Strafrecht overig

Conclusie AG. Veroordeling wegens poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl het feit de dood ten…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
25/02503
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:949
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Veroordeling wegens poging wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft (art. 282 lid 1 en lid 3 Sr). Falende middelen over het oordeel van het hof dat de verdachte opzet heeft gehad op de poging tot ontvoering en dat sprake is van medeplegen (M1) en over het oordeel van het hof dat ter uitvoering van wederrechtelijke vrijheidsberoving het slachtoffer met een vuurwapen in het lichaam is geschoten (M2). Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring dat de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge heeft gehad. AG gaat in op de vraag of toepassing kan worden gegeven aan de strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr indien die vrijheidsberoving niet is voltooid. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 25/02445 en 25/02515.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02503

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 3 juli 2025 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001443-23) – nadat hij door de rechtbank bij vonnis van 26 april 2023 integraal is vrijgesproken – wegens "medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 25/02445 en 25/02515. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2 De zaak in het kort

2.1

Volgens de vaststellingen van het hof heeft op 16 februari 2021 een poging tot ontvoering plaatsgevonden van [slachtoffer 1] . Dit was een wraakactie tegen een groep Colombianen die [medeverdachte 5] tijdens een ripdeal had beroofd van geld en een horloge. Deze actie werd mede georganiseerd door [medeverdachte 3] Bij de uitvoering waren verder betrokken [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] (zaak 25/02515), [medeverdachte 2] (25/02445; hierna ook: [medeverdachte 2] ), de verdachte [verdachte] en een onbekend gebleven persoon (‘ [betrokkene 2] ’).

2.2

Op de dag van het delict rijden deze personen vanuit meerdere locaties naar [plaats] . In verschillende samenstellingen maken zij tussenstops bij een tankstation langs de A1, een KFC-restaurant aan de [a-straat] in [plaats] en een Albert Heijn XL in [plaats] . De groep komt daarna, verdeeld over een viertal auto’s, aan in [plaats] . [medeverdachte 1] bestuurt een Mercedes waarin [medeverdachte 2] als bijrijder zit. Als [slachtoffer 1] contact maakt met [medeverdachte 1] , rijdt een Audi naar hem toe. Twee passagiers stappen uit deze Audi en proberen [slachtoffer 1] in de auto te duwen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stappen uit en proberen eveneens [slachtoffer 1] in de Audi te krijgen. Op dat moment wordt er geschoten op [slachtoffer 1] . De dadergroep vertrekt meteen en laat [slachtoffer 1] dodelijk gewond achter. [medeverdachte 2] stapt daarbij in de BMW die wordt bestuurd door [verdachte] en die tijdens de ontvoeringspoging vlakbij geparkeerd stond.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 primair bewezenverklaard dat:

“hij op 16 februari 2021 te [plaats] , gemeente [...] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, een afspraak heeft gemaakt met [slachtoffer 1] in [plaats] , en vervolgens met meerdere voertuigen en meerdere personen bewapend met vuurwapens naar de afgesproken plek is gekomen en [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en [slachtoffer 1] in de richting van een gereedstaand voertuig heeft getrokken en [slachtoffer 1] met een vuurwapen in het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden.”

3.2

De bewijsmiddelen voor deze feiten zijn opgenomen op pagina’s 15-50 van het arrest.

3.3

Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“Bewijsoverweging

Standpunten

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van de onder 1 tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Kort gezegd heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van wat zich zou gaan afspelen op [b-straat] in [plaats] en dat hij dus geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de ten laste gelegde feiten.

Feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.

Aanloop naar 16 februari 2021

[medeverdachte 5] is de gebruiker van het SkyECC (hierna: SKY) account [account 1] . De onbekende gebruiker van SKY-account [account 2] stuurt op 11 februari 2021 foto's van pakketten met vermoedelijk cocaïne naar [medeverdachte 5] . [account 2] zegt dat [medeverdachte 5] ‘25’ [het hof begrijpt: 25 kilogram] van hem krijgt en dat [medeverdachte 5] dan ‘money 150’ [het hof begrijpt: € 150.000,00] aan hem geeft. [account 2] stuurt dat hij [medeverdachte 5] later ziet, waarna [account 2] een foto van een straatnaambord van de [c-straat] stuurt. Na de ontmoeting stuurt [medeverdachte 5] berichten naar het SKY-account [account 3] , waarvan [medeverdachte 3] de gebruiker is. [medeverdachte 5] laat weten dat de Colombianen hem hadden vastgebonden en zijn Rolex en € 150.000,00 van hem hebben afgenomen. [medeverdachte 5] zegt verder dat hij tijdens de beroving besloot om te gaan liggen, omdat hij anders neergeschoten zou worden. De Colombianen zouden 25 kilogram cocaïne aan hem verkopen. Ze hebben twee kilogram echte cocaïne laten zien, maar de overige 23 kilogram bleek suiker te zijn. Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat op 11 februari 2021 sprake is geweest van een mislukte drugsdeal met een groep Colombianen waarbij [medeverdachte 5] als potentiële koper van een hoeveelheid cocaïne is beroofd van een aanzienlijk geldbedrag en een Rolex horloge.

[medeverdachte 3] biedt [medeverdachte 5] vervolgens zijn hulp aan om de Colombianen op te sporen en gevangen te zetten. [medeverdachte 3] zegt tegen [medeverdachte 5] dat hij Albanezen heeft die sterk zijn en indien nodig ‘veel uitrusting’ hebben. Hij heeft een team ter plaatse als dat nodig is. [medeverdachte 5] antwoordt bevestigend op de vraag van [medeverdachte 3] of hij moet rondvragen en zoeken en stuurt een afbeelding met het adres [c-straat] . Diezelfde dag laat [medeverdachte 4] , gebruiker van SKY-account [account 4] , aan twee onbekend gebleven personen weten dat [medeverdachte 5] door de Colombianen met wapens is bedreigd en is beroofd en hoe een en ander is gegaan. [medeverdachte 4] zegt dat hij in Servië is, maar dat hij al onderweg is.

