Strafrecht overig
Conclusie AG. Ambtsbelemmering (art. 179 Sr). Weerlegging van verweer dat verdachte niet opzettelijk de…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:966 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-966
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00922
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:966
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Ambtsbelemmering (art. 179 Sr). Weerlegging van verweer dat verdachte niet opzettelijk de ambtsverrichting heeft belemmerd ligt in b.m. besloten. Conclusie strekt tot verwerping van beroep.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00922
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 5 maart 2025 (parketnr. 21-000218-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en 2. “door geweld of enige andere feitelijkheid een ambtenaar dwingen tot het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 230 uur. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel
3. Het middel behelst de klacht dat het hof bij de bewezenverklaring van feit 2 in strijd met het bepaalde in artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv in het geheel niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging ter terechtzitting gevoerde verweer, inhoudende dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de ambtsbelemmering.
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 1 januari 2023 te [plaats] door geweld of enige andere feitelijkheid ambtenaren, [benadeelde 1] (brigadier) en [benadeelde 2] (brigadier) heeft gedwongen tot het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting, te weten de aanhouding van verdachte [medeverdachte] , door terwijl voornoemde verbalisanten [medeverdachte] willen aanhouden tussen verbalisanten en die [medeverdachte] te gaan staan en naar voornoemde verbalisanten te lopen.”
5. Het hof heeft in een aanvulling op het verkort arrest van 5 maart 2025 de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
“1. Aangifte van [benadeelde 1], opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoofdagenten, gesloten op 1 januari 2023, p. 7-11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Mijn naam is [benadeelde 1] en ik werk bij de politie als wijkagent. Op zondag 1 januari 2023 ben ik samen met mijn maatje [benadeelde 2] met de auto naar de locatie van de aanrijding op de A12 te [plaats] gegaan. Ondanks alle rode kruizen op de matrixborden kwamen er toch voertuigen onze kant opgereden. We besloten om de voertuigen op de foto te zetten en de bekeuring aan te zeggen. Ik sprak met de bestuurder van voertuig 4, toen ik uit mijn ooghoek iemand zag staan tussen voertuig 4 en 5. Ik merkte dat vader [verdachte] naar mij toe was gelopen. Ik merkte dat hij dicht op mij was komen staan. Ik hoorde hem zeggen: ‘ben je wel goed bij je hoofd, beetje mensen bekeuren voor rood kruis’. Ik merkte dat de man zich aan het opwinden was. Ik merkte dat hij zijn stem meer verhief. Ik zag dat de afstand tussen ons kleiner werd, omdat hij dichter bij mij kwam staan. Ik zag dat hij zijn spieren van zijn armen aan het aanspannen was. Ik zag dat de bestuurder van voertuig 5 inmiddels was uitgestapt en naast vader [verdachte] kwam staan. Hierna te noemen verdachte 2 ofwel zoon [medeverdachte] . Ik voelde dat de sfeer omsloeg. Ik zag dat vader [verdachte] zijn vuisten aan het ballen was. Ik heb toen gezegd dat zij beide naar de auto moesten gaan en in de auto moesten gaan zitten. Ik zag dat beide niet wegliepen. Hierop heb ik vader [verdachte] een duw naar achter gegeven. Ik zag dat hij zijn vuisten balde en de manier van praten/schreeuwen naar mij. Op het moment dat ik de vader naar achter had geduwd, zag ik in mijn rechter ooghoek een vuist aankomen. Ik zag dat de zoon mij wilde slaan. Ik probeerde de slag te ontwijken, maar de vuist raakte de zijkant van de rechterkant van mijn hoofd. Ik zag dat ze beide op mij afliepen. Ik zei tegen de zoon dat hij was aangehouden omdat hij mij had geslagen. Hij reageerde niet en liep samen met zijn vader op mij af. Ik heb toen mijn taser moeten gebruiken op de zoon en die viel toen op de grond. Ik zag dat de vader tussen mij en de zoon in kwam staan. De vader was inmiddels getaserd door [benadeelde 2] . De zoon kon ik niet aanhouden, want die stond inmiddels alweer. Ik moest nog aan de kant springen omdat hij uithaalde met zijn been.
2. Een proces-verbaal van bevindingen , opgemaakt door [benadeelde 1] , brigadier, gesloten op 1 januari 2023, p. 24-27, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] . Ik zal hem aanduiden als ‘vader [verdachte] ’.
