Strafrecht overig
Conclusie A-G. M2 schending art. 359.3 Sv opgave bewijsmiddelen (s.f. handelen in strijd met…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:908 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-908
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 24 september 2026
- Zaaknummer
- 24/04060
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:908
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie A-G. M2 schending art. 359.3 Sv opgave bewijsmiddelen (s.f. handelen in strijd met gedragsaanwijzing art. 184a Sr). Kennelijke oordeel hof dat verdachte het ten laste gelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is niet begrijpelijk. Daaraan kan niet afdoen dat raadsman geen grieven had tegen dit feit, nu procesopstelling raadsman niet dezelfde als die van verdachte lijkt te zijn geweest. Verder: M1 dat bewezenverklaring van bedreiging op verklaring van één getuige steunt (art. 342 lid 2 Sv), faalt. M3 klacht inzendingstermijn cassatie slaagt. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04060
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 28 oktober 2024 (rolnr. 22-003782-23) in de zaak met parketnummer 09-075006-23 veroordeeld wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, in de zaak met parketnummer 09-173550-23 veroordeeld wegens 1. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en in de zaak met parketnummer 09-188597-23 wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is onder meer veroordeeld voor het met de dood bedreigen van een bekende van hem, van het vernielen van de deur van haar woning en van het overtreden van een contactverbod met betrekking tot deze persoon. Het eerste middel betreft de klacht dat het hof de bewezenverklaring van de bedreiging op de verklaring van één getuige heeft doen steunen (art. 342 lid 2 Sv). In het tweede middel wordt geklaagd dat het hof heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv. Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Deze conclusie houdt in dat het eerste middel faalt en dat het tweede en het derde middel slagen.
3 Het eerste middel
Volgens het middel is de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 09-173550-23 onder 2 tenlastegelegde, te weten de bedreiging van [benadeelde] , niet naar de eis der wet met redenen omkleed, althans is het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging op ontoereikende dan wel onbegrijpelijke gronden verworpen. In het bijzonder wordt geklaagd dat de bewezenverklaring slechts steunt op de verklaring van één getuige en dat het oordeel van het hof dat er “voor de verklaring van de aangeefster over de bedreiging (...) voldoende wettig (steun)bewijs is” onjuist is, althans onbegrijpelijk.
Het hof heeft ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-173550-23 onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 13 juli 2023 te [geboorteplaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] dreigend de woorden toe te voegen dat hij haar dood gaat maken”
Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023217580-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 5-8):
als de op 13 juli 2023 afgelegde verklaring van [benadeelde] :
Ik wil aangifte doen van vernieling van mijn voordeur en van bedreiging. De vernieling en bedreiging is gepleegd door [verdachte] (het hof begrijpt verdachte).
Ik woon op de [a-straat 1] te [geboorteplaats] . Vandaag 13 juli 2023 was ik thuis. Ik hoorde dat er gebonsd werd tegen de voordeur. Ik hoorde dat [verdachte] aan het schreeuwen was, ik herkende direct zijn stem.
Ik hoorde dat hij tegen de deur aantrapte. Ik denk dat dit een keer of zes is geweest. Ik hoorde dat hij bleef schreeuwen. De deur is door het geweld wat hij heeft gebruikt opengebroken. Het nachtslot zat er nog op, daardoor kon hij niet naar binnen.
(...)
Ik hoorde dat hij zei dat hij mij dood zou gaan maken.
(...)
Ik zag dat mijn voordeur vernield was. Mijn deur sluit niet meer goed. Ik zag dat er een hele scheur in het houtwerk zat van de deurlijst. Hiervan zijn foto's gemaakt door de politie. Ik ben heel erg bang voor [verdachte] . Ik ben bang dat het nog niet klaar is. Ik schrik elke keer als ik geluid hoor bij de deur.
2. Een proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek d.d. 13 juli 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023217580-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 9-11):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 13 juli 2023 was ik, verbalisant, belast met het doen van een buurtonderzoek in de omgeving van de [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
Ik hoorde dat [getuige 1] , de bewoner van [a-straat 2] , verklaarde dat hij rond 09.00 uur een mannenstem heel hard hoorde schreeuwen. Hij herkende de stem van de dag ervoor en is gaan kijken om wie het ging. Het ging om een man met het volgende signalement:
- zwart haar
- blank
- shirt met korte mouwen
- spijkerbroek
[getuige 1] had gehoord dat de man had geschreeuwd dat hij de deur zou intrappen. Hij zag dat de man op de deur van [a-straat 1] aan het bonzen was.