[medeverdachte 3] laat op 12 februari 2021 aan [medeverdachte 5] weten dat hij al een team met uitrusting klaar heeft, dat ze weten wat ze moeten doen, en dat de Rolex en ‘de saus’ [het hof begrijpt: het geld] die uit hen wordt geperst, zodra ze ontwapend en vastgebonden zijn, voor [medeverdachte 5] zijn. Er komt vijf man met uitrusting. [medeverdachte 5] moet erbij komen zodra het klaar is. [medeverdachte 5] zegt hierop: “ik wil hen en de Rolex, voor het principe.” [medeverdachte 3] verzekert [medeverdachte 5] dat hij een professioneel team heeft. Zodra de Colombianen zijn ontwapend en vastgebonden, kan [medeverdachte 5] komen om hen te verhoren. Zijn team zal het vuile werk doen, maar er moet geen kop vallen want dan zal er veel geruis zijn. [medeverdachte 5] laat [medeverdachte 3] om 21.37 uur weten dat de Colombianen ‘het lokaas hebben gegrepen’ en dat zij een afspraak willen.

[medeverdachte 3] biedt [medeverdachte 5] op 13 februari 2021 nogmaals zijn hulp aan en biedt hem de keuze of hij zelf ‘die vent van straat wil plukken’ of dat anderen dat voor hem moeten doen. Hij benoemt daarbij dat het een heftige aanvaring kan zijn met gebruik van uitrusting.

Op 14 februari 2021 laat [medeverdachte 5] aan een onbekend gebleven persoon met SKY-account [account 5] weten wat het plan is. Hij schrijft: “en we moeten praten, zij moeten rijden en die Colombiaan van de straat oprollen en hem brengen, er moet alleen een plek geregeld worden waar naartoe”. Nadat de onbekend gebleven persoon een logeerplek aanbiedt, reageert [medeverdachte 5] : “zo eentje om hem daar naar binnen te dragen en breken, en verhoren” en “wij beveiligen aan de zijkanten, maar laat hen hem in het busje gooien, mij of jou zouden ze van ver herkennen.” Uit de inhoud van deze gesprekken volgt dat [medeverdachte 5] , al dan niet via anderen, in contact is gekomen met de Colombianen en een afspraak heeft gemaakt. Ook blijkt wat het doel van de afspraak is: een Colombiaan ontvoeren en (zwaar) mishandelen. Het ontvoeringsplan blijkt ook uit de hierna nog te bespreken SKY-gesprekken na afloop van de feiten op 16 februari 2021.

De gebeurtenissen op 16 februari 2021

Op 16 februari 2021 laat [medeverdachte 5] in de vroege ochtend aan meerdere personen weten dat de Colombianen rond 11.00 uur het adres zullen geven. [medeverdachte 3] reageert dat hij direct [betrokkene 1] gaat bellen dat hij zijn lui wakker maakt. Hij laat [medeverdachte 5] even later weten dat hij al naar vier een bericht heeft gestuurd dat ze moeten opstaan en dat eentje met uitrusting kan zijn. [medeverdachte 3] vraagt eerst om 12.06 uur aan [medeverdachte 5] waar ze naartoe moeten rijden, en vervolgens zegt hij tegen [medeverdachte 4] omstreeks 12.10 uur dat [medeverdachte 5] het bericht moet lezen omdat hij ‘ze’ ergens naartoe moet sturen. [medeverdachte 5] stuurt ongeveer tien minuten later naar [medeverdachte 3] een kaartje met de route naar [b-straat] in [plaats] en schrijft dat er maar één toegangsweg is. [medeverdachte 5] zegt dat ze daar voorlopig niet in moeten rijden. [medeverdachte 3] reageert dat zijn mensen vooralsnog naar [plaats] rijden.

Om 13.24 uur zegt [medeverdachte 3] dat zijn mensen over 15 minuten in het centrum van ‘dat plaatsje’ [het hof begrijpt: [plaats] ] kunnen zijn. Om 13.28 uur instrueert [medeverdachte 5] [medeverdachte 3] dat ‘ze 10 km bij die stad vandaan moeten wachten’ en dat hij hen daar zal ontmoeten. Hij stuurt [medeverdachte 3] het adres van de Albert Heijn XL aan de [d-straat] in [plaats] . [medeverdachte 5] zal ze daar opvangen en zegt dat hij met een witte en een donkerblauwe Citroën is. Omstreeks 14.00 uur vertrekken drie auto’s die betrokkenheid hebben gehad bij de schietpartij vanuit de omgeving van Den Haag richting Alkmaar en [plaats] , waaronder de Citroën C5 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Citroën). [medeverdachte 3] zegt dat er een Audi A3 op het parkeerterrein aan het wachten is. Hij vraagt aan [medeverdachte 5] om hem ook over te nemen en hem ergens neer te zetten. Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat vanuit Den Haag [medeverdachte 5] samen met anderen naar Alkmaar reist waar voorafgaand aan de afspraak met de Colombianen een ontmoeting plaatsvindt met andere betrokkenen bij het plan. Uit de SKY-berichten volgt dat de bedoeling is dat [medeverdachte 5] de anderen daar instrueert over wat er in [plaats] moet gebeuren.

