Strafrecht overig

Conclusie AG. Schuldheling (art. 417bis Sr). Falende klacht dat het lenen van een elektrische fiets van een…

Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
24/04702
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:960
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Schuldheling (art. 417bis Sr). Falende klacht dat het lenen van een elektrische fiets van een onbekende op straat voor de verdachte geen onderzoeksplicht naar de herkomst van de fiets heeft doen ontstaan. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO). Samenhang met 24/04703.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/04702

Zitting 6 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. Bij arrest van 10 december 2024 (parketnummer 23-000358-23) heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte in de zaak met parketnummer 15-073055-22 (zaak A) wegens 1. “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening“, 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” en 3. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, en in de zaak met parketnummer 15-099158-22 (zaak B) wegens 1. “schuldheling” en 2. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de [benadeelde] afgewezen en de tenuitvoerlegging van een eerder bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (parketnummer 08-205886-19) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand bevolen.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/04703. In deze zaak heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan op 20 januari 2026 (geen cassatieschriftuur ingediend: cassatieberoep niet-ontvankelijk).

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van schuldheling (feit 1 in zaak B) “onbegrijpelijk en dus ontoereikend gemotiveerd” is.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof inzake feit 1 van zaak B

5. Ten laste van de verdachte is in zaak B onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op 20 april 2022 te [plaats] , een elektrische fiets (merk Kalkhoff Mov) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“Zaak B

Ten aanzien van feit 1

1. Een fotokopie van een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte met nummer […] van 20 april 2021, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 7 - 8.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als mededeling van verbalisant:

Op 20 april 2021 is door mij de middels internet gedane aangifte verwerkt tot een proces verbaal. De aangeefster [aangeefster] deed aangifte namens [A] te [plaats] .

Zij verklaarde:

Ik ging vandaag 19/04/2021 boodschappen doen bij de Albert Heijn XL op de [a-straat] te [plaats] tussen 20:15 - 20:45 en is mijn net 3 dagen oud nieuwe E-bike gestolen. De fiets is van het merk KALKHOFF. De fiets stond met een kettingslot vast. De fietstassen zaten er ook aan. Niets vermoedend boodschappen gedaan en terug fiets weg. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 april 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 3 – 4.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of van één van hen:

Op 20 april zag ik, [verbalisant 2] dat [verdachte] met een fiets in zijn handen lopen. Ik zag dat hij de fiets in een fietsenstalling neerzette. Ik zag dat hij als heer en meester over de fiets handelde. Ik zag dat de fiets een elektrische fiets was van het merk Kalkhoff [het hof begrijpt gelet op de bijlage goederen: Kalkhoff Mov]. Mij is ambtshalve bekend dat dit een dure fiets is. Mij is bekend dat [verdachte] weinig geld heeft en geen woon- of verblijfplaats heeft. Ik vroeg aan [verdachte] of dit zijn fiets was. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Ik heb deze fiets geleend." Ik vroeg aan [verdachte] van wie hij de fiets had geleend. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Ik weet niet van wie ik de fiets heb geleend. Ik ken zijn naam niet. Ik weet niet waar hij woont. Ik was bij een huis en ik moest hierheen komen. Ik mocht deze fiets gewoon even lenen.”

Ik, [verbalisant 2] , heb het framenummer/serienummer […] (van de fiets) gecontroleerd middels het integrale bevragingssysteem van de Politie. Ik zag dat de fiets gesignaleerd stond als gestolen. Ik zag dat de aangifte was opgenomen onder het procesnummer: […].”

7. Het arrest bevat over feit 1 in zaak B de volgende bewijsoverweging:

“Het hof is van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde opzetheling omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets wist dat de fiets gestolen was.

Evenals de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de (impliciet subsidiair) tenlastegelegde schuldheling wel wettig en overtuigend is bewezen aangezien de verdachte in zijn onderzoeksplicht is tekortgeschoten en redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets door misdrijf was verkregen. Het hof overweegt daartoe het volgende. Elektrische fietsen zijn kostbare goederen die veelvuldig worden gestolen. De verdachte heeft verklaard dat hij de fiets op straat van een onbekende heeft geleend en kan of wil niet benoemen wie die persoon is geweest. Hij heeft geen onderzoek verricht naar de herkomst van de elektrische fiets of naar de reden waarom hij zo’n kostbare fiets zomaar van een onbekende mocht lenen, terwijl dit onderzoek onder die omstandigheden van hem mocht worden verwacht.”