Ik ben vervolgens naar [a-straat 3] gegaan. Hier deed [getuige 2] de deur open. Zij verklaarde dat zij heel hard geschreeuw hoorde rond 09.00 uur. Zij herkende de man en de stem van de dag ervoor. Zij durfde de voordeur niet open te doen, omdat de man heel hard stond te schreeuwen en te slaan op de deur. Zij verklaarde dat hij zo hard sloeg dat haar deur hier van aan het trillen was.
3. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 13 juli 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023217580-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 12-10):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 13 juli 2023 hoorde ik, verbalisant, dat er een man de deur van melder eruit aan het trappen zou zijn aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik, [verbalisant 1] , zag ook dat een collega van het Operationeel Centrum in de melding had geschreven dat zij hoorde dat er hard en stevig tegen de deur werd aangetrapt. Dit trappen zou gedaan worden door: ' [verdachte] '.
Op 13 juli 2023 om 09:35 uur waren wij ter plaatse bij de [a-straat 1] te [plaats] . Wij stonden beneden in de hal toen ik een man in de hal zag lopen welke ik ken als zijnde:
- - - [verdachte] GEBOREN [geboortedatum] 1975 TE [geboorteplaats] - - -
Ik, [verbalisant 1] , liep samen met collega [verbalisant 2] naar de melder welke woonachtig is op [a-straat 1] . Ik klopte op de deur waarop de deur geprobeerd werd open te doen. Ik hoorde de bewoonster, welke mij later bekend werd als [benadeelde] , zeggen dat de deur niet openging omdat het slot kapot was. Ik zag en hoorde dat ze de deur meerdere malen probeerde te openen maar dat dat niet lukte. Ik zag dat er kleine stukjes kozijn op de grond vielen bij het openen van de deur.
Gisteren 13 juli 2023 om 07:00 uur stonden wij ook voor deze woning en kon de deur nog normaal worden geopend.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsman voert het woord tot verdediging:
[…]
Ten aanzien van dagvaarding II heeft de officier van justitie in eerste aanleg vrijspraak bepleit voor de bedreiging. De rechtbank heeft er niet veel woorden aan vuil gemaakt. Er is slechts één persoon die gehoord heeft dat er geroepen is: “ik maak je dood”. Cliënt heeft verklaard dat hij daar was. Buurtbewoners geven aan dat cliënt tegen de deur gebonkt zou hebben en dat er geschreeuwd werd. Eén buurtbewoner zegt dat cliënt gezegd zou hebben dat hij de deur zou intrappen. De advocaat-generaal rekt de bewijsmiddelen wel erg op. Als buren stellen dat er lawaai is geweest, er op de deur is gebonkt en er geroepen zou zijn dat de deur ingetrapt zou worden, dat je dan kan construeren dat er sprake was van bedreiging. Het intrappen van een deur levert geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven op. De verdediging is van mening dat cliënt moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging. Cliënt is voorts van mening dat hij vrijgesproken dient te worden van de tenlastegelegde vernieling.
[…]
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en deelt daartoe mede:
Als het gaat om het bewijs van de bedreiging en vernieling, ik maak gebruik van wettige bewijsmiddelen die ook direct wijzen op het gedrag van de verdachte. Dat ze elkaar op onderdelen versterken noem ik geen geconstrueerd bewijs, maar een manier van kijken naar het bewijs. Het zijn wettige bewijsmiddelen voor deze feiten, waar het dan mogelijk op de overtuiging aankomt. Ik ben overtuigd; de verklaring van de verdachte overtuigt mij niet. Er is wat mij betreft wettig en overtuigend bewijs voor feit 2. […]
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daartoe mede:
Ten aanzien van de bedreiging wil ik opmerken dat het heel heftig is als iemand te horen krijgt: “ik ga je dood maken”. Zeker in een situatie waar er gesproken wordt met stemverheffing. Ik kan mij voorstellen dat buren daar op aan slaan. Dan ga ik er ook vanuit dat mensen dat melden bij het buurtonderzoek. Geen van de buren heeft dat echter gehoord. Als het gaat om de overtuiging, dan gaat het te ver om te stellen dat het toch zo kan zijn dat die specifieke woorden zijn gezegd door cliënt.”
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-173550-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging en vernieling. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er slechts één persoon is geweest die heeft gehoord dat er is geroepen: “Ik maak je dood.” Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de buurtbewoners wel lawaai hebben gehoord, maar dat niemand heeft gezien dat de verdachte tegen de deur trapte.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat de bepaling dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, juist is. Dit heeft echter betrekking op de tenlastelegging in haar geheel. Niet elk onderdeel daarvan hoeft met meerdere bewijsmiddelen te worden gedekt.
Vaststaat dat de verdachte op 13 juli 2023 voor de voordeur van de flatwoning aan de [a-straat 1] aanwezig was. De aangeefster [benadeelde] heeft verklaard dat verdachte toen haar deur heeft vernield en dat hij haar heeft bedreigd met de woorden "dat hij haar dood zou maken". Uit het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek volgt dat de [getuige 1] (de bewoner van [a-straat 2] ) heeft verklaard dat hij een mannenstem heel hard hoorde schreeuwen, dat de man schreeuwde dat hij de deur zou intrappen en dat hij zag dat de man op de deur van [a-straat 1] aan het bonzen was. De [getuige 2] (de bewoonster van [a-straat 3] ), heeft ook verklaard dat zij een man heel hard hoorde schreeuwen en slaan op de deur. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de man zo hard sloeg dat haar deur hiervan aan het trillen was. De verbalisanten die op 13 juli 2023 ter plaatse zijn geweest hebben vastgesteld dat de voordeur van flat [a-straat 1] door de aangeefster niet geopend kon worden en dat zij haar hoorde zeggen dat het slot kapot was. Zij zagen dat er stukjes kozijn op de grond vielen bij het (met kracht) openen van de deur. Zij hebben voorts verklaard dat zij een dag eerder ook voor de deur stonden en dat de deur toen wel normaal kon worden geopend.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er voor de verklaring van de aangeefster over de bedreiging en de vernieling voldoende wettig (steun)bewijs is. Dat de getuigen niet verklaren over de door aangeefster genoemde exacte woorden van de bedreiging maakt dat niet anders.”
Het gaat in de onderhavige zaak in cassatie om de vraag of de bewijsvoering van het hof voldoet aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv. De Hoge Raad hanteert met betrekking tot dit bewijsminimum de volgende vooropstelling:
“Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.”
Het in deze vooropstelling bedoelde steunbewijs hoeft geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het kan ook voldoende zijn dat de tweede bewijsgrond een tamelijk ondergeschikt onderdeel van de unus-verklaring ondersteunt, zolang het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staat van de bewezenverklaarde gedraging.
Het hof heeft met juistheid vooropgesteld dat de bepaling dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, maar dat dit evenwel betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en dat niet elk onderdeel daarvan met meerdere bewijsmiddelen behoeft te worden gedekt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat er voldoende wettig (steun)bewijs is voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar heeft bedreigd met de woorden “dat hij haar dood zou maken” en heeft daarbij overwogen dat de omstandigheid dat de getuigen niet hebben verklaard over de door de aangeefster genoemde “exacte woorden van de bedreiging” dat niet anders maakt. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting over art. 342 lid 2 Sv. Dat oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd – ook in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer – gelet op (a) de omstandigheid dát het hof zijn oordeel nader heeft gemotiveerd en (b) de daarbij door het hof in aanmerking genomen (en tevens uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende) vaststellingen, die kort gezegd inhouden:
(i) dat de verdachte op 13 juli 2023 op de plaats delict aanwezig was;
(ii) dat uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat de verdachte haar niet alleen heeft bedreigd maar ook haar deur heeft vernield;
(iii) dat een getuige heeft verklaard dat hij een mannenstem heel hard hoorde schreeuwen en dat de man schreeuwde dat hij de deur zou intrappen en dat deze getuige zag dat de man op de deur aan het bonzen was;
(iv) dat een getuige heeft verklaard dat zij een man heel hard hoorde schreeuwen en dat deze man zo hard op de deur sloeg dat haar deur hiervan aan het trillen was en
(v) dat verbalisanten hebben vastgesteld (a) dat de deur van de flat van de aangeefster een dag voorafgaande aan het bewezen verklaarde feit kon worden geopend maar een dag later niet meer door de aangeefster kon worden geopend en (b) dat er stukjes kozijn op de grond vielen bij het (met kracht) openen van de deur.
Het middel faalt.
