Strafrecht overig
Conclusie AG. Hennepteelt in huurwoning, diefstal van elektriciteit en vernieling. 1. Heeft het hof een…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:961 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-961
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/00861
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:961
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Hennepteelt in huurwoning, diefstal van elektriciteit en vernieling. 1. Heeft het hof een verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig voor het bewijs gebruikt? 2. en 3. Heeft het hof in de bewijsmotivering voldoende aandacht besteed aan de diefstal van de elektriciteit en de vernieling van de woning? 4. Middel over inzendtermijn. Conclusie strekt vermindering van de taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn en tot verwerping voor het overige.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00861
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 7 maart 2024 (parketnr. 20-000252-21) wegens
- onder 1 primair: “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”;
- onder 2 primair: “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”;
- onder 3 primair: “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken”;
veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, en een taakstraf van 150 uur. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De eerste drie middelen
3. Het eerste, tweede en derde middel gaan over de motivering van de bewezenverklaring
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
4. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“1. op 1 maart 2016 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [a-straat 1] , 91 hennepplanten (kweekruimte A) en 102 hennepplanten (kweekruimte B) en opzettelijk aanwezig heeft gehad 112 gram hennep en 86 gram hennep en 59 gram hennep en 50 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2. in de periode van 22 december 2015 tot en met 1 maart 2016 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van het elektriciteitsnet heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [energiebedrijf] , waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
3. in de periode van 1 maart 2015 tot en met 1 maart 2016 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk de recreatiewoning [a-straat 1] en de bijbehorende huisraad, zoals genoemd in de bijlage bij het proces-verbaal op pagina 58 vermeld, toebehorende aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar en/of weggemaakt.”
5. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard:
“De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld en de opgelegde straf te zwaar te achten.
Ter toelichting daarop verklaart de verdachte als volgt.
Niet ik, maar mijn neef heeft hennepplanten geteeld. Ik heb alleen dat huis op mijn naam genomen omdat ik financieel krap zat. Toen kwam mijn neef met het aanbod om alleen kortstondig drugs op te slaan. Ik zou daarvoor 2.500 euro per kwartaal krijgen.
(…)
Ik heb viermaal het bedrag van 2.500 euro gekregen in de periode van 6-7 maanden nadat ik het huis op het adres [a-straat 1] te [plaats] op mijn naam had gezet. Ik was daarvoor op straat gezet en toen zei mijn neef: ‘Kom maar bij mij wonen’. Toen zag ik dat daar een hennepkwekerij was. Ik moest beneden in het huis slapen. Toen de politie kwam, heb ik verteld dat ik daar woonde. Op dat moment waren mijn broer en mijn dochter daar ook aanwezig.
Als er hennep moest worden geknipt, kwamen er 5 tot 6 mensen langs en die gingen knippen. Dat duurde vaak een hele dag. Op één dag werd er zowel geknipt als nieuwe hennepplanten geplant. Ik heb dit slechts eenmaal gezien.
(…) Mijn neef heeft op valse naam het huurcontract op mijn naam gezet. Op het moment dat ik wist dat er een hennepkwekerij in het huis was, heb ik druk op hem uitgeoefend. Ik zei tegen hem dat hij mij of meer geld moest geven of het huis op een andere naam moest zetten. De vriendin van mijn neef heeft mij verraden. Ik herken dat handschrift in de anonieme brief. Hij heeft mij verraden. Mijn neef heeft mij gezegd dat hij iemand anders zou zoeken om het huis op naam te zetten. Ik zat in een internaat in [plaats] en was daar niet meer welkom. Daarom zocht ik een woonplek.”
