Strafrecht overig

Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Medeplegen…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
24/01117
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:952
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Medeplegen gewoontewitwassen, begaan door rechtspersoon. M1 richt zich met negen falende deelklachten tegen verwerping hof van verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending vertrouwensbeginsel. M2 klaagt terecht over schending inzendtermijn. Ook ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft hoogte aan verdachte opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01117

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 maart 2024 (parketnr. 20-000021-19) middels gedeeltelijk bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 20 december 2018 de verdachte wegens “medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon”. veroordeeld tot een geldboete van € 9.000,00.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01118, 24/01119, 24/01120, 24/01121 en 24/01126. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.E. Sternfeld en W.H. Jebbink, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

1.4

Met het eerste middel wordt geklaagd over de verwerping van een verweer over het vertrouwensbeginsel. Het tweede middel bevat een klacht over een schending van de inzendtermijn.

2 De zaak

2.1

De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest en het bevestigde vonnis – betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok), en de route van het geld dat daarmee werd verdiend. Tijdens het onderzoek is in kaart gebracht welke (internationale) rechtspersonen en natuurlijke personen hierbij een rol hebben gespeeld. Uit het arrest van het hof kan worden opgemaakt dat in de ten laste gelegde periode op de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 3] , [internetsite 4] , [internetsite 5] , [internetsite 6] en [internetsite 7] kansspelen werden aangeboden, gericht op Nederlandse consumenten. Het opzettelijk (online) aanbieden van kansspelen in Nederland zonder vergunning is een misdrijf op grond van de Wok en de Wet op de economische delicten (hierna: WED) en daarmee strafbaar. Dit betekent dat inkomsten die met deze kansspelen zijn gegenereerd, afkomstig zijn uit een misdrijf. De spelers van online kansspelen legden geld in door betalingen via creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [A] . De inkomsten uit online kansspelen werden onder meer gebruikt om de rechtspersonenstructuur van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te financieren/van inkomen te voorzien. Zo is door [A] in totaal € 11.841.613,- overgemaakt naar bestuurder [B] . [verdachte] heeft vanaf 2007 geldbedragen geleend van [B] , oplopend tot in totaal ruim 1,4 miljoen euro. Dat geld heeft [verdachte] verworven en voorhanden gehad en gebruikt voor de financiering van vastgoed.

2.2

De verdachte in de onderhavige zaak heeft zich volgens het hof schuldig gemaakt aan het medeplegen van het gewoontewitwassen van in totaal geleend bedrag van ruim 1,4 miljoen euro.

3 Het eerste middel

3.1

Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

3.2

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27, 28 en 30 november 2023, 1, 4, 5 en 7 december 2023 en 26 februari 2024 blijkt dat de verdachte ter terechtzitting (indien verschenen) werd vertegenwoordigd door (de medeverdachte) [medeverdachte 1] en net als [medeverdachte 1] werd bijgestaan door mrs. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Uit de in de zaak tegen [medeverdachte 1] voorgedragen pleitnota blijkt dat de in die zaak gevoerde verweren, waaronder het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel, ook dienen te gelden voor de rechtspersonen die worden verdacht van het witwassen van de gokopbrengsten van de online casino’s, waaronder kennelijk de verdachte moet worden begrepen. Het hof heeft in de zaak van de verdachte – op gelijke wijze als in de zaak van [medeverdachte 1] – gereageerd op dat verweer. In cassatie worden de verdachte en de medeverdachte wederom bijgestaan door dezelfde advocaten. Het eerste middel dat in de onderhavige zaak is ingediend, is inhoudelijk gelijk aan het vierde middel dat in de zaak [medeverdachte 1] is ingediend. Gelet op de overeenkomsten verwijs ik voor de weergave van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, voor de overwegingen van het hof en voor de bespreking van het eerste middel naar mijn conclusie in de samenhangende zaak tegen [medeverdachte 1] (zaaknr. 24/01118).

4 Het tweede middel

4.1

Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat zijn ingezonden door het hof.

4.2

Namens de verdachte is op 22 maart 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 oktober 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim elf maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.

4.3

Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer zal (kunnen) zijn.

4.4

Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Het voorgaande moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

5 Slotsom

5.1

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

5.2

Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven dan zoals die hiervoor onder 4 zijn weergegeven, heb ik niet aangetroffen.

5.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de aan de verdachte opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van de strafoplegging, in zoverre opnieuw recht gedaan, en het vonnis waarvan beroep voor het overige, met verbetering en aanvulling van gronden, bevestigd. Het hof heeft de overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging en de bewijsoverwegingen vervangen door in het arrest opgenomen overwegingen en de overwegingen met betrekking tot de op te leggen sanctie aangevuld. Zie voor de beperkingen de akte die van het cassatieberoep is opgemaakt.