4 Het tweede middel
Het middel bevat de klacht dat dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 2 ten laste gelegde (kort gezegd: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing c.q. contactverbod) ten onrechte heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv, althans dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg een duidelijke en ondubbelzinnige bekennende verklaring in de zin van art. 359 lid 3 Sv betreft, niet zonder meer begrijpelijk is. Er is immers geen sprake van een duidelijke en ondubbelzinnige bekennende verklaring van de verdachte die alle onderdelen van de tenlastelegging respectievelijk bewezenverklaring betreft, aldus het middel.
Het hof heeft ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 13 juli 2023 tot en met 28 juli 2023 te [geboorteplaats] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 13 juli 2023, gegeven door de officier van justitie te [plaats] , inhoudende (onder andere) een contactverbod (zowel direct als indirect) met [benadeelde] door
- meermalen telefonisch contact op te nemen met die [benadeelde] en
- meerdere WhatsApp-berichten te versturen naar die [benadeelde] .”
De aanvulling op het verkorte arrest, houdende de bewijsmiddelen, houdt onder meer het volgende in:
“Opgave bewijsmiddelen
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde (dagvaarding III):
Nu de verdachte de in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en hij of zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, zal het hof – ingevolge het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering – met een opgave van de bewijsmiddelen volstaan.
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 november 2023;
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023218949-3 (p. 5-7), inhoudende de verklaring van aangeefster [benadeelde] ;
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023218973-2 (p. 8);
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juli 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023218973-9 (p. 14).
5. Een geschrift, te weten een gedragsaanwijzing (art. 509hh Sv) d.d. 13 juli 2023 (p. 45-46)
De bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 november 2023 houdt onder meer in:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
[…]
De voorzitter bespreekt met mij de beide feiten van dagvaarding III.
[…]
Wat betreft feit 2 was het contactverbod warrig. Ik heb geen contact gezocht met aangeefster. Zij is naar mij komen fietsen. Zij heeft gezegd: “Ik heb hier geld en breng het naar je toe.”
De voorzitter houdt mij voor dat sinds het contactverbod van 13 juli 2023 er 24 keer contact is geweest. Dat zou goed kunnen, er zijn ook appjes en foto’s gestuurd van het geld dat zij had; appjes waarin zij met andere woorden aangeeft: hier heb ik de centjes en zal die naar je toebrengen. Het klopt dat zij mij heeft gevraagd hoe laat ik er ben. Dat is normaal verlopen.
De voorzitter houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik het contactverbod niet heb overtreden. Als het zo is dat ik haar had moeten wegsturen dan heb ik het contact verbroken. Ik dacht dat zij wel contact met mij mocht opnemen.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging.
De raadsman stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden verklaard […] de bij dagvaarding III onder […] 2 ten laste gelegde […] overtreding van het contactverbod.”
Blijkens het vonnis van de rechtbank is de verdachte ook in eerste aanleg veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 2 ten laste gelegde feit. Ook de rechtbank heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv. Zij heeft daarbij overwogen dat de verdachte het feit heeft bekend en daarna niet anders heeft verklaard en dat de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit. Het hof merkt de dagvaarding in de zaak met parketnummer 09-188597-23 aan als dagvaarding III.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.
De raadsman deelt in aanvulling daarop mede:
[…] Ten aanzien van dagvaarding III zijn er geen grieven.
[…]
De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
[…] Ik heb nooit meer contact met haar gehad. Toen ik een contactverbod had met haar, heeft zij contact met mij gezocht en is naar mij toe gekomen.
[…]
De voorzitter stelt vast dat de verdediging geen grieven heeft met betrekking tot dagvaarding III.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging:
[…] Als het hof de verdediging volgt, dan is de verdediging van mening dat de vrijspraak ook gevolgen moet hebben in het kader van de strafmaat ten aanzien van dagvaarding III. Het contactverbod was opgelegd voor de feiten die in dagvaarding II ten laste zijn gelegd. Als cliënt wordt vrijgesproken van dagvaarding II, dient dat ook gevolgen te hebben voor de strafmaat. Daarnaast concludeert de rechtbank dat [benadeelde] zich niet onbetuigd heeft gelaten. Zij heeft contact gezocht met cliënt.”
Art. 359 lid 3 Sv luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
Blijkens de toelichting op het middel wordt in het bijzonder over het volgende geklaagd. De ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte betreft niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde feit. De verklaring houdt namelijk niet in dat hij erkent dat hij, in de bewezenverklaarde periode te [geboorteplaats] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing d.d. 13 juli 2023 door contact op te nemen met [benadeelde] . Daardoor is het kennelijke oordeel dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 2 bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend in de zin van art. 359 lid 3 Sv niet zonder meer begrijpelijk. Met name nu de desbetreffende verklaring zelfs expliciet inhoudt dat de verdachte het contactverbod warrig vond, dat hij geen contact heeft gezocht met de aangeefster, dat zij contact met hem had gezocht, dat hij dacht dat zij wel contact met hem mocht opnemen en dat hij bij de politie had verklaard dat hij het contactverbod niet had overtreden.
Ik stel het volgende voorop. Op grond van art. 359 lid 3 Sv kan slechts worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de – in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen – uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring. De enkele omstandigheid dat de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring niet met zoveel woorden alle onderdelen van de bewezenverklaring bestrijkt, behoeft niet te betekenen dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft bekend. Bij de beantwoording van de vraag of van een bekennende verklaring sprake is, kan in het bijzonder van belang zijn of die verklaring tevens elementen bevat die de tenlastelegging op een of meer onderdelen bestrijden, alsmede welke procesopstelling de verdachte heeft gekozen, waarbij in verband met het voortbouwend appel met name betekenis toekomt aan zijn procesopstelling in hoger beroep.
De onder 4.4 weergegeven in eerste aanleg ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring houdt in (a) dat hij het contactverbod “warrig” vond, (b) dat hij geen contact heeft gezocht met de aangeefster, (c) dat hetgeen de voorzitter van het hof hem voorhoudt – te weten dat sinds het contactverbod van 13 juli 2023 er 24 keer contact is geweest – goed zou kunnen, dat er “ook appjes en foto’s [zijn] gestuurd van het geld dat zij had; appjes waarin zij met andere woorden aangeeft: hier heb ik de centjes en zal die naar je toebrengen”, (d) dat het klopt dat zij hem heeft gevraagd hoe laat hij er is en dat dat normaal is verlopen en (e) dat hij dacht dat zij wel contact met hem mocht opnemen. Ter terechtzitting in hoger beroep op 14 oktober 2024 is de verdachte hierop niet teruggekomen maar heeft hij onder meer verklaard: “Ik heb nooit meer contact met haar gehad. Toen ik een contactverbod had met haar, heeft zij contact met mij gezocht en is naar mij toe gekomen” (zie onder 4.6). Gelet daarop is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte het ten laste gelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, niet begrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat de verklaring van de verdachte weliswaar inhoudt dat “er” appjes en foto’s zijn gestuurd, maar niet dat hij dat ook zelf heeft gedaan, noch dat hij naar de aangeefster heeft gebeld, zoals is bewezen verklaard, laat staan dat die verklaring inhoudt dat hij opzettelijk in strijd met het contactverbod contact heeft gezocht met de aangeefster. De verklaring bevat bovendien elementen die de tenlastelegging op onderdelen bestrijden.
Aan het voorgaande kan niet afdoen dat uit de hiervoor onder 4.6 weergegeven inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt (i) dat de verdediging de door de rechtbank gebezigde bewijsvoering en haar oordeel dat de verdachte het betreffende bewezen verklaarde feit heeft bekend, niet heeft bestreden, (ii) dat de raadsman heeft medegedeeld dat er “ten aanzien van dagvaarding III” geen grieven zijn, terwijl deze dagvaarding betrekking heeft op onder meer het in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 2 ten laste gelegde feit en (iii) dat de raadsman heeft aangevoerd dat als de verdachte wordt vrijgesproken van dagvaarding II, dat gevolgen dient te hebben voor de strafmaat ten aanzien van dagvaarding III. Daarbij neem ik in aanmerking dat de procesopstelling van de raadsman niet dezelfde als die van de verdachte lijkt te zijn geweest, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – zoals opgemerkt – heeft verklaard dat hij “nooit meer” contact met de aangeefster heeft gehad en dat zij tijdens het contactverbod contact met hem heeft gezocht en naar hem is toegekomen, welke verklaring moeilijk als iets anders dan als een ontkenning van het hier aan de orde zijnde ten laste gelegde feit kan worden beschouwd.
Het middel is terecht voorgesteld.
5 Het derde middel
Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Namens de verdachte is op 1 november 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 24 juli 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
Indien de Hoge Raad mij volgt in mijn conclusie dat het tweede middel moet leiden tot (gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, zal dit punt over de redelijke termijn bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kunnen worden gesteld.
6 Afronding
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het tweede en het derde middel slagen.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 09-188597-23 onder 2 ten laste gelegde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G