6. Het arrest bevat de volgende overwegingen:
“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte op 1 maart 2016 hennepplanten en hennep aanwezig heeft gehad zoals onder 1 primair is ten laste gelegd en dat verdachte van het onder 2 primair en subsidiair en onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte weliswaar wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning maar dat deze kwekerij niet van hem was, dat hij deze niet heeft opgebouwd en daarin verder geen werkzaamheden heeft verricht. Verdachte heeft dan ook niet de elektriciteit gestolen zoals onder feit 2 is ten laste gelegd of vernielingen aangericht aan de recreatiewoning en de bijbehorende huisraad als onder feit 3 is ten laste gelegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter zitting in eerste aanleg is verdachte niet verschenen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte een verklaring afgelegd. Deze verklaring komt er kort gezegd op neer dat hij in financiële problemen zat, dat zijn neef [betrokkene 1] , hem toen heeft voorgesteld om tegen een vergoeding het op zijn naam staande huurcontract van de recreatiewoning [a-straat 1] over te nemen en op zijn naam te zetten. Verdachte zou daarvoor een bedrag van € 2500,- per kwartaal ontvangen. Verdachte heeft daarin toegestemd waarna de huurovereenkomst per 1 maart 2015 op zijn naam is gesteld. Zes maanden later is verdachte ook in de woning gaan wonen omdat hij uit zijn eigen woning was gezet. Vanaf het moment dat verdachte in de woning is gaan wonen, heeft hij op de eerste etage ervan een hennepkwekerij ontdekt. Verdachte heeft zijn neef daarmee geconfronteerd en gezegd dat hij meer geld van hem wilde hebben of dat hij maar iemand anders moest zoeken om de woning op naam te zetten. Verdachte verdenkt de vriendin van zijn neef er vervolgens van dat zij de in het dossier opgenomen anonieme brief (dos.pag. 9) naar de politie heeft verzonden met het doel om hem de hennepkwekerij in de schoenen te schuiven. Verdachte heeft verklaard dat er een keer een groep van 5 tot 6 mensen is langsgekomen die de hennepplanten hebben geknipt en nieuwe planten hebben gezet.
Omtrent de geloofwaardigheid van deze verklaring van verdachte overweegt het hof het navolgende. Naar het oordeel van het hof doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring dat deze pas op een laat moment is afgelegd. Verdachte had ter gelegenheid van het politieverhoor of ter zitting in eerste aanleg ook een verklaring kunnen afleggen.
Verder doet afbreuk aan de geloofwaardigheid dat in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de verklaring van verdachte en evenmin in de verklaringen van de ten overstaan van de raadsheer-commissaris van dit hof gehoorde getuigen [betrokkene 1] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . In de verklaringen van de laatste twee getuigen, zijnde de verhuurders van de recreatiewoning, kan hooguit een bevestiging worden gevonden voor de contractovername van de woning door verdachte.
Anders dan de verdediging (pagina 2 van de pleitnota) is het hof van oordeel dat evenmin in de verklaring van de broer van verdachte, [betrokkene 2] , bevestiging kan worden gevonden voor de verklaring van verdachte. Weliswaar heeft hij verklaard dat er meerdere mannen en vrouwen in de woning kwamen maar heeft daaraan direct toegevoegd dat zij niets met de hennepteelt van doen hadden en dat hij verder ook niemand heeft gezien voor de plantjes.
Gelet op het vorenstaande volgt het hof de verdachte niet in zijn hiervoor gegeven verklaring en oordeelt deze ongeloofwaardig. Resteert dat verdachte vanaf het moment van de contractovername als enig gebruiker en bewoner van de woning dient te worden aangemerkt en daarmee verantwoordelijk kan worden gehouden voor de hennepteelt in die woning (feit I primair), de diefstal van elektriciteit (feit 2 primair) ten behoeve van de hennepteelt en de met de hennepkwekerij verband houdende beschadigingen aan de woning en de huisraad (feit 3 primair). Het hof betrekt bij dit oordeel dat van betrokkenheid van anderen bij die hennepteelt, de diefstal van elektriciteit en de beschadiging van de woning en de bijbehorende huisraad niet is gebleken. Tevens heeft meegewogen dat verdachte gekend is met Opiumwetdelicten.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.”
7. Het hof heeft onder meer de verklaring van de verdachte als bewijsmiddel gebruikt:
“8. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof d.d. 22 februari 2024, voor zover inhoudende:
Ik heb dat huis op mijn naam genomen omdat ik financieel krap zat. Toen kwam mijn neef met het aanbod om drugs op te slaan. Ik heb viermaal het bedrag van 2.500 euro gekregen in de periode nadat ik het huis op het adres [a-straat 1] te [plaats] op mijn naam had gezet. Toen zag ik dat daar een hennepkwekerij was.
