Strafrecht overig

Conclusie AG. Beklag, verschoningsrecht (art. 98 jo. 125i Sv). Beslissing rechter-commissaris tot vrijgave…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
26/00478
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:944
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag, verschoningsrecht (art. 98 jo. 125i Sv). Beslissing rechter-commissaris tot vrijgave van bestanden waarover advocaten het standpunt hebben ingenomen dat hun verschoningsrecht zich daarover uitstrekt omdat aannemelijk is dat deze bestanden daadwerkelijk aan hen zouden worden toevertrouwd. Beklag ongegrond omdat oordeel van de rechter-commissaris, daarop gebaseerd dat deze bestanden bij filtering niet door zoektermen worden geraakt, niet onbegrijpelijk is. Middel klaagt terecht dat de rechtbank blijk geeft van een te beperkt toetsingskader en dat het oordeel van de rechtbank niet begrijpelijk is. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00478 Bv

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[klaagster] ,

kantoorhoudende aan [adres] ,

(hierna: de klaagster)

en

[klager]

kantoorhoudende aan [adres] ,

hierna gezamenlijk: de klagers.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 27 januari 2026 (parketnr. 81-114315-23, RK-nr. 25-027149) het door de klagers, beiden advocaat in Nederland, op grond van art. 98 lid 4 Sv in verbinding met art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard. Dit beklag was gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 30 oktober 2025.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klagers. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.3

Deze zaak heeft betrekking op het verschoningsrecht van advocaten (professioneel verschoningsgerechtigden) als bedoeld in art. 218 Sv waarbij onder een ander dan de professioneel verschoningsgerechtigde digitale gegevens met onder meer (potentieel) verschoningsgerechtigd materiaal in beslag zijn genomen. Voordat ik aan de bespreking van de zaak en het middel toekom, geef ik eerst de inhoud van de beslissing van de rechtbank Amsterdam weer, waarin ook het procesverloop naar voren komt.

2 De beslissing van de rechtbank op het beklag

2.1

De rechtbank heeft in haar beschikking van 27 januari 2026 het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“1. Feiten en procesverloop

1.1

De klagers, werkzaam bij [A] , zijn de advocaten van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), en staan hem bij inzake zijn fiscaal dispuut met de Belastingdienst.

1.2

[betrokkene 1] wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan:
- passieve niet-ambtelijke omkoping, strafbaar gesteld in artikel 328ter lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), over de periode 1 mei 2009 tot en met 28 februari 2023, en
- het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2022, strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

1.3

Op 30 september 2024 heeft in de woning van [betrokkene 1] een doorzoeking plaatsgevonden waarbij digitale-gegevensdragers, waaronder een laptop van [betrokkene 1] (HP Elitebook 850G5), in beslag genomen zijn.

1.4

[betrokkene 1] heeft tijdens de doorzoeking de rechter-commissaris geïnformeerd dat er geheimhoudersinformatie op deze laptop staat. Het Forensisch IT-team van de FIOD heeft vervolgens een kopie van de gegevens op de laptop gemaakt. De laptop is aan [betrokkene 1] geretourneerd.

1.5

Op 29 oktober 2024 heeft de officier van justitie in [onderzoek] bij de rechter-commissaris ex artikel 181 lid 1 in verbinding met 98 Sv een vordering ingediend om de (gekopieerde) inhoud van onder meer de laptop op verschoningsgerechtigde informatie te (laten) onderzoeken.

1.6

Op 30 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris de vordering van de officier van justitie toegewezen.

1.7

Op 4 december 2024 heeft het kabinet van de rechter-commissaris de klagers het volgende gemaild:

‘In het [onderzoek] naar uw cliënt [betrokkene 1] zijn tijdens de doorzoeking van zijn woning digitale-gegevensdragers in beslag genomen. Hierop bevinden zich mogelijk geheimhoudersstukken. De rechter-commissaris heeft bepaald dat de gegevensdragers pas aan het onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld nadat er een filtering op geheimhoudersstukken heeft plaatsgevonden. De filtering zal worden uitgevoerd door een geheimhoudersfunctionaris van de FIOD die niet bij het onderzoek in deze strafzaak noch bij een overkoepelend onderzoek of daaraan gelieerde onderzoeken betrokken is. Om deze filtering uit te voeren, verzoeken wij u om informatie op te geven waarmee geheimhoudersstukken kunnen worden uitgefilterd. Wij vragen u daarom om de volgende gegevens van geheimhouders met wie uw cliënt contact heeft gehad:

- achternaam;

- rol (bijvoorbeeld, advocaat, notaris, arts, geestelijke of secretaresse van een advocaat);

- organisatie (bijvoorbeeld, advocatenkantoor x of notariskantoor y waarvoor de verschoningsgerechtigde (heeft ge)werkt);

- mobiel telefoonnummer (noodzakelijk voor het zoeken naar communicatie op de telefoons);

- vast telefoonnummer van kantoor (noodzakelijk voor het zoeken naar communicatie op de telefoons);

- e-mailadres;

- extra e-mailadres (bijvoorbeeld, het algemene e-mailadres van het kantoor) (…)’

1.8

Op 18 december 2024 heeft klaagster de rechter-commissaris onder meer laten weten dat allereerst alle correspondentie van de klagers met [betrokkene 1] uit het dossier moet worden gefilterd; alle e-mails aan of van [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3] , [e-mailadres 4] , [e-mailadres 5] en [e-mailadres 6] alsmede al het telefonisch contact aan of van twee (door klaagster genoemde) geheimhoudersnummers. Tot slot heeft zij verzocht ook alle documenten waarin ‘ [A] ’, ‘ [klager] ’ of ‘ [klaagster] ’ worden genoemd, uit het dossier te filteren.

1.9

De klaagster heeft in haar e-mail van 18 december 2024 voorts het volgende opgemerkt:

‘Wij staan [betrokkene 1] sinds juni 2023 bij inzake zijn fiscale dispuut met de Belastingdienst. Wij hebben van cliënt begrepen dat hij ten behoeve van onze bijstand in die fiscale zaak op zijn digitale-gegevensdragers diverse stukken heeft opgesteld, waaronder diverse Excelsheets. Van cliënt hebben wij het volgende overzicht gekregen, waaruit blijkt waar op zijn gegevensdragers deze bestanden staan opgeslagen. Of er mogelijk elders nog (kopieën van die) bestanden op zijn laptop staan, is onzeker. Maar het spreekt voor zich dat daarvoor hetzelfde geldt.

[Door de rechtbank is het hierna een screenshot opgenomen van voornoemd overzicht. Het betreft twintig documenten en vijf submappen die volgens de screenshot vertrouwelijk zijn en die ook zijn gedeeld met [A] , het kantoor waar de klagers werkzaam zijn. Deze documenten zijn volgens het screenshot opgeslagen op de betreffende laptop van [betrokkene 1] onder “Documenten/Prive/Sin files”.]

1.10

Op 9 september 2025 heeft bet kabinet van de rechter-commissaris de klagers (samengevat) het volgende gemaild:

‘In het strafrechtelijke [onderzoek] staat u [betrokkene 1] bij. In het kader van het onderzoek zijn tijdens de doorzoeking digitale-gegevensdragers in beslag genomen. Deze gegevensdragers zijn inmiddels aan de hand van de door u aangeleverde zoektermen gefilterd.’

Naar aanleiding van de onder 1.9 geciteerde opmerking van de klaagster wordt het volgende opgemerkt:

‘Deze stukken zijn op dezelfde wijze gefilterd als de overige data die op de gegevensdragers staat. Dat betekent dat ook op die stukken de zoektermen zijn toegepast. De filtering is reeds gecontroleerd. Naar aanleiding van de controle is de rechter-commissaris van oordeel dat de filtering correct is uitgevoerd. Wij zijn voornemens de data die niet geraakt is door de zoektermen vrij te geven aan het onderzoeksteam. Mocht u een afwijkend standpunt hebben, verzoeken wij u dit uiterlijk dinsdag 16 september voldoende onderbouwd naar voren te brengen door te reageren op deze e-mail.’

1.11

Bij e-mail van 25 september 2025 heeft de klaagster de rechter-commissaris bericht dat het de klagers niet geheel duidelijk is welke documenten er nu wel en niet aan het onderzoeksteam zullen worden verstrekt. Verder heeft zij gevraagd of uit de e-mail van de rechter-commissaris moet worden opgemaakt dat de stukken die zijn opgesteld in het kader van de bijstand van de klagers in de fiscale zaak (zoals afgebeeld op het door hen ingestuurde screenshot) onder het verschoningsrecht vallen en daardoor niet aan het onderzoeksteam verstrekt zijn.

1.12

Op 2 oktober 2025 heeft het kabinet van de rechter-commissaris de klaagster gemaild dat de inhoud van de map waar zij in haar e-mail van 18 december 2024 aan refereert, gefilterd is en dat voor zover de inhoud van die map is geraakt, die inhoud onder het verschoningsrecht valt en niet met het onderzoeksteam gedeeld zal worden.

1.13

Op 20 oktober 2025 is op de griffie van de rechtbank een brief van de klagers van 16 oktober 2025 binnengekomen, die ook per e-mail is verstuurd, waarin onder meer het volgende staat:
‘in het strafrechtelijk [onderzoek] heeft de FIOD diverse gegevensdragers van onze cliënt [betrokkene 1] in beslag genomen. Op deze gegevensdragers staan diverse gegevens die onder het verschoningsrecht van de advocaat vallen. Het kabinet rechter-commissaris heeft de in beslag genomen gegevensdragers onderworpen aan een filtering en [ons] per e-mail van 2 oktober 2025 geïnformeerd hierover (bijlage I). Voor zover deze e-mail beschouwd dient te worden als de beschikking ex artikel 98 lid 3 en lid 4 Wetboek van Strafvordering, dienen wij hierbij als verschoningsgerechtigde een klaagschrift in de zin van artikel 552a Wetboek van Strafvordering in.’

1.14

De rechter-commissaris heeft op 30 oktober 2025 beslist over de ‘inbeslagneming geheimhouderstukken’ ex artikel 98 Sv (zie hierna onder 2) en deze beslissing diezelfde dag aan de klager gemaild.

1.15

Op 20 november 2025 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt inzake het door de klagers ingediende klaagschrift schriftelijk kenbaar gemaakt, luidende:
'(...) Nu het klaagschrift d.d. 16 oktober 2025 niet kan zijn gericht tegen de pas nadien gewezen beschikking van de rechter-commissaris d.d. 30 oktober 2025 (ex artikel 98 lid 4 jo. 552a Sv), dient het klaagschrift formeel bezien niet-ontvankelijk te worden verklaard. Vanuit proceseconomische overwegingen geeft het OM de rechtbank evenwel in overweging om de zaak terug te wijzen naar de rechter-commissaris, teneinde;
“[...] de advocaat van de beslagene inzage te bieden in de bij zijn cliënt veiliggestelde niet-geraakte gegevens om deze te controleren op achtergebleven verschoningsgerechtigd materiaal.”
“Als de advocaat van mening is dat verschoningsgerechtigd materiaal is achtergebleven, meldt hij dit onderbouwd met argumenten aan de rechter commissaris, die hierover zal beslissen.” (conform § 8.3 Werkwijze filtering).’

1.16

Op 26 november 2025 is namens de klaagster het klaagschrift nogmaals per e-mail naar de griffie van de rechtbank gestuurd. De officier van justitie heeft diezelfde dag in het kader van het plannen van de behandeling van het klaagschrift opgemerkt dat het Openbaar Ministerie zich kan voorstellen dat een hoorzitting achterwege blijft en dat de rechtbank de zaak naar de rechter-commissaris terugwijst. De klaagster heeft zich bij e-mail van diezelfde datum bij de opmerking van de zaaksofficier van justitie aangesloten.

1.17

Op 7 januari 2026 heeft het Openbaar Ministerie naar aanleiding van vragen van de rechtbank over de geplande behandeling van het klaagschrift op 13 januari 2026 laten weten dat ‘de rechter-commissaris zal persisteren bij haar beschikking van 30 oktober 2025 en geen extra onderzoekshandelingen meer zal verrichten.’

1.18

De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie en de klagers vervolgens laten weten dat zij voorafgaand aan de behandeling van het klaagschrift graag een eventueel aanvullend standpunt van het Openbaar Ministerie en een schriftelijke reactie daarop van de kant van de raadslieden zou willen ontvangen.

1.19

Op 9 januari 2026 heeft het Openbaar Ministerie bericht dat zijn standpunt er kort gezegd op neerkomt dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is omdat het is ingediend voordat de beslissing door de rechter-commissaris is genomen en subsidiair dat het klaagschrift ongegrond is omdat de rechter-commissaris de juiste procedure heeft gevolgd en de verdediging niet tijdig gebruikgemaakt heeft van het recht haar zienswijze in te dienen.

1.20

De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Zij heeft de klaagster en de [officier van justitie] op zitting gehoord.

2 Beslissing rechter-commissaris 30 oktober 2025

De beslissing van de rechter-commissaris houdt voor zover relevant het volgende in:

‘(…)

Bij de uitvoering van de digitale filtering op verschoningsgerechtigde informatie heeft de rechter-commissaris zich door [geheimhoudersfunctionaris] , werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD laten bijstaan. De geheimhoudersfunctionaris werkt onder regie van de rechter-commissaris en is voor zijn werkzaamheden in het onderhavig onderzoek enkel verantwoording verschuldigd aan de rechter commissaris.

In het kader van de filtering zijn door de raadslieden van de verdachte zoektermen aangeleverd. Op basis van de door de raadslieden aangeleverde zoektermen zijn door de rechter-commissaris de zoektermenlijsten opgesteld en de geheimhoudersfunctionaris gezonden. De geheimhoudersfunctionaris heeft in overleg met de rechter-commissaris de zoektermenlijsten aangepast ten behoeve van de werkbaarheid.

De geheimhoudersfunctionaris heeft de zoektermen op de data toegepast. Dit is gebeurd op de in de vordering genoemde data en op twee mailboxen van [betrokkene 1] die niet in de vordering zijn genoemd. De bestanden die geraakt zijn door de zoektermen zijn de geheimhoudersfunctionaris aangemerkt mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal en vervolgens uitgesloten van de dataset die na goedkeuring van de rechter-commissaris aan het onderzoeksteam beschikbaar gesteld zal worden. De oorspronkelijke datasets zijn niet toegankelijk voor het onderzoeksteam.

Na het afronden van de automatische filtering door de geheimhoudersfunctionaris heeft de rechter-commissaris op 14 augustus 2025 samen met [senior gerechtsjurist] een steekproef uitgevoerd op de gefilterde data.

Tijdens de steekproef is in het bijzonder aandacht besteed aan documenten waar de raadslieden van [betrokkene 1] in hun mail van 18 december 2024 aan refereren. Het betreffen documenten die op de laptop van verdachte [betrokkene 1] staan opgeslagen, zoals als volgt omschreven in de mail van de raadslieden:

‘Wij hebben van cliënt begrepen dat hij ten behoeve van onze bijstand in die fiscale zaak op zijn digitale gegevensdragers diverse stukken heeft opgesteld, waaronder diverse Excelsheets. Van cliënt hebben wij het volgende overzicht gekregen, waaruit blijkt waar op zijn gegevensdragers deze bestanden staan opgeslagen.”

Omdat de herkomst van de bestanden voor de rechter-commissaris niet te achterhalen is, zijn de betreffende documenten eveneens gefilterd op zoektermen. Voor zover geraakt, zijn de bestanden gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De niet- geraakte bestanden zijn in beginsel niet aangemerkt als verschoningsgerechtigd materiaal. Als extra controle heeft de rechter-commissaris de geheimhoudersfunctionaris de opdracht gegeven een aanvullende zoekslag te doen naar de bestanden zoals hierboven weergegeven. De geheimhoudersfunctionaris heeft gekeken of de bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm worden geraakt door de zoektermen. Alle bijlagen bij geraakte e-mailbestanden zijn gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De bestanden die niet in verband gebracht kunnen worden met correspondentie met geheimhouders worden geacht geen verschoningsgerechtigde informatie te bevatten.

Alvorens over te gaan tot het nemen van een beslissing over de gefilterde data, heeft de rechter-commissaris op 9 september 2025 de raadslieden van verdachte [betrokkene 1] in de gelegenheid gesteld te reageren op de wijze waarop bovengenoemde bestanden zijn meegenomen in de filtering. De gerechtsjurist heeft de raadslieden hierover per mail geïnformeerd en daarvoor een termijn gesteld. De raadslieden hebben van de mogelijkheid om hun zienswijze per mail naar voren te brengen geen gebruik gemaakt. Voorts is door hen op 16 oktober 2025 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam over de wijze waarop is gefilterd.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris is met de doorlopen procedure gewaarborgd dat redelijkerwijs niet te verwachten valt dat de bewijsbestanden nog geheimhoudersgegevens bevatten.

De rechter-commissaris:

Beslist dat de als verschoningsgerechtigd materiaal gelabelde bestanden uitgegrijsd moeten worden. De niet geraakte databestanden kunnen toegankelijk gemaakt worden voor het onderzoeksteam, met in achtneming van de laatste zin van deze beslissing

Indien het onderzoeksteam toch, niet onderkende, geheimhoudersgegevens tegenkomt, dient dit onverwijld gemeld te worden aan de rechter-commissaris, vergezeld van een vordering ter verdere filtering en dienen de bestanden opnieuw niet- toegankelijk te worden gemaakt voor het onderzoeksteam.

(…)’

3 Het beklag

3.1

Het klaagschrift houdt (samengevat) het volgende in:

De klagers staan [betrokkene 1] sinds juni 2023 bij inzake zijn fiscaal dispuut met de Belastingdienst. Ten aanzien van dit dispuut heeft [betrokkene 1] diverse documenten verzameld en opgesteld ten behoeve van de bijstand van de klagers. Het betreffen documenten waarin hij zijn gedachten ordende en die hij vervolgens aan de klagers toezond ten behoeve van vertrouwelijk advocaat-cliëntoverleg. In deze documenten staat niet altijd expliciet de volledige naam van het kantoor of van de klagers zelf genoemd, maar het is evident dat deze documenten onder de vertrouwelijke advocaat- cliëntcorrespondentie vallen. De e-mails waarmee deze documenten gedeeld zijn tussen [betrokkene 1] en de klagers zijn immers als het goed is wel uitgesloten gelet op de aard van deze correspondentie (vertrouwelijke advocaatcorrespondentie). Het komt de klagers daarom voor dat de bijlagen zelf ook onder het verschoningsrecht vallen.

De klagers maken uit overweging 3.3.1 van de Hoge Raad in zijn arrest van 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302 op dat het verschoningsrecht niet altijd zo zwart wit is dat het beperkt kan worden tot enkele zoektermen, maar dat het gaat om alles wat een advocaat is toevertrouwd in het kader van diens juridische dienstverlening. Zij menen dat de hiervoor genoemde documenten hieronder vallen.

Uit de e-mail van het kabinet rechter-commissaris (van 2 oktober 2025) maken de klagers op dat de documenten niet geheel zijn uitgesloten van het dossier, nu niet in ieder document hun namen dan wel de naam van hun kantoor (volledig) voorkomt. Zij merken ook op dat het niet geheel duidelijk is welke documenten nu wel en welke documenten niet zijn gefilterd, omdat zij geen officiële beschikking in de zin van artikel 98 lid 3 en lid 4 Sv van het kabinet rechter-commissaris ontvangen hebben.

De klagers menen dat de rechter-commissaris een onjuist besluit heeft genomen door deze documenten niet aan te merken als documenten die onder het verschoningsrecht vallen, ondanks het expliciete verzoek van de klagers hiertoe (bijlage 2 - de e-mail van 18 december 2024).

De klagers verzoeken het klaagschrift gegrond te verklaren en de opgesomde documenten in bijlage 2 (zie 1.9) uit te sluiten van het dossier nu deze documenten onder het verschoningsrecht vallen.

3.2

De klaagster heeft in raadkamer ter toelichting op het klaagschrift aangevoerd dat er ‘concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’ en dat zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, het reële risico bestaat dat het Openbaar Ministerie of de FIOD van deze vertrouwelijke stukken kennisneemt.

3.3

De klaagster heeft verder opgemerkt dat de rechter-commissaris heeft gekozen voor een trefwoordenfiltering op de laptop van [betrokkene 1] en dat dit op zichzelf een hulpmiddel is, maar dat het verschoningsecht zich laat niet reduceren tot een lijst trefwoorden. Vertrouwelijke stukken kunnen eenvoudig buiten die trefwoorden vallen (bijvoorbeeld interne notities, concepten of documenten zonder expliciete vermelding van de naam van de advocaat of het kantoor). In deze zaak gaat het om documenten die [betrokkene 1] op verzoek van of ten behoeve van zijn advocaten heeft opgesteld, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, aldus de klaagster. Zij heeft verzocht de rechter-commissaris te bevelen een nadere filtering uit te (laten) voeren om de geheimhouderstukken uit de in beslag genomen data te filteren.

4 Beoordeling

4.1

Ontvankelijkheid

(…)

4.2

Inhoudelijk oordeel

4.2.1

De rechtbank stelt met betrekking tot het beroep op het verschoningsrecht het volgende voorop.

4.2.2

Op grond van artikel 218 Sv kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Aan dit verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet daarbij op de wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de verschoningsgerechtigde. Dit betekent dat een advocaat alleen een verschoningsrecht toekomt met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen wat hem is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.

4.2.3

Algemeen uitgangspunt daarbij is dat het voor een beroep op het verschoningsrecht niet van belang is of de informatie waar het om gaat zich al dan niet bij de verschoningsgerechtigde zelf bevindt.

4.2.4

Op grond van artikel 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van informatie die is opgeslagen op een gegevensdrager. Als uitgangspunt geldt hierbij dat de verschoningsgerechtigde in staat gesteld moet worden zich uit te laten over de vraag of de informatie (stukken en/of gegevens) onder het verschoningsrecht vallen. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

4.2.5

Het beklag als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv is in beginsel alleen gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin is beslist dat de inbeslagneming dan wel de vastlegging en/of kennisneming is toegestaan. In het geval dat selectie van de (digitale) stukken en gegevens noodzakelijk is gebleken, kan ook de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of bij de selectie onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd.

4.2.6

Het gaat in dit geval om een digitale-gegevensdrager (laptop) met een grote hoeveelheid digitale stukken en gegevens die in beslag genomen is onder een verdachte die heeft verklaard dat er geheimhoudersinformatie op die gegevensdrager staat. De officier van justitie heeft op grond van artikel 181 lid 1 jo 98 Sv gevorderd dat de rechter-commissaris de (gekopieerde) inhoud van de in beslag genomen gegevensdrager op verschoningsgerechtigde informatie laat onderzoeken voor het nemen van een beslissing als bedoeld in artikel 98 lid 3 Sv. De advocaten van de verdachte, die verschoningsgerechtigd zijn, hebben een klaagschrift ingediend tegen de beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank moet aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer beoordelen of bij de filtering tussen stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd.

4.2.7

De rechtbank is van oordeel dat bij de filtering van de digitale gegevens/stukken onder leiding van de rechter-commissaris op de in beslag genomen laptop van de cliënt van klagers en welke filtering heeft plaatsgevonden op de wijze zoals benoemd in het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578 rov 3.3.1, met inachtneming van de uitgangspunten zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 en overeenkomstig de op dat laatste arrest gebaseerde ‘Werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal’ waarbij de veiliggestelde gegevens worden onderscheiden van gegevens die (mogelijk) onder het functioneel verschoningsrecht vallen, voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden en dat geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris.

4.2.8

De rechter-commissaris heeft zich door een geheimhoudersfunctionaris die werkzaam is bij de Belastingdienst/FIOD laten bijstaan die onder haar regie stond. De rechter commissaris heeft de klagers gevraagd om in het kader van de filtering van de informatie op de laptop zoektermen aan te leveren. Vervolgens zijn op basis van de zoektermen die door de klagers zijn aangeleverd zoektermenlijsten opgesteld. De rechter-commissaris heeft na het afronden van de automatische filtering door de geheimhoudersfunctionaris een steekproef op de gefilterde data uitgevoerd en daarbij in het bijzonder aandacht besteed aan documenten waaraan de klagers in hun mail van 18 december 2024 refereren. Zij heeft als extra controle de geheimhoudersfunctionaris de opdracht gegeven een aanvullende zoekslag te doen naar de bestanden/documenten die op de laptop van [betrokkene 1] staan opgeslagen, zoals omschreven in de mail van de klagers. De rechter-commissaris heeft ten slotte alvorens over te gaan tot het nemen van een beslissing over de gefilterde data, de klagers in de gelegenheid gesteld te reageren op de wijze waarop bovengenoemde bestanden zijn meegenomen in de filtering.

4.2.9

Uit de beschikking van de rechter-commissaris volgt dat bij de steekproef op 14 augustus 2025, na het afronden van de automatische filtering, nog bijzondere aandacht is besteed aan de stukken die op de laptop van de cliënt van de klagers staan en die zouden zijn opgesteld in het kader van de bijstand van de klagers in de fiscale zaak en die dus onder het verschoningsrecht van de klagers zouden kunnen vallen. Dit betreffen, blijkens de e-mail van 18 december 2024, de vertrouwelijke bestanden die op de laptop staan opgeslagen onder 'Documenten\prive\Sin files. De geheimhoudersfunctionaris heeft als extra controle gekeken of de genoemde bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm door de zoektermen worden geraakt. Alle bijlagen bij geraakte e-mailbestanden zijn gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de bestanden die niet in verband gebracht konden worden met correspondentie met geheimhouders geacht worden geen verschoningsgerechtigde informatie te bevatten.

4.2.10

De klaagster heeft in algemene bewoordingen gesteld dat er ‘concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’ en dat het gaat om documenten die hun cliënt op verzoek van of ten behoeve van de klagers, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, heeft opgesteld.

4.2.11

Voor zover het hier stukken betreft die de cliënt van de klagers heeft opgesteld maar nog niet met hen had gedeeld en dus ook niet als bijlage zijn ge-e-maild, overweegt de rechtbank het volgende.

4.2.12

Ook stukken waarvan de inhoud nog niet aan een advocaat is medegedeeld, kunnen in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaat. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die stukken daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd. Ook in zo een geval is het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of, het voorgaande in aanmerking genomen, die geschriften object van zijn verschoningsrecht uitmaken, tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. De rechter-commissaris is kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel dat de stukken die niet aan de klagers zijn gestuurd en bij de filtering niet zijn geraakt door de zoektermen niet onder het verschoningsrecht van de klagers vallen en dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klagers dat dit wel zo is onjuist is.

4.2.13

De cliënt van de klagers heeft zijn laptop teruggekregen. De klagers beschikken daarmee over alle bestanden. Het had dan ook op de weg van de klagers gelegen om concreet te maken welke bestanden op de laptop van [betrokkene 1] volgens hen ten behoeve van hun bijstand zijn opgesteld maar niet aan hen zijn toevertrouwd en waarom deze stukken onder hun verschoningsrecht vallen ondanks dat deze stukken niet zijn geraakt door de door de klagers opgegeven zoektermen. De klagers hebben dit niet gedaan.

4.2.14

Zij hebben alleen aangevoerd dat er concrete stukken op de laptop’ staan ‘die onder het verschoningsrecht vallen, maar (mogelijk) niet zijn uitgefilterd’ en dat het gaat om documenten die hun cliënt op verzoek van of ten behoeve van de klagers, in het kader van hun bijstand tijdens de fiscale procedure, heeft opgesteld maar nog niet aan hen in hun hoedanigheid als advocaat heeft toevertrouwd. De stukken waarover het zou kunnen gaan zijn gefilterd en gecontroleerd. Voor zover de stukken zijn geraakt door de door de klagers opgegeven zoektermen zijn de bestanden gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden en dat geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beklag ongegrond is.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”

2.2

De behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft zich ter zitting het volgende voltrokken:


“De oudste rechter deelt mee dat de rechter-commissaris heeft laten weten dat zij klaar is met haar onderzoek c.q. de filtering en geen extra onderzoekshandelingen zal verrichten.

(…)

[klaagster] voert het woord overeenkomstig de pleitaantekeningen die als bijlage aan het proces-verbaal zijn gehecht.

[klaagster] merkt op dat in de genoemde stukken niet per definitie haar naam en/of die van [klager] staat maar dat het gaat om stukken die zijn opgesteld door hun cliënt ten behoeve van de door hen verleende rechtsbijstand. De oudste rechter vraagt of het de bedoeling is dat er nog een keer naar de gegevens/stukken wordt gekeken ondanks dat de rechter-commissaris de gegevens conform de ‘Werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal’ heeft gefilterd. De oudste rechter wijst erop dat in de beslissing van de rechter-commissaris staat dat zij extra aandacht heeft besteed aan de e-mail van de klagers van 18 december 2024, in het bijzonder de documenten waaraan in die e-mail wordt gerefereerd. De oudste rechter merkt op dat de cliënt van de klagers zijn in beslag genomen laptop heeft teruggekregen en dat de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt dat een klager concreet moet aangeven op welke punten het klaagschrift ziet en vraagt de klaagster om welk(e) stuk(ken) het gaat.

[klaagster] merkt op, zakelijk weergegeven:

Wij lezen de beslissing van de rechter-commissaris anders. Wij zijn van mening dat al de stukken die op het screenshot te zien zijn onder ons verschoningsrecht vallen.

De oudste rechter merkt op dat in de beslissing van de rechter-commissaris staat dat zij als extra controle de geheimhoudersfunctionaris de opdracht heeft gegeven een aanvullende zoekslag te doen naar de desbetreffende bestanden en dat de geheimhoudersfunctionaris heeft gekeken of de bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm worden geraakt door de zoektermen en dat alle bijlagen bij geraakte e-mailbestanden zijn gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De oudste rechter vraagt de klaagster om welk(e) stuk(ken) het gaat.

De raadsvrouw merkt op, zakelijk weergegeven:

Het is lastig omdat wij niet weten welke stukken eruit gefilterd zijn. Ik kan mij voorstellen dat niet alle stukken zijn verstuurd. Het gaat erom dat al die stukken zijn opgesteld ten behoeve van onze dienstverlening, of ze nu verstuurd zijn of niet.”

2.3

Samengevat komt dit neer op het volgende.

2.4

In de woning van [betrokkene 1] is (in het kader van het [onderzoek]) onder meer een laptop met gegevens aangetroffen. [betrokkene 1] is zelf geen verschoningsgerechtigde. Klagers zijn dat wel. Zij staan [betrokkene 1] namelijk beide als advocaat bij in een geschil met de Belastingdienst. Het Forensisch IT-Team van de FIOD heeft vervolgens een kopie van deze gegevens gemaakt en de laptop daarna aan [betrokkene 1] teruggegeven. De rechter-commissaris heeft op vordering van de officier van justitie (art. 181 lid 1 jo. 98 Sv) bepaald dat “de gegevensdragers pas aan het onderzoeksteam ter beschikking worden gesteld nadat er een filtering op geheimhoudersstukken heeft plaatsgevonden”.

2.5

Voor die filtering heeft de klaagster op verzoek van de rechter-commissaris op 18 december 2024 een emailbericht gestuurd. Daarin maakt zij onderscheid tussen enerzijds correspondentie tussen [betrokkene 1] en de klagers en anderzijds “diverse stukken” waaronder “diverse Excelsheets” die door [betrokkene 1] zijn opgesteld op zijn digitale gegevensdragers voor zijn rechtsbijstand door de klagers in zijn geschil met de Belastingdienst. Voor het onderzoek naar de correspondentie heeft de klaagster een aantal gegevens aangeleverd die als zoekterm voor deze filtering kunnen worden gebruikt. Wat de stukken betreft, heeft de klaagster bij dat e-mailbericht een screenshot gevoegd met een door [betrokkene 1] gemaakt overzicht van deze bestanden (hierna: ‘de bestanden in de map’) en de mededeling dat deze bestanden met de klagers zijn “gedeeld”. Uit de strekking van de e-mail van de klaagster blijkt dat zij stelt dat in elk geval op de bestanden in de map het verschoningsrecht rust.

2.6

Ik lees in het in het hiervoor weergegeven e-mailverkeer tussen de klagers en de rechter-commissaris en in de beslissing van 30 oktober 2025, dat de gegevens op de laptop zijn gefilterd (mede) aan de hand van de door klaagster aangeleverde zoektermen. Dit betrof ook de bestanden in de map. In een e-mailbericht van 2 oktober 2025 schrijft het kabinet van de rechter-commissaris dat “voor zover de inhoud van die map is geraakt [en] die inhoud onder het verschoningsrecht valt” en deze niet met het onderzoeksteam gedeeld zal worden. Ik merk op dat niet blijkt of en zo ja welke bestanden in de map als ‘niet-verschoningsgerechtigd materiaal’ zijn aangemerkt.

2.7

In aanvulling op deze, door een geheimhoudersfunctionaris van de FIOD uitgevoerde, filtering heeft de rechter-commissaris ten eerste samen met een senior gerechtsjurist een steekproef uitgevoerd op “de gefilterde data”. Daarbij is blijkens de beslissing in het bijzonder aandacht besteed “aan documenten waar de raadslieden van verdachte [betrokkene 1] in hun mail van 18 december 2024 aan refereren”. Ik begrijp dit zo dat de steekproef is uitgevoerd op alle data, dus ook de bestanden in de map, waarvan het vermoeden bestaat dat zij géén verschoningsgerechtigd materiaal bevat. Dit om uit te sluiten dat niet ‘per ongeluk’ toch verschoningsgerechtigd materiaal tussen de filters ‘door is geglipt’.

2.8

Ten tweede “heeft de rechter-commissaris de geheimhoudersfunctionaris de opdracht gegeven een aanvullende zoekslag te doen naar de bestanden in map. De geheimhoudersfunctionaris heeft gekeken of de bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm worden geraakt door de zoektermen. Alle bijlagen bij geraakte e-mailbestanden zijn gelabeld als verschoningsgerechtigd materiaal. De bestanden die niet in verband gebracht kunnen worden met correspondentie met geheimhouders worden geacht geen verschoningsgerechtigde informatie te bevatten.” Ik merk op dat ook met betrekking tot deze extra controle niet blijkt of en zo ja welke bestanden in de map, als ‘niet-verschoningsgerechtigd materiaal’ zijn aangemerkt.

2.9

Het kabinet van de rechter-commissaris heeft aan de klagers in e-mails van 9 september 2025 en 2 oktober 2025 bericht dat de filtering is uitgevoerd en “gecontroleerd”. Dit laatst begrijp ik als een verwijzing naar de hiervoor genoemde steekproef. Ook heeft de rechter-commissaris de klagers de gelegenheid gegeven “een afwijkend standpunt” in te nemen bij haar voornemen alle data die niet wordt geraakt door een zoekterm vrij te geven aan het onderzoeksteam. Welke bestanden dit zijn, wordt niet vermeld. Evenmin wordt aangeboden hier inzicht in te geven. In feite wordt de klagers daarmee enkel gevraagd te reageren op de door de rechter-commissaris gehanteerde werkwijze.

2.10

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 30 oktober 2025 hebben de klagers op grond van art. 98 lid 4 jo. 552a Sv beklag ingediend. Dit klaagschrift richt zich tegen de vrijgave van “documenten waarin [ [betrokkene 1] ] zijn gedachten ordende en die hij vervolgens ons toezond ten behoeve van vertrouwelijk advocaat-cliënt overleg”. Verder heeft de klaagster tijdens de behandeling in raadkamer op de vraag van de rechtbank op welke bestanden zij concreet doelt, omdat de rechter-commissaris ook heeft onderzocht welke stukken in de map zijn aangetroffen in correspondentie met klagers, geantwoord: “Het is lastig omdat wij niet weten welke stukken eruit gefilterd zijn. Ik kan mij voorstellen dat niet alle stukken zijn verstuurd. Het gaat erom dat al die stukken zijn opgesteld ten behoeve van onze dienstverlening, of ze nu verstuurd zijn of niet.”

2.11

Dit houdt in dat het beklag zich enkel richt op de bestanden in de map, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen bestanden die wel en die niet daadwerkelijk met de klagers zijn gedeeld. De rechtbank heeft dit laatste onderscheid ook gemaakt.

2.12

De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat de verschoningsgerechtigde in staat gesteld moet worden zich uit te laten over de vraag of informatie onder het verschoningsrecht valt, waarna dit standpunt moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt onjuist is. Verder stelt de rechtbank voorop dat zij “aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer [moet] beoordelen of bij de filtering tussen stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd.” Vervolgens stelt de rechtbank, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, dat zij van oordeel is dat “voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden” en dat “geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris”. Daartoe acht de rechtbank van belang dat: i) de rechter-commissaris zich heeft laten bijstaan door een geheimhoudersfunctionaris die werkzaam is bij de Belastingdienst/FIOD, ii) de klagers ten behoeve van het filteren van de gegevens op verzoek van de rechter-commissaris zoektermen hebben aangeleverd, iii) op basis van die zoektermen zoektermenlijsten zijn opgesteld, iv) na afronding van de automatische filtering door de geheimhoudersfunctionaris nog een steekproef is uitgevoerd waarbij in het bijzonder aandacht is besteed aan documenten zoals genoemd in de e-mail van klagers van 18 december 2024 en v) dat als extra controle door de geheimhoudersfunctionaris een aanvullende zoekslag is uitgevoerd naar de bestanden/documenten zoals genoemd in de e-mail van klagers van 18 december 2024, waarbij is gekeken “of die bestanden in bijlagen van geraakte e-mails voorkomen of in andere vorm door zoektermen worden geraakt”.

2.13

Wat betreft de stukken die niet met de klagers zijn gedeeld, is de rechtbank van oordeel dat de “rechter commissaris kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel [is] dat de stukken die niet aan de klagers zijn gestuurd en bij de filtering niet zijn geraakt door de zoektermen niet onder het verschoningsrecht van de klagers vallen en dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klagers dat dit wel zo is onjuist is”. Daartoe acht de rechtbank van belang dat i) de klagers over alle bestanden beschikken, ii) het op de weg van de klagers had gelegen om concreet te maken welke bestanden op de laptop ten behoeve van de rechtsbijstand zouden zijn opgesteld maar niet met hen zijn gedeeld en iii) dat de klagers hadden moeten aangeven waarom deze stukken onder hun verschoningsrecht vallen terwijl zij niet zijn geraakt door de door hen opgegeven zoektermen. De rechtbank is wederom van oordeel dat, gelet op de hiervoor uiteengezette werkwijze, “voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden en dat geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris”.

3 Het middel

3.1

Het middel komt met rechtsklacht(en) en motiveringsklacht(en) op tegen de beslissing van de rechtbank om geen nadere schifting te laten plaatsvinden en/of tot afwijzing van het daartoe gedane verzoek en/of tot ongegrondverklaring van het beklag.

Het juridisch kader

3.2

Voor de beoordeling van deze klachten zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- artikel 98 lid 1 tot en met 4 Sv:


“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.

3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”

- artikel 125i Sv:


“Aan de rechter-commissaris, de officier van justitie, de hulpofficier van justitie en de opsporingsambtenaar komt onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in de artikelen 96b, 96c, eerste, tweede en derde lid, 97, eerste tot en met vierde lid, en 110, eerste en tweede lid, de bevoegdheid toe tot het doorzoeken van een plaats ter vastlegging van gegevens die op deze plaats op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd. In het belang van het onderzoek kunnen zij deze gegevens vastleggen. De artikelen 96, tweede lid, 98, 99 en 99a zijn van overeenkomstige toepassing.”

- artikel 552a lid 1 Sv:


“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.”

3.3

In de onderhavige zaak is onder [betrokkene 1] , die zelf geen professioneel verschoningsrecht heeft, een laptop in beslag genomen. Van de gegevens op deze laptop is een kopie gemaakt, waarna de laptop is geretourneerd. Op grond van art. 125i Sv is in een dergelijk geval art. 98 Sv van overeenkomstige toepassing. Wat betreft de inbeslagneming regelt het huidige artikel 98 Sv de inbeslagneming bij functioneel verschoningsgerechtigden. Hoewel naar de letter van de wet gevallen als het onderhavige dus niet onder die wetsbepaling vallen, heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat ook in deze gevallen de procedure van art. 98 Sv moet worden gevolgd. Voor de toepassing van art. 98 Sv is niet bepalend of de stukken zich onder de geheimhouder zelf bevinden.

3.4

Vervolgens kan een onderscheid worden gemaakt tussen een algemeen juridisch kader en een aantal aanvullingen hierop voor het geval dat het gaat om een grote hoeveelheid gegevens.

3.5

Het eerste lid van artikel 98 Sv bepaalt dat documenten of gegevens die onderwerp zijn van het professionele verschoningsrecht niet in beslag mogen worden genomen, tenzij de verschoningsgerechtigden daartoe toestemming geven. Ik zal hier de term ‘beslagverbod; voor gebruiken, ook al gaat het in dit geval met name om de vastlegging van gegevens. Dat beslagverbod is er niet voor niets. Aan het verschoningsrecht, dat “van fundamenteel belang is voor een goede rechtsbedeling”, “ligt [immers] ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.” De reikwijdte van het verschoningsrecht van een advocaat strekt alleen tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen, dat wil zeggen, wat een advocaat is toevertrouwd in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.
Ook geschriften en/of gegevens waarvan de inhoud nog niet met de advocaat is gedeeld, kunnen in uitzonderingsgevallen object uitmaken van het professionele verschoningsrecht. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die geschriften daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd.

3.6

De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid om te beslissen of de inbeslagneming, of als het gaat om gegevens, de kennisneming (art. 98 lid 1 en 3 Sv) is toegestaan, met andere woorden: of het beslagverbod wel of niet van toepassing is. Deze beslissing wordt door de rechter-commissaris neergelegd in een beschikking.

3.7

Bij het nemen van deze beslissing is een aantal uitgangspunten van belang. Volgens vaste rechtspraak geldt namelijk dat het oordeel of het al dan niet gaat om geprivilegieerde gegevens, in eerste instantie toekomt aan de verschoningsgerechtigde zelf. Deze moet aldus - in beginsel - in staat worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de gegevens. Als de verschoningsgerechtigde zich vervolgens op het standpunt stelt dat het gaat om gegevens die niet voorwerp van het strafbare feit uitmaken (corpora delicti) en ii) ook niet tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti) en iii) waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dan moet dit standpunt worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt onjuist is.

3.8

Dit geldt ook in het geval dat het gaat om geschriften of gegevens waarvan de inhoud nog niet met de advocaat is gedeeld. Daarvoor is van belang of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die geschriften daadwerkelijk bestemd is om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd. Het is in beginsel aan de verschoningsgerechtigde om te beoordelen of, het voorgaande in aanmerking genomen, die gegevens object van zijn verschoningsrecht uitmaken, tenzij redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Bij dit laatste kan van belang zijn of het stuk, gezien de aard en de inhoud daarvan, kan worden aangemerkt als bevattende informatie die door een cliënt aan een advocaat in de uitoefening van zijn beroep pleegt te worden toevertrouwd.

3.9

Ik merk verder op dat het verschoningsrecht in zoverre niet absoluut is, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen die maken dat het belang van de waarheidsvinding in een bepaald geval zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang. Het oordeel of dat het geval is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde. De rechter-commissaris mag, voor zover het voor de beoordeling noodzakelijk is, kennisnemen van de stukken en gegevens.

3.10

Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat voor de verschoningsgerechtigde beklag open als bedoeld in art. 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a Sv. Dat beklag is in beginsel alleen gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin is beslist dat de inbeslagneming dan wel de vastlegging en/of kennisneming is toegestaan. Dat het beklag tegen deze beslissing van de rechter-commissaris is gericht, brengt echter niet mee dat de toetsing van de rechtbank beperkt blijft tot de (marginale) toets of de rechter-commissaris tot zijn oordeel heeft kunnen komen. De rechtbank dient een eigen, zelfstandig oordeel te geven over de vraag of gegevens onder het verschoningsrecht vallen en ook of dit verschoningsrecht kan worden doorbroken. Daartoe kan de rechtbank ook kennisnemen van de vastgelegde gegevens. Uit HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193 leid ik af dat de rechtbank ook zelfstandig dient te beoordelen of aannemelijk is dat gegevens daadwerkelijk bestemd zijn om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd.

3.11

Dit algemene juridisch kader behoeft aanvulling voor gevallen waarin het gaat om een zo grote hoeveelheid van gegevens dat het niet goed mogelijk is alle gegevens door (medewerkers van) de rechter-commissaris inhoudelijk te laten beoordelen door daarvan zelf kennis te nemen. De huidige wet voorziet niet in een regeling die het mogelijk maakt om (grote hoeveelheden) digitale gegevens te filteren om zo te kunnen bepalen over welke gegevens het verschoningsrecht zich uitstrekt. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering zal hier overigens verandering in brengen.

3.12

In de tussentijd volgt uit onder meer HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048 dat, in gevallen waarin sprake is van een grote hoeveelheid (digitale) gegevens die volgens de beslagene onder het verschoningsrecht vallen van (verschillende en/of onbekende) geheimhouders of welke informatie zich niet op betrekkelijk eenvoudige wijze laat achterhalen, het doorgaans in de rede ligt dat onder leiding van de rechter-commissaris een schifting wordt gemaakt tussen stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een lijst met zoektermen die betrekking hebben op het deel van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich mogelijk uitstrekt, zoals namen en e-mailadressen of termen die specifiek kunnen duiden op het voorwerp van het ingeroepen verschoningsrecht. Bij het maken van de schifting moet het proces zo worden ingericht dat het verschoningsrecht niet kan worden geschonden. De verschoningsgerechtigde of een gezaghebbend lid van de beroepsgroep waartoe die verschoningsgerechtigde behoort, kan om die reden worden betrokken in het proces. Ook kan de schifting worden uitgevoerd door een geheimhoudersfunctionaris. Het oordeel over deze schifting legt de rechter-commissaris neer in een beschikking.

3.13

In dat geval kan door de rechtbank “ook de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of bij de selectie onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. Als de beklagrechter tot het oordeel komt dat, na de selectie door de rechter-commissaris, nog beslag rust op stukken en gegevens – of nog gegevens zijn vastgelegd – waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat deze onder het verschoningsrecht vallen, stelt de beklagrechter die stukken en gegevens zo nodig nogmaals in handen van de rechter-commissaris voor een onder zijn leiding uit te voeren nader onderzoek en, als daartoe aanleiding bestaat, nadere selectie”.

3.14

Dat de beklagrechter in het geval dat beoordeling door kennisneming van de inhoud van alle gegevens niet goed mogelijk is, zich vooral richt op de werkwijze van de rechter-commissaris, ligt voor de hand. Het oordeel van de rechtbank hoeft zich daartoe echter niet te beperken, zoals mede volgt uit de overweging van de Hoge Raad dat de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden “ook” in de beoordeling kan worden betrokken. Als de rechtbank tot de conclusie komt dat de werkwijze van de rechter-commissaris niet het juiste resultaat heeft opgeleverd, is zij ook niet zonder meer verplicht de zaak terug te geven aan de rechter-commissaris. De Hoge Raad overweegt immers dat dit “zo nodig” gebeurt. Van een marginale toets van het oordeel van de rechter-commissaris is daarom ook in dit geval geen sprake en wanneer de ontwikkeling van het geschil daartoe aanleiding geeft, dient de rechtbank nog steeds een eigen, zelfstandig oordeel te geven over de vraag of een gegeven onder het verschoningsrecht valt.

3.15

Daarbij mag in het geval van een grote hoeveelheid gegevens onder omstandigheden van de klager worden verwacht dat deze concreet maakt waar de werkwijze van de rechter-commissaris gebreken vertoont dan wel over welke geschriften of gegevens ten onrechte is geoordeeld dat deze niet vallen onder het verschoningsrecht. Ik wijs hiertoe op twee arresten van de Hoge Raad.

3.16

In HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048 had de rechter-commissaris aan de hand van zoektermen een groot aantal bestanden gefilterd. De klager had aangevoerd dat zich in de uitgeselecteerde informatie nog steeds geheimhoudersinformatie bevond. De rechtbank verwierp dit beklag en mocht bij dit oordeel betrekken dat de klager dit slechts in “algemene bewoordingen had gedaan” zonder voldoende nadere toelichting waarom het aannemelijk is dat voor de overgebleven stukken nog een beroep op een verschoningsrecht zou worden gedaan. In HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314 had filtering plaatsgevonden. In de beklagprocedure werd aangevoerd dat zich tussen de vrij te geven bestanden nog oude correspondentie met de verschoningsgerechtigde zou bevinden afkomstig uit een back up. De rechtbank verklaarde ook dit beklag ongegrond. Zij betrok in dit oordeel dat de klaagster nog over haar gehele administratie beschikte, zij haar stelling niet had geconcretiseerd met voorbeelden, de stelling in die zin een algemeen karakter had en slechts een veronderstelling impliceerde. De Hoge Raad achtte dit niet onbegrijpelijk.

3.17

Ten slotte merk ik op dat de rechtbank in haar beslissing verwijst naar de “Werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal” die onder andere door rechters-commissarissen wordt gehanteerd. Ik citeer hier een aantal relevante onderdelen van dit document (met weglating van voetnoten).


“2 Inleiding


Deze werkwijze richt zich op het proces van filteren van door de opsporing veiliggestelde digitale gegevens, zoals bedoeld in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 maart 2024. Hierbij worden de veiliggestelde gegevens onderscheiden van gegevens die (mogelijk) onder het functioneel verschoningsrecht vallen. Deze werkwijze ziet niet op de beslissingen van de rechter-commissaris over de uitgefilterde gegevens ná het proces van filteren, zoals het beslissingsproces of uitgefilterde gegevens daadwerkelijk verschoningsgerechtigd zijn en geen corpora of instrumenti delicti.

(…)

7 Filtering

(…)

De rechter-commissaris geeft na de filtering opdracht om de geraakte gegevens uit te grijzen en de niet geraakte gegevens te verstrekken aan het onderzoeksteam. De sporen die bij zoekslagen worden gevonden dus niet getoond aan het onderzoeksteam. De geraakte (uitgegrijsde) gegevens dienen bewaard te blijven voor een eventuele nadere beoordeling of zij vallen onder het verschoningsrecht of corpora et instrumenta delicti zijn.

Zonder nadere vordering daartoe van de officier van justitie zal de rechter-commissaris de gefilterde gegevens niet verder onderzoeken.

8 Controle en inzage

8.1

Redenen voor controle
Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het denkbaar is dat het enkel filteren op de zoektermenlijst niet voldoende is en aanvullende controle gewenst kan zijn, zoals:
- Er zijn aanwijzingen dat zich nog steeds verschoningsgerechtigd materiaal in de gefilterde gegevens bevinden;
- Er zijn aanwijzingen dat de zoektermenlijst te veel vals positieve hits oplevert;
- De rechter-commissaris heeft zoektermen verwijderd uit de zoektermenlijst omdat deze te algemeen waren.

8.2

Controle rechter-commissaris
De rechter-commissaris kan zelf een controle van de filtering uitvoeren door de geheimhoudersfunctionaris uit te nodigen op het kabinet rechter-commissaris, zelf naar de opsporingsdienst gaan of op afstand toegang krijgen tot de veiliggestelde gegevens.

8.3

Inzage verdediging
Wanneer een van bovengenoemde situaties zich voordoet kan ervoor worden gekozen om de advocaat van de beslagene inzage te bieden in de bij zijn cliënt veiliggestelde niet-geraakte gegevens om deze te controleren op achtergebleven verschoningsgerechtigd materiaal. De rechter-commissaris vraagt de officier van justitie of het onderzoeksbelang zich er tegen verzet dat de advocaat inzage krijgt in de bij zijn cliënt veiliggestelde niet geraakte gegevens. Verzet het onderzoeksbelang zich hier niet tegen, dan verstrekt de geheimhoudersfunctionaris de betreffende gegevens op een beveiligde manier aan de verdediging. In sommige gevallen kunnen de gegevens digitaal in een beveiligde omgeving worden gedeeld. Er kan ook voor worden gekozen om de advocaat op het kantoor van de opsporingsdienst uit te nodigen om de gegevens in te zien.

Aan de advocaat kan een termijn worden gesteld afhankelijk van de wijze van inzage en de omvang van de gegevens. Als de advocaat van mening is dat verschoningsgerechtigd materiaal is achtergebleven, meldt hij dit onderbouwd met argumenten aan de rechter-commissaris, die hierover zal beslissen.”

Bespreking van het middel

3.18

Het middel houdt in dat de rechtbank haar taakstelling en de aan te leggen maatstaf te beperkt en niet in lijn met de rechtspraak heeft ingevuld. Verder heeft de rechtbank het standpunt dat de bestanden in de map door het verschoningsrecht van de klagers worden geraakt, ten onrechte en zonder nadere motivering gepasseerd, door enkel acht te slaan op de filtering met zoektermen. Dat een extra controle is uitgevoerd, doet daar niet aan af, omdat die ook op filtering is gebaseerd. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte van de klagers verlangd concreet te maken welke bestanden door [betrokkene 1] zijn opgesteld ten behoeve van hun bijstand maar niet aan hen zijn toevertrouwd, aldus het middel.

3.19

Bij de bespreking van dit middel, wijs ik om te beginnen op het volgende. Wat betreft de bestanden in de map, waar het in cassatie enkel nog om gaat, verschilt deze zaak van andere waarin de filtering van gegevens noodzakelijk is. In die zaken is immers in het algemeen sprake van het redelijke vermoeden dat zich binnen een grote hoeveelheid gegevens ook verschoningsgerechtigde informatie bevindt, maar deze niet op voorhand zijn aan te wijzen. In de onderhavige zaak heeft de verschoningsgerechtigde echter van begin af aan voor concrete gegevens, namelijk de bestanden in de map, een beroep gedaan op het verschoningsrecht. In eerste instantie werd daarbij slechts gesteld dat het ging om bestanden die met de verschoningsgerechtigden waren gedeeld. Later werd gesteld dat het ook gaat om bestanden die niet zijn gedeeld, maar waarvan de inhoud wel daadwerkelijk bestemd was om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd.

3.20

Uit het weergegeven juridisch kader volgt dan, dat het er bij onderzoek van de rechter-commissaris niet om ging verschoningsgerechtigd materiaal te vinden, maar om de beoordeling of er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt dat de bestanden in de map object van verschoningsrecht uitmaken, onjuist is. Wat betreft de bestanden die nog niet met de verschoningsgerechtigden waren gedeeld, diende meer in het bijzonder te worden nagegaan of op grond van in aanmerking komende feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de inhoud van die geschriften daadwerkelijk bestemd was om door de cliënt aan de advocaat in de uitoefening van zijn beroep te worden toevertrouwd.

3.21

De rechtbank heeft in rov. 4.2.6 vooropgesteld dat zij “aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer [moet] beoordelen of bij de filtering tussen stukken of gegevens die wel en die niet onder het verschoningsrecht kunnen vallen onder leiding van de rechter-commissaris het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd.” In rov. 4.2.14 concludeert zij dat die waarborg inderdaad voldoende was. Gelet op het geschetste juridisch kader is dit op zichzelf inderdaad een te beperkt toetsingskader. De rechtbank heeft echter ook het uitgangspunt geformuleerd dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (rov. 4.2.4). Dit uitgangspunt heeft de rechtbank ook gehanteerd voor de beoordeling van de stukken die bestemd waren om aan de klagers toe te vertrouwen (rov. 4.2.12). Wanneer de overwegingen van de rechtbank in samenhang worden bezien, is er dan ook geen sprake van dat de rechtbank een onjuiste maatstaf voorop heeft gesteld.

3.22

Wel heeft de rechtbank zijn taak als beklagrechter miskend en daarmee een onjuiste toets aangelegd waar zij heeft geoordeeld dat de rechter-commissaris “niet onbegrijpelijk van oordeel [is] dat de stukken die niet aan de klagers zijn gestuurd en bij de filtering niet zijn geraakt door de zoektermen niet onder het verschoningsrecht van de klagers vallen en dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klagers dat dit wel zo is onjuist is.” Door slechts na te gaan of het oordeel van de rechter-commissaris begrijpelijk is, heeft de rechtbank immers geen eigen, zelfstandig oordeel gegeven.

3.23

Verder is het oordeel van de rechtbank dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klagers onjuist is, niet begrijpelijk voor zover daarmee is geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de bestanden in de map daadwerkelijk bestemd zijn om door [betrokkene 1] aan de klagers in de uitoefening van hun beroep te worden toevertrouwd. Tegenover het standpunt van de klagers is immers enkel gesteld dat de bestanden niet door zoektermen worden geraakt. Dat een zoekterm niet voorkomt in een bestand, sluit niet zonder meer uit dat het bestand daadwerkelijk was bestemd om aan de klagers toe te vertrouwen. De aanvullende onderzoekshandeling van de rechter-commissaris, te weten nagaan of de bestanden aan de klagers zijn gestuurd, is niet relevant voor bestanden waarvan juist wordt gesteld dat ze nog niet zijn gedeeld.

3.24

Op zichzelf is het terecht dat de rechtbank in een beoordeling als hier aan de orde, waarde hecht aan de door de klagers gegeven onderbouwing voor hun standpunt dat de gegevens daadwerkelijk waren bestemd om aan de klagers te worden toevertrouwd. Dat is hier te meer het geval vanwege het late moment in de procedure waarop dit standpunt werd ingenomen. Het oordeel van de rechtbank dat het op de weg van de klagers had gelegen om concreet te maken welke bestanden dit betreft en waarom dit het geval is, acht ik echter niet begrijpelijk.

3.25

De casuspositie in deze zaak is anders dan in de door mij onder 3.16 besproken arresten. Daarin was steeds sprake van een algemene veronderstelling over de (gefilterde) gegevens. In de onderhavige zaak hebben de klagers van begin af aan een standpunt ingenomen over een afgebakende groep bestanden. Het kabinet van de rechter-commissaris heeft de klagers vervolgens bij e-mail van 9 september 2025 (zie rov. 1.11 van de bestreden uitspraak) in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen van de rechter-commissaris om het onderzoeksteam kennis te laten nemen van bestanden. Daarbij legde de rechter-commissaris echter enkel de door haar gehanteerde werkwijze voor en niet de door haar voor vrijgave geselecteerde bestanden. Aan de klagers is ook niet op een ander moment medegedeeld welke bestanden zijn geselecteerd voor vrijgave. Dat gebeurde evenmin nadat de klagers de rechter-commissaris bij e-mail (zie rov. 1.11) en de rechtbank in raadkamer hierop hadden gewezen of nadat de officier van justitie had voorgesteld inzage te geven in de selectie (rov. 1.15). Gelet op dit samenstel van omstandigheden acht ik het niet begrijpelijk dat de rechtbank in feite van de klagers heeft verlangd dat zij op eigen initiatief met een nadere onderbouwing moeten komen. Dat de klagers zelf nog toegang hadden tot alle gegevens maakt dit niet anders.

3.26

Voor zover de rechtbank ter onderbouwing van haar oordeel nog verwijst naar de “Werkwijze filtering digitaal verschoningsgerechtigd materiaal”, merk ik het volgende op. In dit document wordt primair de filtering van materiaal beschreven en gaat het dus niet over de beoordeling of het door de verschoningsgerechtigde standpunt over bepaalde gegevens juist is (§ 2). Deze werkwijze voorziet wel in nader onderzoek als er aanwijzingen zijn dat zich nog steeds verschoningsgerechtigd materiaal in de gefilterde gegevens bevindt (§ 8.1). Dit nader onderzoek kan meebrengen dat inzage wordt gegeven in de gegevens die voor vrijgave zijn geselecteerd (§ 8.3). Uit de bestreden uitspraak wordt niet duidelijk waarom dit deel van de werkwijze niet van toepassing is, zodat de verwijzing naar de werkwijze niet bijdraagt aan de motivering van het oordeel van de rechtbank.

3.27

Het middel slaagt om deze redenen, zodat ik het middel buiten bespreking zal laten voor zover het zicht richt tegen het oordeel van de rechtbank dat alle bestanden die wel al aan de klagers zijn toevertrouwd door de filtering zijn aangemerkt als verschoningsgerechtigd materiaal.

4 Afronding

4.1

Het middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het beklag ten aanzien van de in de e-mail van klaagster van 18 december 2024 genoemde bestanden, tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam opdat de zaak op het bestaande beklag in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Blijkens de weergave van het chronologische procesverloop in de beschikking van de rechtbank vatten de klagers dit e-mailbericht op als een beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in 98 lid 3 en lid 4 Sv, waartegen zij op 16 oktober 2025 een klaagschrift indienen in de zin van art. 552a Sv. De uiteindelijke beschikking van de rechter-commissaris, met daarin de beslissing over ‘de inbeslagneming van de geheimhoudersstukken’ dateert van 30 oktober 2025. Dat betekent dat het klaagschrift is ingediend voordat de rechter-commissaris de beslissing als bedoeld in. 98 Sv heeft genomen. De rechtbank heeft vervolgens op gronden zoals vermeld in de beschikking geoordeeld dat de klagers alsnog in hun klaagschrift tegen deze beschikking kunnen worden ontvangen. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537 en HR 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1490, rov. 2.4.1 waarin wordt verwezen naar HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.3.1. Deze praktijk zal blijkens Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 628, worden gecodificeerd. Zie ook: HR 15 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048. O.a. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783, rov. 6.3. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, rov. 3.1.3. HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7817, rov. 3.2. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.2.1. HR 25 november 2015, ECLI:NL:HR:2016:2686, rov. 3.3.1. Behoudens uitzonderingsgevallen zoals genoemd in HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.6.4. HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686, rov. 3.4.2. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.2.3, waarin wordt verwezen naar HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.6.3. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, rov. 4.2.3. Vgl. HR 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1490, rov. 2.4.1, waarin wordt verwezen naar HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.3.1. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, rov. 5.4.3, over de vraag of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, en HR: 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, rov. 2.3.2, over de vraag of de inbeslaggenomen brieven of geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, rov. 5.2.4, die terugslaat op rov. 8.4 van de bestreden uitspraak. Zie rov. 4.3.1 van HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048. HR 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1490, rov. 2.4.2, waarin wordt verwezen naar HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314, rov. 2.4 en HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.4.4. Dit stuk is gedateerd 20 februari 2025 en te vinden via
https://www.rechtspraak.nl/binaries/_rts_1768922967108/content/assets/ao/ao-filteren-digitaal-verschoningsgerechtigd-materiaal-rechter-commissaris.pdf (geraadpleegd 30 september 2026).