Nadere toelichting op het middel

8. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat het lenen van de elektrische fiets, compleet met kettingslot en bijbehorende sleutel, voor de verdachte geen onderzoeksplicht naar de herkomst van de fiets heeft doen ontstaan. Dat de verdachte de naam van degene van wie hij de elektrische fiets zou hebben geleend niet heeft willen of kunnen noemen, maakt dat niet anders. Daarbij wordt verwezen naar HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611, en de daaraan voorafgegane conclusie van A-G Spronken. Een en ander dwingt volgens de steller van het middel tot de conclusie dat ’s hofs oordeel, inhoudende dat de verdachte in zijn onderzoeksplicht is tekortgeschoten en redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de elektrische fiets door misdrijf is verkregen, niet in stand kan blijven.

Het juridisch kader

9. Artikel 417bis lid 1, aanhef en onder a, Sv bepaalt onder meer dat hij die een goed voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zich schuldig maakt aan schuldheling. Het vereiste schuldverband is grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed. Daaraan is voldaan wanneer de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig is en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals bewezen is verklaard. In dat verband wordt ook wel gesproken van een vergewisplicht. De omstandigheden die tot een nader onderzoek omtrent de herkomst van het goed verplichten moeten uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid.

De bespreking van het middel

10. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte is aangetroffen met een elektrische fiets die als gestolen stond geregistreerd. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte in zijn onderzoeksplicht naar de herkomst van de elektrische fiets is tekortgeschoten en redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf was verkregen. Daartoe heeft het hof overwogen dat elektrische fietsen kostbare goederen zijn die veelvuldig worden gestolen, dat de verdachte heeft verklaard de elektrische fiets van een onbekende op straat te hebben geleend en dat de verdachte geen onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de fiets of de reden dat hij deze zomaar van een onbekende mocht lenen.

11. Ik acht het oordeel van het hof onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Daarvoor vind ik het volgende van belang. Uit het door de steller van het middel gememoreerde arrest, en de daaraan voorafgegane conclusie, kan worden afgeleid dat het lenen van een elektrische fiets, ook als daarop een veiligheidsslot ontbreekt, niet zonder meer tot activering van een onderzoeksplicht naar de herkomst ervan leidt. Dat betekent evenwel niet dat in het geval van het lenen van een elektrische fiets nimmer een dergelijke plicht op de lener komt te rusten. Een in mijn ogen belangrijk verschil met de casus uit het aangehaalde arrest is dat de verdachte daarin heeft verklaard de uitlener van de elektrische fiets te kennen en deze met naam en toenaam heeft aangeduid. In de onderhavige zaak heeft de verdachte daarentegen verklaard de elektrische fiets “bij een huis” te hebben geleend van een onbekende, wiens naam of adres hij niet kent. Het hof is, getuige het gebruik voor het bewijs van deze verklaring, uitgegaan van de juistheid daarvan. Mede op basis daarvan heeft het kunnen oordelen dat onderzoek naar de herkomst van het goed van de verdachte mocht worden verwacht, hetgeen blijkens de bewijsvoering achterwege is gelaten. Het kennelijke oordeel dat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld is aldus niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

CAG 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:102. Vgl. CAG Sinnige 10 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1331, randnr. 9, met verwijzingen. Vgl. CAG Spronken 6 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:102, randnr. 3.6, met verwijzingen. Idem. Vgl. ook HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631; HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702, NJ 2003/460; HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:772. Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5957, over schuldheling van een fiets die de verdachte naar eigen zeggen van een onbekende had geleend. Weliswaar werd gecasseerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, maar niet op de grond dat het samenstel van omstandigheden onvoldoende was om het voor art. 417bis Sr vereiste schuldverband op te leveren. Dat leid ik af uit de CAG van Machielse, waarin hij betoogde: “’s Hofs oordeel, erop neerkomende dat een persoon die iets leent van een onbekende en geen nader onderzoek instelt terwijl dat wel op zijn weg had gelegen, zich schuldig kan maken aan schuldheling, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “schuldheling”. In zoverre faalt het middel.” Niettemin werd geconcludeerd tot cassatie op een ambtshalve aangewezen grond.