 waarin aan de orde komt dat er zes nieuwe gevallen zijn geweest van ‘unexpected or concerning model behavior’. De incidenten betroffen onder meer het verbergen van fouten en het verzinnen van informatie. Zie https://openai.com/index/model-misalignment-reporting-framework/ HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, r.o. 3.3.2. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.8.7 met verwijzing naar HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2965, rov. 3.7-3.8. Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, r.o. 2.3.3. Van een situatie als bedoeld in r.o. 2.3.2 van dit arrest is in de onderhavige zaak geen sprake, nu het middel niet steunt op de klacht dat ‘de strafrechter als gevolg van processuele beperkingen die aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak zijn gesteld, de vordering niet had mogen toewijzen’. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.2. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte gehouden is tot vergoeding van de materiële schade tot een bedrag van € 51.907,55, bestaande uit de post sieraden ad € 49.874,00 en drie andere posten ten bedrage van € 2.033,55. Het hof heeft vervolgens op het totaalbedrag van € 51.907,55 het door de verzekering uitgekeerde bedrag van € 12.595,00 in mindering gebracht. Dat heeft erin geresulteerd dat het hof de vordering tot een bedrag van € 39.312,55 heeft toegewezen. Nu uit het dossier niet blijkt op welke specifieke toegewezen post(en) het door de verzekering uitgekeerde bedrag betrekking heeft, kan naar mijn mening niet worden volstaan met de terugwijzing enkel voor wat betreft de post ‘sieraden’. Onduidelijk is immers of het door de verzekering uitgekeerde bedrag uitsluitend daarop betrekking heeft.