Strafrecht overig

Conclusie AG. Verstekverlening (art. 280 lid 1 Sv) ondanks voorafgaand aan de zitting gedaan en akkoord…

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
25 september 2026
Zaaknummer
25/01813
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:922
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Verstekverlening (art. 280 lid 1 Sv) ondanks voorafgaand aan de zitting gedaan en akkoord bevonden aanhoudingsverzoek. Die beslissing heeft de vrz. strafkamer die arrest heeft gewezen evenwel niet bereikt. AG is van oordeel dat verstekverlening achteraf bezien ten onrechte is geschied. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01813

Zitting 29 september 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 17 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een geldboete van € 500, subsidiair 10 dagen hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 69 dagen opgelegd met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

1.2

Namens de verdachte heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Op 17 maart 2025 heeft het hof de verdachte bij verstek veroordeeld. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep is in persoon aan de verdachte betekend, zodat de verdachte in beginsel binnen 14 dagen na het wijzen van arrest beroep in cassatie had moeten instellen, terwijl het cassatieberoep eerst op 12 mei 2025 is ingesteld.

2.2

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van cassatieberoep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

2.3

In de onderhavige zaak speelt het volgende. Blijkens een zich in het cassatiedossier bevindende brief van de teamvoorzitter strafrecht van het hof aan de griffier van de Hoge Raad heeft de verdachte op 2 mei 2025 meerdere malen contact gehad met het hof en heeft hij zich beklaagd over de gang van zaken, omdat hem voorafgaand aan de behandeling van zijn zaak op 17 maart 2025 door het hof is toegezegd dat zijn aanhoudingsverzoek zou worden gehonoreerd en dat de nieuwe behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden op 12 mei 2025. In die veronderstelling is hij niet op 17 maart 2025 ter terechtzitting verschenen en heeft hij geen cassatie ingesteld binnen de wettelijke termijn.

2.4

Uit voormelde brief blijkt verder dat de teamvoorzitter strafrecht naar aanleiding van het voorgaande onderzoek heeft gedaan. Hij meldt daarover:

“Uit informatie van de griffier resp. de interne notities is mij gebleken dat de verdachte op 26 januari 2025 heeft verzocht om uitstel c.q. aanhouding van de behandeling van zijn zaak van 17 maart 2025. Dat verzoek is voorgelegd aan de voorzitter, waarmee deze vervolgens akkoord is gegaan. Aan de verdachte is toen op 27 januari per e-mail medegedeeld:

Geachte [verdachte] ,

Dank voor uw bericht. Het Hof is akkoord met uw verzoek. De zaak zal op 17 maart 2025 geen doorgang vinden. Uw zaak is nu gepland voor 12 mei 2025 te 09:35 uur. Hier krijgt u te zijner tijd nog een oproep voor.

Deze beslissing over de aanhouding en nieuwe zittingsdatum is door een administratieve misslag niet opgenomen in het (digitale) dossier, als gevolg waarvan die beslissing ter terechtzitting van 17 maart 2025, alwaar de verdachte niet is verschenen, helaas is gemist door de voorzitter. De zaak is vervolgens afgedaan, zoals hiervoor vermeld.”

2.5

Gelet op het voorgaande kan aan de verdachte niet worden tegengeworpen dat hij niet binnen 14 dagen na 17 maart 2025 beroep in cassatie heeft ingesteld. De omstandigheden van het geval maken deze overschrijding van de termijn verontschuldigbaar. Verder moet het er – bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel – voor worden gehouden dat de verdachte op 2 mei 2025 op de hoogte is geraakt van het tegen hem gewezen arrest, waarna hij vervolgens – binnen 14 dagen – op 9 mei 2025 beroep in cassatie heeft ingesteld.

2.6

Aldus kan de verdachte worden ontvangen in zijn beroep.

3 Het middel

3.1

Het middel bevat de klacht dat door het hof ten onrechte verstek is verleend en het aanwezigheidsrecht van de verdachte daarmee is geschonden.

3.2

De verdachte is bij vonnis van de politierechter van 10 oktober 2024 veroordeeld tot straf, tegen welk vonnis hij op 23 oktober 2024 hoger beroep heeft ingesteld. De verdachte is vervolgens gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep, die op 17 maart 2025 zou gaan plaatsvinden.

3.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2025 vermeldt het volgende:

“Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer voor strafzaken, op 17 maart 2025.

[…]

De verdachte genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [plaats],

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.

De voorzitter houdt kort de inhoud van de zaak voor.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte bij schriftuur houdende grieven d.d. 23 oktober 2024 te kennen heeft gegeven dat de grieven zich richten tegen de bewezenverklaring en de strafmaat.

De voorzitter houdt kort de stukken voor van de zaak voor zover betrekking hebbend op het tenlastegelegde.

[…]

Desgevraagd deelt de advocaat-generaal mede dat de persoonlijke omstandigheden voldoende zijn besproken en dat alle stukken in het dossier op dit punt bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd.

[…]

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.

De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit.”

3.4

Zoals onder randnummer 2.3 van deze conclusie is weergegeven, is een door de verdachte gedaan aanhoudingsverzoek betreffende de terechtzitting van 17 maart 2025 op voorhand gehonoreerd en is hem medegedeeld dat de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting op 12 mei 2025. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2025 is verstek verleend tegen de verdachte en is de zaak inhoudelijk behandeld en afgedaan. Blijkens het schrijven van de teamvoorzitter strafrecht van het hof heeft de beslissing dat de zaak op voorhand is aangehouden de voorzitter van de strafkamer die het arrest heeft gewezen niet bereikt.

3.5

Het vorenstaande brengt naar mijn oordeel mee dat de verstekverlening – achteraf bezien – ten onrechte heeft plaatsgevonden, zodat het middel terecht is voorgesteld.

4 Slotsom

4.1

Het middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Parketnummer: 20-002878-24. Vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, r.o. 3.3-3.4. Uit het proces-verbaal in deze zaak blijkt niet (expliciet) dat door de voorzitter verstek is verleend. Dat verstek is verleend volgt wel uit de kop van de aantekening mondeling arrest. De werkwijze van het hof brengt met zich dat eerst een aantekening mondeling arrest wordt opgemaakt, waarna – in het geval beroep in cassatie wordt ingesteld – het proces-verbaal wordt uitgewerkt. Dat in het later opgemaakte proces-verbaal niet is opgenomen dat er verstek is verleend, beschouw ik tegen die achtergrond als een misslag. Het verlenen van verstek a.b.i. 280 lid 1 Sv (in het hoger beroep van overeenkomstige toepassing) raakt aan het onderwerp berechting in absentia. Berechting op die manier is mogelijk in het geval dat afstand is gedaan van het aanwezigheidsrecht. Uit het niet verschijnen van een verdachte op de terechtzitting kan de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – afleiden dat door de verdachte (dus) afstand is gedaan van het aanwezigheidsrecht (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken onder 3.33). In de verstekverlening in de onderhavige zaak ligt daarmee het oordeel besloten dat door de verdachte afstand is gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.