Als er hennep moest worden geknipt, kwamen er 5 tot 6 mensen langs en die gingen knippen. Dat duurde vaak een hele dag. Op één dag werd er zowel geknipt als nieuwe hennepplanten geplant.”
Een nadere omschrijving van de eerste drie middelen
8. Het eerste middel houdt in dat het hof de verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt, en dus als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt. Dat oordeel heeft het hof volgens de steller van het middel niet toereikend gemotiveerd, omdat het hof slechts heeft beargumenteerd waarom de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig is.
9. Het tweede middel klaagt dat de onder 2 bewezen verklaarde diefstal en strafverzwarende omstandigheid van verbreking niet uit de bewijsmiddelen volgen. Het derde middel houdt in dat de bewezenverklaring van vernieling niet uit de bewijsmiddelen volgt. Aan deze klachten legt de steller van het middel ten grondslag dat het hof in de bewijsvoering in wezen heeft volstaan met de conclusie dat de verdachte verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij, en in de motivering geen zelfstandige aandacht aan de bemoeienis van de verdachte met de diefstal en vernieling heeft besteed.
De bespreking van de eerste drie middelen
10. In zijn overwegingen betrekt het hof dat de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig is. Tegelijkertijd gebruikt het hof (een deel van) die verklaring wel voor het bewijs. De steller van het middel leidt daaruit af dat het hof heeft geoordeeld dat de voor het bewijs gebruikte verklaring kennelijk leugenachtig is (en is afgelegd om de waarheid te bemantelen).
11. Het op de verklaring van de verdachte gebaseerde verweer is dat de hennepkwekerij eigenlijk van de neef van de verdachte was, dat de verdachte deze niet had opgebouwd en daarin verder geen werkzaamheden had verricht. Hij wist slechts van de aanwezigheid. Zo zal de verdachte zijn verklaring ook bedoeld hebben.
12. Wat mij echter opvalt is dat het hof niet de hele verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebruikt, maar een deel dat op zichzelf beschouwd ook als belastend kan worden geïnterpreteerd. Het hof heeft geen overwegingen gewijd aan de mogelijkheid dat de verklaring kennelijk leugenachtig was, en heeft (mede) in reactie op het tot vrijspraak strekkende verweer overwogen dat de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig is. Ik meen daarom dat het hof slechts het ontlastende aspect, of de ontlastende strekking, van de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig heeft gevonden. Het voor het bewijs gebruikte deel van de verklaring heeft het hof niet als kennelijk leugenachtig aangemerkt, maar als waarheidsgetrouw en redengevend.
13. Het eerste middel mist feitelijke grondslag, en faalt.
14. De volgende vraag is of het hof wel voldoende aandacht heeft besteed aan het bewijs van het wegnemen van elektriciteit en de beschadigingen die het gevolg waren van de hennepteelt. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de huurder was van de woning met de hennepkwekerij en dat hij daar ook woonde. Verder heeft het hof de verklaring van de verdachte dat de hennepkwekerij van zijn neef was, als ongeloofwaardig aangemerkt. Daarnaast merkt het hof op dat van betrokkenheid van anderen bij die hennepteelt (naar ik begrijp: behoudens wat betreft het knippen van de hennep), de diefstal van elektriciteit en de beschadiging van de woning en de bijbehorende huisraad niet is gebleken. Het hof leidt hier kennelijk uit af dat de verdachte in zijn eentje verantwoordelijk was voor de hennepkwekerij en alles wat daarmee te maken had, zoals het opzetten, inrichten en onderhouden daarvan, alsook naar ik begrijp: het regelen van de knippers. Deze conclusie, en de redenen daarvoor, worden in cassatie niet betwist. Daarvan uitgaande is het oordeel dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte degene was die de elektriciteit heeft weggenomen en de woning heeft beschadigd, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
15. Het tweede en het derde middel falen ook.
Het vierde middel
16. Het vierde middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden, en slaagt.
Slotsom
17. De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.
18. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet tot strafvermindering leiden. Ambtshalve heb ik verder geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG