Strafrecht overig
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Medeplegen…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:953 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-953
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/01120
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:953
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Medeplegen gewoontewitwassen, begaan door rechtspersoon. M1 richt zich met negen falende deelklachten tegen verwerping hof van verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending vertrouwensbeginsel. M2 bevat slagende klacht over beslissing hof tot verbeurdverklaring twee computers. M3 klaagt terecht over schending inzendtermijn. Ook ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing ten aanzien van de beslissing tot verbeurdverklaring van de computers, tot vermindering van de opgelegde geldboete naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01121 en 24/01126.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01120
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 maart 2024 (parketnr. 20-000028-19), middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 20 december 2018 de verdachte wegens “medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon” veroordeeld tot een geldboete van € 18.000,00. Het hof heeft tevens twee inbeslaggenomen computers verbeurdverklaard.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01121 en 24/01126. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.E. Sternfeld en W.H. Jebbink, beiden advocaat in Amsterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak
De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest en het bevestigde vonnis betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok), en de route van het geld dat daarmee werd verdiend. Tijdens het onderzoek is in kaart gebracht welke (internationale) rechtspersonen en natuurlijke personen hierbij een rol hebben gespeeld.
Uit het arrest van het hof kan worden opgemaakt dat in de tenlastegelegde periode op de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 3] , [internetsite 4] , [internetsite 5] , [internetsite 6] en [internetsite 7] kansspelen werden aangeboden, gericht op Nederlandse consumenten. Het opzettelijk (online) aanbieden van kansspelen in Nederland zonder vergunning is een misdrijf op grond van de Wok en de Wet op de economische delicten (hierna: WED) en daarmee strafbaar. Dit betekent dat inkomsten die met deze kansspelen zijn gegenereerd, afkomstig zijn uit een misdrijf. De spelers van online kansspelen legden geld in door betalingen via creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [verdachte] . De inkomsten uit online kansspelen in de zaak Rykiel werden onder meer gebruikt om spelers uit te betalen en de bedrijfsvoering te bekostigen. Daarnaast vond een groot deel van de inkomsten zijn weg naar verdachten uit het onderzoek Rykiel, aan hen gelieerde rechtspersonen en familieleden. De verdachte heeft dus volop uit misdrijf afkomstige gelden overgedragen, omgezet of daarvan gebruik gemaakt, aldus het hof.
De verdachte in de onderhavige zaak heeft zich volgens het hof schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een geldbedrag van in totaal € 44.589.961,- en een geldbedrag van in totaal € 29.900.000,-.
3 Het eerste middel
Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27, 28 en 30 november 2023, 1, 4, 5 en 7 december 2023 en 26 februari 2024 blijkt dat de verdachte ter terechtzitting (indien verschenen) werd vertegenwoordigd door (de medeverdachte) [medeverdachte 1] en net als [medeverdachte 1] werd bijgestaan door mrs. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Uit de in de zaak tegen [medeverdachte 1] voorgedragen pleitnota blijkt dat de in die zaak gevoerde verweren, waaronder het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel, ook dienen te gelden voor de rechtspersonen die worden verdacht van het witwassen van de gokopbrengsten van de online casino’s, waaronder kennelijk de verdachte moet worden begrepen. Het hof heeft in de zaak van de verdachte – op gelijke wijze als in de zaak van [medeverdachte 1] – gereageerd op dat verweer. In cassatie worden de verdachte en de medeverdachte wederom bijgestaan door dezelfde advocaten. Het eerste middel dat in de onderhavige zaak is ingediend, is inhoudelijk gelijk aan het vierde middel dat in de zaak [medeverdachte 1] is ingediend. Gelet op de overeenkomsten verwijs ik voor de weergave van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, voor de overwegingen van het hof en voor de bespreking van het eerste middel naar mijn conclusie in de samenhangende zaak tegen [medeverdachte 1] (zaaknr. 24/01118).
4 Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat de beslissing van het hof tot verbeurdverklaring van twee computers onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof geen vaststellingen heeft gedaan waaruit kan volgen dat het bewezenverklaarde feit met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.
Het hof heeft over de inbeslaggenomen computers als volgt overwogen en beslist:
“De rechtbank heeft met betrekking tot twee inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven computers de onttrekking aan het verkeer gelast. Naar het oordeel van het hof dienen die twee computers echter niet te worden onttrokken aan het verkeer, maar verbeurd te worden verklaard.
De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
(…)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een computer, server met nummer 2013-0104-BG99-3 en een computer, server met nummer 2013-0104-BG99-8.”
Art. 33a lid 1 Sr luidt voor zover van belang:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
(…)
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
(…)”
Onder ‘het feit’ in de zin van art. 33a lid 1 Sr moet het bewezenverklaarde feit worden verstaan.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij – kort gezegd – in de periode van 1 januari 2006 tot en met mei 2013 tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Deze bewezenverklaring en de bewijsbijlage in aanmerking genomen, is het oordeel van het hof dat de computers voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Uit de bewijsbijlage blijkt immers van inkomende en uitgaande geldstromen met betrekking tot de bankrekeningen van de verdachte, maar niet via welk medium deze geldstromen zijn beheerd. Het hof heeft ook voor het overige geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat het bewezenverklaarde feit met behulp van de verbeurdverklaarde computers is begaan.
Het tweede middel slaagt.
5 Het derde middel
Namens de verdachte is op 22 maart 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 oktober 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim elf maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer zal (kunnen) zijn.
Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Het voorgaande moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
6 Slotsom
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede en het derde middel slagen.
Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven dan zoals die hiervoor onder 5 zijn weergegeven, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft (i) de hoogte van de opgelegde geldboete en (ii) de verbeurdverklaring van de computers (servers met nummers 2013-0104-BG99-3 en 2013-0104-BG99-8);
- vermindering van de geldboete;
- terugwijzing van de zaak ten aanzien van de hiervoor onder (ii) genoemde beslissing opdat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan;
- en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G