Reisbewegingen Groep [A] en Groep [B]

Er zijn verder twee verdachtengroepen concreet in beeld gekomen. Groep [A] bestaat uit [medeverdachte 2] en [verdachte] . Zij zijn vrienden van elkaar, stonden op hetzelfde adres ingeschreven en [medeverdachte 2] werkte voor [verdachte] . Groep [A] rijdt op 16 februari 2021 omstreeks 8.30 uur vanaf 's-Heerenberg met de BMW X5 van [verdachte] (hierna: de BMW X5) in de richting van Amersfoort. De andere groep is Groep [B] , bestaande uit [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . [medeverdachte 1] rijdt met zijn Volvo op 16 februari 2021 omstreeks 10.00 uur vanuit de omgeving van Ermelo naar 't Harde. Vanaf daar wordt [medeverdachte 1] vergezeld door [betrokkene 2] en bewegen hun telefoons via eenzelfde route over de A27.

[betrokkene 2] en [medeverdachte 2] hebben omstreeks 11.23 uur telefonisch contact met elkaar, waarna de twee groepen elkaar ontmoeten bij een tankstation langs de snelweg. Daarna rijden de twee groepen door naar het filiaal van de Kentucky Fried Chicken (hierna: KFC) aan de [a-straat] te [plaats] . Aldaar worden zij vergezeld door in ieder geval de bestuurder van een Duitse Mercedes A200 met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Mercedes) en door de bestuurder van een Audi A6 Avant (station) met kenteken [kenteken 3] (hierna: de Audi A6).

Vanaf het KFC-restaurant vertrekt eerst de Audi A6 - via het centrum van [plaats] waar deze omstreeks 13.57 uur langsrijdt - naar de Albert Heijn XL aan de [d-straat] te [plaats] . [medeverdachte 1] - die zijn Volvo in Amsterdam achterliet - en [medeverdachte 2] zijn inmiddels naar de Audi A6 overgestapt, evenals [betrokkene 2] , die de Audi A6 vanaf dit moment bestuurde. Om 13.23 uur rijdt de Audi A6 voorbij Akersloot en pas op dat moment vertrekken de BMW X5, met daarin [verdachte] als enige inzittende, en de Mercedes in de richting van Alkmaar . Omstreeks 15.00 uur stralen de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] zendmastlocaties aan die dekking geven aan de [d-straat] in [plaats] . Uit voorgaande bevindingen leidt het hof af dat aan de [d-straat] in [plaats] een ontmoeting plaatsvindt met enkele mannen, onder wie degenen die bij de eerdere ontmoetingen aanwezig waren, en [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] voert op dat moment een voorverkenning uit in [plaats] .

De reis van Alkmaar naar [plaats]

Na deze ontmoeting rijdt [verdachte] met zijn BMW X5 naar [plaats] . Ook de Mercedes en de Audi A6 vertrekken daar naartoe. Uit de track- en tracegegevens van de Mercedes blijkt dat dit voertuig om 15.09 uur uit Alkmaar is vertrokken en naar [plaats] rijdt. [medeverdachte 4] schrijft om 15.10 uur naar [medeverdachte 3] : “Nee, ik ben in een andere auto met de uitrusting.” Om 15.13 uur stuurt [medeverdachte 5] de volgende audioberichten naar [medeverdachte 4] : “ze gaan er al naar toe, in ieder geval in een BMW een X5, in ieder geval een Audi in stationcar uitvoering en nog een Mercedes. Ze rijden er al daar naar toe”, “Ze zeiden dat er vlakbij de rotonde een Colombiaans varken rondloopt” en “Wij rijden daar al naar toe, met een Citroën, verdomme, ook zo'n Jeepje, we rijden met een Jeepje-Citroën en de Audi in de combi rijdt eveneens.” De voertuigen die [medeverdachte 5] in dit bericht noemt, zijn ook te zien op camerabeelden in (het centrum van) [plaats] , terwijl deze achtereenvolgens naar [plaats] rijden. Te zien is dat eerst de Audi A6 hier arriveert, die vijf seconden later wordt gevolgd door [verdachte] in de BMW X5. Ongeveer een minuut later rijdt de Citroën op dezelfde plek voorbij.

De gebeurtenissen op [b-straat] in [plaats]

Uit de (beschrijving van de) camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier, blijkt het volgende. Om 15.28 uur parkeert een Ford Focus op [b-straat] , aan de kant van de flat. Om 15.34 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 1] een zendmast aan in [plaats] en rijdt de Audi A6 een verkenningsronde over de rotonde, waarna de auto uit beeld verdwijnt. Omstreeks 15.36 uur komt [verdachte] met zijn BMW X5 voor de eerste keer aanrijden bij de rotonde bij de plaats delict. Hij rijdt met lage snelheid een rondje en verlaat vervolgens de plaats delict. Na ongeveer anderhalve minuut arriveert [verdachte] wederom stapvoets bij de rotonde, en verlaat hij wederom de plaats delict. Na deze twee rondes voert [verdachte] een telefoongesprek met [medeverdachte 2] van 74 seconden.

Om 15.38 uur rijdt [verdachte] voor de derde keer zijn BMW X5 [b-straat] op en parkeert daar in een parkeervak. Een paar seconden later rijdt de Mercedes [b-straat] op en parkeert eveneens in een parkeervak, vlakbij de plaats waar de Ford Focus staat. Om 15.33 uur hadden de Colombianen een WhatsAppbericht ontvangen dat ‘ze’ aankomen in een witte Mercedes. Om 15.42 uur loopt het latere slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) vanaf de [e-straat] [b-straat] op en hij loopt naar de Mercedes toe waar hij aan de bestuurderszijde blijft staan en kennelijk in gesprek raakt met de bestuurder. Rond dezelfde tijd rijdt de Citroën C5 [b-straat] op en passeert het slachtoffer ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats. De Citroën C5 rijdt de rotonde op en verdwijnt uit beeld. Enkele ogenblikken later, omstreeks 15.43 uur, rijdt de Citroën C5 weer de rotonde van [b-straat] op.

Om 15.44 uur rijdt de Audi A6 [b-straat] op en stopt ter hoogte van de Mercedes, waar het slachtoffer nog steeds staat. Op het moment dat de Audi A6 stopt, klinkt er direct een luide knal. Er stappen achtereenvolgens vanuit de rechterachterportier en de bijrijdersplaats van de Audi A6 twee personen (persoon 1 en persoon 2) uit die naar het slachtoffer lopen, waarbij er een worsteling ontstaat en persoon 1, even later geholpen door persoon 2, het slachtoffer via de linkerzijde van het voertuig in de Audi A6 probeert te duwen. Op een gegeven moment rijdt [verdachte] met zijn BMW X5 achterwaarts uit het parkeervak en blijft hij op de rijbaan staan. Vrijwel op hetzelfde moment stappen er twee personen uit de Mercedes. De bestuurder van de Mercedes, van wie het hof op basis van het forensische bewijs en de locatiegegevens van zijn telefoon zoals die hierna worden besproken vaststelt dat dit [medeverdachte 1] is, loopt naar de mannen die bij de Audi A6 aan het worstelen zijn en maakt direct een slaande beweging met zijn arm. Ook de persoon op de bijrijdersstoel van de Mercedes, van wie het hof op basis van de verklaring van [verdachte] vaststelt dat dit [medeverdachte 2] is, loopt daar naartoe en neemt deel aan de worsteling. Dan klinkt er weer een harde knal. Terwijl de worsteling nog gaande is, loopt [medeverdachte 2] naar de BMW X5 van [verdachte] . Dan zijn er meerdere knallen te horen. Twee van de mannen lopen naar de Mercedes, stappen in en rijden met verhoogde snelheid weg. [medeverdachte 2] is inmiddels als bijrijder bij [verdachte] in de BMW X5 gestapt, die ook wegrijdt. De andere man is in de Audi A6 gestapt, die eveneens wegrijdt. Het slachtoffer blijft liggend op de grond achter en wordt door twee personen in de Ford Focus getild. Om 15.46 uur rijdt de Ford Focus ook weg.

Het overlijden van het slachtoffer

De inmiddels gealarmeerde politie treft de Ford Focus kort daarna rijdend aan in [plaats] . Het slachtoffer wordt ernstig gewond aangetroffen en is ter plaatse overleden. Het NFI heeft een sectie verricht op het lichaam. Daarbij zijn drie schotletsels aangetroffen, waarvan één schampschot ter hoogte van de heup. Het tweede schotletsel betreft een inschotverwonding aan de voorzijde van zijn rechterbovenbeen en een uitschotverwonding aan de achterzijde van het rechterbovenbeen. Het rechterbovenbeen was hierdoor gebroken. Het derde schotletsel betreft een inschotverwonding hoog op de rug, tussen de schouderbladen. Het NFI heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer zonder meer wordt verklaard door inwendige letsels als gevolg van het inschotletsel hoog aan de rug, met een mogelijke bijdrage aan het overlijden of de snelheid van het overlijden van een doorschot door het rechterbovenbeen.

De kogel van het kaliber 9mm Parabellum zat nog in het lichaam van het slachtoffer. Op de plaats delict zijn twee hulzen aangetroffen van het kaliber 9mm Parabellum (bodemstempel CBC 9mm Luger) en zeven hulzen van het kaliber 7.65mm Browning (bodemstempel 7.65mm 15 S&B). Het NFI heeft geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de inschotbeschadiging in de spijkerbroek van het slachtoffer is veroorzaakt door een kogel van het kaliber 9mm Parabellum, dan door munitie van het kaliber 7.65mm Browning. Tevens is de conclusie zowel ten aanzien van de aangetroffen hulzen van het kaliber 7.65mm Browning als de aangetroffen hulzen van het kaliber 9mm Parabellum dat deze zijn verschoten met één vuurwapen.

Gebeurtenissen na afloop van de mislukte ontvoering

Om 16.08 uur, ruim twintig minuten na het schietincident, stuurt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 5] : “Jullie kunnen daar beter wegwezen, want iets is niet oké.” [medeverdachte 5] schrijft terug: ‘weet ik’. [medeverdachte 3] vraagt of hij een bunker klaar moet maken en [medeverdachte 5] antwoordt met ‘nee’. Om 16.10 uur laat [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] weten dat hij aan het oprotten is. [medeverdachte 4] stuurt naar SKY-account [account 6] : “wat een rit, verdomme”, “bij ons iedereen heel”, “we hebben twee getroffen”, “zij waren verrast en zij spraken op het parkeerterrein af” en “en toen wij begonnen die ene in te trekken [ook: naar binnen te trekken], strooiden zij zich uit en begonnen te bonken en ik verneukte hem direct 2 keer en de klojo viel neer in die andere”. Naar het oordeel van het hof duidt dit, in onderlinge samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, erop dat de dadersgroep het slachtoffer heeft verrast met de poging tot ontvoering en dat er vanuit de dadersgroep in ieder geval tweemaal op hem is geschoten.

De Mercedes is in de avond van 16 februari 2021 aangetroffen in [plaats] . Op beelden is te zien dat op die plek rond 15.52 uur twee personen in de Citroën C5 stappen. Vlak daarvoor passeert de Audi A6 die plek.

De telefoon en de auto van [verdachte] bewegen zich na het schietincident in de richting van [plaats] , waar de telefoon omstreeks 18.15 uur een zendmast aanstraalt. Vervolgens beweegt de telefoon zich via Landsmeer en de omgeving van Arnhem in de richting van de Duitse grens, waar [verdachte] woont. De telefoon van [medeverdachte 2] maakt een zelfde soort reisbeweging, evenals de telefoon van [betrokkene 2] voor het eerste deel van de terugreis, waardoor hieruit kan worden afgeleid dat zij na afloop van de schietpartij samen zijn gereisd.

De telefoon van [medeverdachte 1] straalt rond 15.58 uur zendmasten aan in Heiloo en Egmond-Binnen. Vervolgens verplaatst de telefoon zich naar Castricum (16.04 uur) en Uitgeest (16.08 uur). Deze reisbeweging vertoont overeenkomsten met de route die de Citroën C5 na het schietincident heeft afgelegd. Rond 17.00 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 1] een zendmast in Amsterdam aan. Ook de Citroën C5 is rond dat tijdstip in Amsterdam . Om 17.15 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 1] een zendmast aan in Ouderkerk aan de Amstel. Deze zendmastlocatie geeft onder meer dekking aan het gebied rond de KFC aan de [a-straat] in [plaats] . Verder staat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] op 16 februari 2021 na het incident in [plaats] in contact met de telefoon van [medeverdachte 1] .

Rol van [verdachte]

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] met [medeverdachte 2] in de ochtend van 16 februari 2021 vanuit de omgeving ’s Heerenberg in de richting van Amersfoort is gereisd. Bij een tankstation langs de A1 hebben zij onder andere [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] ontmoet. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] een ontmoeting bij de KFC in [plaats] met in ieder geval [medeverdachte 1] , NN7433 en de bestuurders van de Mercedes en de Audi A6. Deze laatste twee voertuigen zijn gebruikt bij de mislukte ontvoering. Vanaf daar is [verdachte] in zijn BMW X5 en is [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] in de Audi A6 via [plaats] naar de volgende ontmoetingsplaats in Alkmaar gereden, alwaar ook de Mercedes aanwezig was. Daar heeft [medeverdachte 5] instructies gegeven over wat er in [plaats] moest gebeuren. Vervolgens is [verdachte] naar [plaats] gereisd en heeft hij met een tussenpose van ongeveer een minuut, tot tweemaal toe langzaam een ronde gereden over [b-straat] en heeft dat vervolgens weer verlaten. Hij heeft dan telefonisch contact met [medeverdachte 2] en komt even later voor de derde keer [b-straat] op gereden en heeft zijn BMW geparkeerd. Kort na de BMW komt de Mercedes aangereden en parkeert deze bijna recht tegenover de Ford Focus. Nadat er een worsteling was ontstaan tussen het slachtoffer en de twee personen uit de Audi A6 die hem in deze auto probeerden te duwen, zijn ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitgestapt uit de Mercedes. Zij hebben zich met de worsteling bemoeid en hebben samen met de andere twee personen geprobeerd het slachtoffer in de Audi A6 te duwen. Tegelijkertijd is [verdachte] achteruit het parkeervak uitgereden en heeft hij vervolgens gewacht totdat [medeverdachte 2] bij hem in de auto is gestapt. Kort daarna is hij weggereden.

Voornoemde feiten en omstandigheden zijn op zichzelf genomen redengevend voor het bewijs dat [verdachte] betrokken is bij de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat de verschillende ontmoetingen en de door [medeverdachte 5] gegeven instructies verband hielden met de geplande ontvoering. Het is onder deze omstandigheden aan de verdachte om een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven voor deze belastende feiten en omstandigheden.

[verdachte] heeft zich zowel tijdens het eerste politieverhoor als bij de rechter-commissaris grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Op 14 juni 2021 heeft [verdachte] voor het eerst een inhoudelijke verklaring afgelegd waarin een alternatief scenario wordt gegeven. Op dat moment was reeds het procesdossier ten behoeve van de voorgeleiding op 4 juni 2021 verstrekt. Dat brengt met zich dat extra behoedzaamheid moet worden betracht bij de beoordeling van de aannemelijkheid van die verklaring. De mogelijkheid bestaat immers dat [verdachte] zijn verklaring heeft afgestemd op de onderzoeksresultaten in het dossier.

[verdachte] heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van wat er op [b-straat] op 16 februari 2021 stond te gebeuren. Hij had die dag een afspraak met het autobedrijf [C] in [plaats] en is daar met zijn vriend [medeverdachte 2] heengereden. Toen [medeverdachte 2] werd gebeld door een vriend, is hij met [medeverdachte 2] gestopt bij een tankstation langs de snelweg A1 en later bij de KFC aan de [a-straat] in [plaats] . Even later is hij alleen naar de parkeerplaats bij de Albert Heijn XL aan de [d-straat] in [plaats] gereden om daar drinken te kopen. Op verzoek van [medeverdachte 2] is hij vervolgens alleen naar [b-straat] in [plaats] gereden. Het adres waar hij moest zijn, had hij van [medeverdachte 2] op een briefje gekregen. Omdat hij niet wist waar hij precies moest zijn en geen huisnummer had gekregen heeft hij rondes over de parkeerplaats van [b-straat] gereden. Nadat hij een schot hoorde, wilde hij wegrijden. Dat lukte niet direct omdat er een auto achter hem langsreed. Toen hij [medeverdachte 2] zag komen aanlopen, heeft hij op hem gewacht en zijn ze samen weggereden naar het autobedrijf in [plaats] .

Het hof acht de verklaring van [verdachte] niet aannemelijk geworden. Dat hij die dag als onwetende vriend mee is gegaan met [medeverdachte 2] en geen wetenschap had van het ontvoeringsplan is gelet op al het vorenstaande ongeloofwaardig. Het handelen van [verdachte] na het instructiemoment te Alkmaar is juist in lijn met de uitvoering van het ontvoeringsplan. Zijn rijgedrag op [b-straat] valt aan te merken als het rijden van verkennende rondes. Dat hij zo langzaam twee rondes heeft gereden omdat hij niet wist waar hij precies moest zijn, acht het hof eveneens ongeloofwaardig. Uit de beelden blijkt dat er op dat moment voldoende parkeerplekken vrij waren om in dat geval te parkeren en [medeverdachte 2] daarover te bellen. Bovendien heeft [medeverdachte 2] niet verklaard dat hij een adres aan [verdachte] heeft gegeven, maar heeft hij verklaard dat [verdachte] hen zou volgen. Dat sluit ook aan bij de camerabeelden van [plaats] waarop te zien is dat de BMW van [verdachte] meteen na de Audi A6 in beeld komt. Ten slotte wordt de verklaring van [verdachte] , inhoudende dat hij schrok toen hij een schot hoorde en direct weg wilde rijden maar dit niet lukte vanwege een passerende auto, weerlegd door de bewijsmiddelen. Daaruit volgt dat het eerste schot te horen is om 15.44.13 uur waarna de BMW pas ongeveer 20 seconden later achterwaarts het parkeervak uitrijdt en op de rijbaan blijft staan. Kort daarna volgt een tweede schot. Op dat moment loopt [medeverdachte 2] in de richting van de BMW. Om 15.44.46 uur is een salvo aan schoten te horen en rijdt een witte Seat Leon achter de BMW langs. [verdachte] had dus al eerder ongehinderd weg kunnen rijden na het horen van het eerste schot.

De verdachte is er dus niet in geslaagd een verklaring te geven die de redengevendheid van de hiervoor genoemde belastende feiten en omstandigheden ontzenuwt.

Het hof concludeert dan ook gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de poging wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

Medeplegen van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2 primair)

Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat er planmatig is gehandeld en intensief is samengewerkt door [verdachte] en zijn medeverdachten, waarbij de taken onderling werden verdeeld, alsmede dat [verdachte] aanwezig is op verschillende cruciale momenten en dat hij een belangrijke rol heeft in de feitelijke uitvoering. Hij heeft twee verkennende rondjes gereden op [b-straat] , heeft vervolgens [medeverdachte 2] gebeld, kennelijk om deze te informeren over de situatie ter plaatse, en parkeert kort daarna op [b-straat] op een plek waar hij zicht heeft op de auto van het slachtoffer en op de plek waar de ontmoeting met het slachtoffer gaat plaatsvinden. Even later komen de medeverdachten met de Mercedes en vervolgens de Audi aanrijden, wordt door een medeverdachte met het slachtoffer gesproken en wordt vervolgens door de medeverdachten, onder wie [medeverdachte 2] , gepoogd het slachtoffer met geweld in de Audi te krijgen. Tegelijkertijd rijdt [verdachte] langzaam achteruit, wacht op [medeverdachte 2] en rijdt met hem weg, waarmee hij heeft gefungeerd als chauffeur van een vluchtauto. Aldus is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] medepleger is van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

Strafverzwarende omstandigheid ‘de dood ten gevolge hebbend’

Onder feit 2 primair is de strafverzwarende omstandigheid tenlastegelegd dat de poging tot ontvoering de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. Voor een bewezenverklaring van het strafverzwarende gevolg is vereist dat een zodanig verband bestaat tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood redelijkerwijs als gevolg van dat feit aan de verdachten kan worden toegerekend. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen - zoals hiervoor weergegeven - volgt dat [verdachte] en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren. Tijdens de uitvoering van de poging om het slachtoffer in een auto te duwen, is het slachtoffer door een medeverdachte in zijn rug en zijn been geschoten, ais gevolg waarvan hij is komen te overlijden. Onder deze omstandigheden bestaat een zodanig verband tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Medeplegen dan wel medeplichtigheid (gekwalificeerde) doodslag (feit 1 primair en subsidiair)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat een van de verdachten van de poging tot ontvoering de kogels die het slachtoffer dodelijk hebben geraakt op hem heeft afgevuurd. Naar het oordeel van het hof is [verdachte] niet aan te merken als medepleger van deze doodslag noch als medeplichtige daaraan. [verdachte] heeft als uitvoerder deelgenomen aan een plan dat inhield dat het slachtoffer op klaarlichte dag op een parkeerplaats met geweld zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden. Het was dus de bedoeling het slachtoffer levend in de auto te krijgen. Op het moment dat er op [b-straat] schoten worden gelost is [verdachte] in zijn auto blijven zitten en heeft zich niet gemengd in de confrontatie met het slachtoffer. Het hof is dan ook van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is waaruit volgt dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. [verdachte] zal dan ook van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.”

4 Het eerste middel

4.1

Het eerste middel richt zich met twee motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van feit 2 primair, het medeplegen van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden. De eerste deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat dat sprake was van opzet op de poging tot de ontvoering, omdat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte ervan op de hoogte was dat er een poging tot ontvoering zou plaatsvinden, althans, dat hij de aanmerkelijke kans daarop niet heeft aanvaard. Zo zou niet uit de bewijsmiddelen af te leiden zijn dat “ [medeverdachte 5] in Alkmaar [aan de verdachte] instructies heeft gegeven over wat er in [plaats] moest gebeuren.” Volgens de stellers van het middel reden te meer dat het hof “met voldoende nauwkeurigheid in zijn overweging het wettige bewijsmiddel [had] moeten aanduiden waaraan het dit gegeven ontleent”. De tweede deelklacht richt zijn pijlen op het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat, “indien uit de bewijsvoering (…) wel kan worden afgeleid dat [de verdachte] op de hoogte was van het ontvoeringsplan”, uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking en meer in het bijzonder “een belangrijke rol in de uitvoering” en dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte veeleer verband houden met medeplichtigheid.

4.2

De eerste deelklacht berust in de eerste plaats op de veronderstelling dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat in Alkmaar aan de verdachte instructies zouden zijn gegeven over wat er in [plaats] , de plaats delict, zou moeten gebeuren met betrekking tot de beoogde wederrechtelijke vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1] , als gevolg waarvan het opzet niet kan worden bewezenverklaard. Ik meen dat die veronderstelling gelet op de inhoud van bewijsmiddel 15 onjuist is en dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist. Dat bewijsmiddel, waarin chatgesprekken van Sky-ID gebruikers [medeverdachte 4] (medeverdachte) en [account 3] , waarvan volgens de vaststellingen van het hof [medeverdachte 3] de gebruiker is, zijn weergegeven, houdt namelijk in dat op 16 februari 2021 van 12:07:37-12:12:56 uur door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 4] is gestuurd: “Want ik moet ze ergen naartoe verwijzen”, “Welke wijk”, “is beter dat jullie die [mensen] van mij al eerder overnemen en aan het uitleggen wat ze moeten doen. Het opstellen.” Mijns inziens heeft het hof, mede gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen die deze berichten van context voorzien, hieruit niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat aan de aldaar aanwezige mensen instructies zijn gegeven over de beoogde vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1] . Uit de bewijsvoering blijkt bovendien dat de verdachte, samen met medeverdachten, in [plaats] op de parkeerplaats van de Albert Heijn XL aanwezig was (onder meer uit bewijsmiddel 1), hetgeen hij ook overigens niet heeft ontkend.

4.3

De stellers van het middel voeren vervolgens aan dat al zou uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat [medeverdachte 5] bij de Albert Heijn XL in [plaats] de instructies met betrekking tot het ontvoeringsplan heeft gegeven, daaruit nog niet kan volgen dat de verdachte die instructies ook heeft aangehoord. Dat de verdachte in hoger beroep heeft verklaard dat hij slechts bij die Albert Heijn XL was om drinken te kopen, “en dat hij als onwetende vriend is meegegaan” heeft het hof ongeloofwaardig geacht. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat “het handelen van [verdachte] na het instructiemoment (…) juist in lijn was met de uitvoering van het ontvoeringsplan”. Daarbij heeft het hof gewezen op zijn eigen gedrag op [b-straat] dat naar het oordeel van het hof valt aan te merken als het rijden van “verkennende rondes”. Dat het hof die verklaring ongeloofwaardig vindt, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik neem daarbij nog in aanmerking dat volgens de vaststellingen van het hof vlak na het geven van de instructies [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 4] laat weten dat in ieder geval een BMW X5 (zijnde de auto van de verdachte) ‘ernaartoe’ gaat. Het middel faalt in zoverre.

4.4

Dat brengt mij tot de bespreking van de tweede deelklacht. Het hof heeft met betrekking tot het medeplegen het volgende vastgesteld. [verdachte] reist in de ochtend van 16 februari 2021 samen met medeverdachte [medeverdachte 2] in de richting van Amersfoort, waar zij medeverdachten [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] bij een tankstation langs de A1 ontmoeten. [verdachte] en [medeverdachte 2] vervolgen hun weg en hebben bij de KFC in [plaats] een ontmoeting met [medeverdachte 1] , [betrokkene 2] en de bestuurders van twee andere auto’s die zijn gebruikt bij de “mislukte ontvoering”, namelijk de Mercedes en de Audi A6. [verdachte] rijdt vervolgens met zijn BMW X5 naar de ontmoetingsplaats bij de Albert Heijn XL in [plaats] . Daar is ook de Mercedes aanwezig. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 5] op die locatie en op dat moment instructies geeft over het plan om [slachtoffer 1] te ontvoeren in [plaats] . Het hof heeft zoals gezegd bovendien kennelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat [verdachte] ter plaatse die instructies ook meekrijgt. [verdachte] reist vervolgens door naar [plaats] en rijdt daar met een tussenpose van ongeveer een minuut, tot tweemaal toe langzaam een ronde over [b-straat] , om dat plein weer te verlaten. Op dat moment heeft [verdachte] (74 seconden) telefonisch contact met [medeverdachte 2] en rijdt even later voor een derde keer [b-straat] op. Daarna parkeert hij zijn BMW. Kort daarna parkeert de Mercedes met daarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bijna recht tegenover de Ford Focus. Er ontstaat een worsteling tussen het slachtoffer en de twee personen uit de Audi A6. Deze personen proberen het slachtoffer in de Audi A6 te duwen en krijgen daarbij hulp van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Gedurende deze worsteling rijdt [verdachte] achteruit het parkeervak en wacht tot [medeverdachte 2] bij hem instapt om daarna weg te rijden.

4.5

Op basis van die vaststellingen is het hof van oordeel dat “planmatig is gehandeld en intensief is samengewerkt door [verdachte] en zijn medeverdachten, waarbij de taken onderling werden verdeeld, alsmede dat [verdachte] aanwezig is op verschillende cruciale momenten en dat hij een belangrijke rol heeft in de feitelijke uitvoering”. Daartoe acht het hof van belang dat [verdachte] :
i) op de hoogte is van het ontvoeringsplan;
ii) twee verkennende rondes heeft gereden over [b-straat] ;

iii) telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 2] om [medeverdachte 2] “kennelijk te informeren over de situatie ter plaatse”,

iv) kort na dat gesprek parkeert op [b-straat] op een plek waar hij zicht heeft op de auto van het slachtoffer;

v) op het moment dat de poging tot vrijheidsbeneming plaatsvindt langzaam achteruitrijdt en wacht op zijn medeverdachte [medeverdachte 2] die in de worsteling met het slachtoffer is betrokken;

vi) fungeert als chauffeur van de vluchtauto voor [medeverdachte 2] ;

vii) en dat hij geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

Het hierop gebaseerde oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste een nauwe en bewuste samenwerking, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1

Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit en bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat ter uitvoering van wederrechtelijke vrijheidsberoving het slachtoffer met een vuurwapen in het lichaam is geschoten niet zonder meer begrijpelijk is. In dat verband voeren de stellers van het middel aan dat het de bedoeling was om het slachtoffer levend in de auto te krijgen en dat derhalve in het plan van de ontvoering niet de dood van het slachtoffer besloten lag. Daarbij wijzen zij erop dat de verdachte is vrijgesproken van (het opzet op) de doodslag op het slachtoffer.

5.2

Blijkens de bewijsvoering heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte en zijn medeverdachten waren van plan het slachtoffer met geweld te ontvoeren, waarbij in elk geval één van hen “uitrusting” mee nam. Uit de bewijsvoering van het hof volgt verder dat de verdachten er rekening mee hielden dat het “een heftige aanvaring [kan] zijn met gebruik van uitrusting” en dat “er geen kop moet vallen want dan zal er veel geruis zijn” (bewijsmiddel 7). Het hof heeft verder vastgesteld dat tussen het slachtoffer en twee medeverdachten een worsteling ontstaat en dat deze twee medeverdachten het slachtoffer in een auto proberen te duwen. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben zich vervolgens met de worsteling bemoeid en samen met de twee andere personen geprobeerd om het slachtoffer in de Audi A6 te duwen. Dan klinkt er een harde knal. Terwijl de worsteling gaande is, loopt [medeverdachte 2] naar de auto van de verdachte, waarna er meerdere knallen te horen zijn. De verdachte is tegelijkertijd het parkeervak uitgereden en heeft vervolgens gewacht tot de medeverdachte [medeverdachte 2] bij hem in de auto is gestapt.

5.3

Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat ter uitvoering van de wederrechtelijke vrijheidsberoving in het lichaam van het slachtoffer is geschoten, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat het doel was om het slachtoffer levend in de auto te krijgen, sluit mijns inziens niet uit dat ter uitvoering van de wederrechtelijke vrijheidsberoving op het slachtoffer is geschoten om het slachtoffer – dat zich verzette - te overmeesteren. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet evenmin af dat de verdachte is vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde (gekwalificeerde) doodslag op het slachtoffer. Daarbij merk ik op dat het onder 2 bewezenverklaarde gevolg een geobjectiveerd delictsbestanddeel betreft en dat het gevolg, te weten de dood van het slachtoffer derhalve is onttrokken aan het opzetvereiste.

6 Het derde middel

6.1

Het derde middel heeft betrekking op de door het hof onder feit 2 bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid uit art. 282 lid 3 Sr, te weten dat het feit de dood ten gevolge heeft.

6.2

Voor het toepasselijke juridische kader verwijs ik naar de randnummers 6.2-6.30 van mijn conclusie in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] (zaak 25/02445). Daarin kom ik tot de slotsom dat er geen reden is waarom binnen het door mij uiteengezette algemeen juridisch kader zou moeten worden geoordeeld dat een poging tot vrijheidsberoving nooit de dood ten gevolg kan hebben. Wel zullen bij het oordeel over toerekening de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder de mate waarin de uitvoeringshandelingen van de poging de daadwerkelijke vrijheidsberoving nadert.

De bespreking van het middel

6.3

In de onderhavige zaak is bij de uitvoering van de bewezenverklaarde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving het slachtoffer om het leven gekomen. Het hof heeft in dat verband onder meer vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan een plan dat inhield dat het slachtoffer op klaarlichte dag op een parkeerplaats met geweld zou worden ontvoerd om hem vervolgens vast te houden. De verdachte heeft voorafgaand aan de poging tot ontvoering verkennende rondjes gereden op de plaats delict. Tijdens de poging om het slachtoffer te ontvoeren ontstaat er een worsteling met twee medeverdachten. De verdachte staat op dat moment met zijn BMW X5 geparkeerd in de nabijheid van de plaats delict. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voegen zich bij de worsteling met het slachtoffer, waarna er (weer) een harde knal klinkt. Terwijl de worsteling nog gaande is, loopt de medeverdachte [medeverdachte 2] naar de BMW X5 van de verdachte, die de verdachte inmiddels uit het parkeervak heeft gereden. Dan zijn er meerdere knallen te horen, waarna het slachtoffer liggend op de grond achterblijft. De verdachte blijft wachten tot [medeverdachte 2] bij hem in de auto is gestapt en rijdt vervolgens weg. Het slachtoffer wordt vervolgens in de Ford Focus getild. Het hof stelt vervolgens vast dat de politie de Ford Focus rijdend nabij [plaats] aantreft met daarin een ernstig gewond slachtoffer en dat het slachtoffer ter plaatse is overleden. Op basis van het NFI rapport stelt het hof kort gezegd nog vast dat “het overlijden van het slachtoffer zonder meer wordt verklaard door inwendige letsels als gevolg van” inschot- en doorschotletsels..

6.4

In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de dood niet zou zijn ingetreden als de poging tot ontvoering niet had plaatsgevonden. Het schieten op het slachtoffer is ook als uitvoeringshandeling van de poging bewezenverklaard. De vaststelling door het hof dat de verdachte en zijn medeverdachten van plan waren het slachtoffer met geweld te ontvoeren en dat een aantal van hen “uitrusting” meenam, houdt in dat het gevolg voor de verdachte voorzienbaar was. De vaststellingen van het hof dat een worsteling gaande was waarin vier mensen probeerden het slachtoffer in een auto te duwen, kunnen ten slotte niet anders worden uitgelegd dan dat de vrijheidsberoving bijna (zo niet geheel) was voltooid. Het hierop gebaseerd oordeel van het hof dat een zodanig verband bestaat tussen de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer, dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

6.5

Het derde middel faalt.

7 Afronding

7.1

Alle middelen falen. Afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand, omdat het gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken.

7.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:GHAMS:2025:1704. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.