3. Een proces-verbaal van bevindingen , opgemaakt door [benadeelde 2] , brigadier, gesloten op 2 januari 2023, p. 36-43, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat mijn collega [benadeelde 1] in gesprek was met de bestuurder van een Volkswagen Golf toen vader [verdachte] heel erg dicht bij mijn collega [benadeelde 1] stond. Ik zag dat hier ook een tweede man zich naast voegde, wat later bleek [medeverdachte] . Ik zal hem aanduiden als ‘zoon [medeverdachte] ’. Ik keek naar rechts en zag dat mijn collega [benadeelde 1] naar links wegdook en toen zag ik dat [benadeelde 1] achter een grijze auto verdween. Ik zag gelukkig dat mijn collega [benadeelde 1] niet op de grond lag, maar nog rechtop stond en achterwaarts liep met het stroomstootwapen in zijn handen vasthoudend en richtend op [verdachte & medeverdachte] . Ik voegde mij links naast collega [benadeelde 1] en zag dat [benadeelde 1] achterwaarts bleef lopen. Ik had ondertussen ook mijn stroomstootwapen getrokken en gericht op [verdachte & medeverdachte] . Dit omdat zij dicht bij voor mijn collega [benadeelde 1] stonden en doorliepen in onze richting. Met deze houding dwongen [verdachte & medeverdachte] mijn collega en mij om verder achterwaarts te blijven lopen en verder afstand te blijven nemen. Ik hoorde dat collega [benadeelde 1] riep dat zoon [medeverdachte] aangehouden was terzake mishandeling. Zowel vader als zoon [medeverdachte] bleven in dreigende houding door lopen in onze richting. Ik zag dat mijn collega [benadeelde 1] pijltjes afschoot met zijn stroomstootwapen op de zoon. Zoon [medeverdachte] krimpte in elkaar. Ik zag dat vader [verdachte] verder op mij en mijn collega in bleef lopen en hiermee tussen zijn zoon en ons kwam te staan en lopen. Ik zag dat wij niet naar zoon [medeverdachte] toekonden om hem te boeien, omdat vader [verdachte] dus op ons af bleef lopen. Ik schoot een setje pijltjes af met mijn stroomstootwapen op vader [verdachte] . Toen zag ik dat vader [verdachte] door zijn knieën zakte en op de grond viel. Ik zag dat vader [verdachte] soort van probeerde om te draaien en in mijn richting probeerde te trappen om mij onderuit te schuiven.
4. Een verhoor van [getuige] , opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent, gesloten op 1 januari 2023, p. 44-45, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag uit een voertuig twee mannen stappen. De ene was een wat oudere man en de andere een jongeman. Ik zag vervolgens dat beiden mannen de politieman en politievrouw begonnen te duwen. Ik zag de jongeman met gebalde vuisten slaande bewegingen maken richting de politieman. Ik zag dat de politieman werd geraakt door een vuistslag gegeven door de jongeman. Op datzelfde moment zag ik dat de oudere man de politievrouw duwde en schopte. Ik zag dat de mannen wederom op de politieagenten afliepen. Ik zag dat de politieagenten de mannen onder controle trachtten te krijgen. Ik zag dat de mannen tegen stribbelden.”
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 februari 2025 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota het woord gevoerd. Die pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“30. Feit 2
De PR heeft dit feit bewezen verklaard en daarbij overwogen dat client tussen zijn zoon en de politie is gaan staan en dat hij hiermee voorwaardelijk opzet heeft gehad op het belemmeren van de aanhouding van zijn zoon door de politie.
31. Client ontkent dat hij gehoord heeft dat men zijn zoon of hem zelf wilde aanhouden. (zie p. 67) Dat lijkt mij wel een voorwaarde om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
32. [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij [verdachte] jr. wilde aanhouden, maar gelet op de hectische situatie hoeft dat helemaal niet bekend geworden te zijn bij client.
33. Op de camerabeelden (bestand Beelden 2 – VICO3028-converted’) is ook niet te horen dat er gezegd is dat ze zijn aangehouden. Alleen dat ze op de grond moeten gaan liggen.
34. Verder is van belang dat de ambtbelemmering gepleegd zou zijn nadat client was getaserd.
35. Dit blijkt ook uit het pvb op p. 39:
Alleen doordat de vader tussen ons en zoon [medeverdachte] was gaan staan was de stroom die gebruikt was bij het stroomstootwapen al alweer uitgewerkt. Ik zag dat wij niet naar zoon [medeverdachte] toekonden om hem te boeien, omdat vader [verdachte] dus op ons af bleef lopen. Ik zag in mijn ooghoeken, links dat zoon [medeverdachte] langzaam overeind kwam. Ik zag dat mijn collega nog een trap uitdeelde, maar zag niet hoe die trap precies ging. Ik zag dat de vader [verdachte] aan de draden van het stroomstootwapen trok. Ik vermoedde hierdoor dat deze kapotgetrokken waren, waardoor nieuw stroom geven niet functioneerde.
36. Client is door het gebruik van de taser gedesoriënteerd geraakt en is op dat moment niet opzettelijk tussen de politie en zijn zoon gaan staan. Dat blijkt nergens uit.
37. Ik verwijs ook naar verklaring van [betrokkene 1] , p. 19, waaruit blijkt dat client wankelde na het taseren.
38. Geen opzet op ambtsbelemmering, dus vrijspraak.”
De bespreking van het middel
7. Het bewijsverweer hield in dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde, omdat hij de ambtsverrichting, te weten de aanhouding van de zoon van de verdachte, [medeverdachte] , niet opzettelijk heeft belemmerd. In de eerste plaats heeft de verdachte niet gehoord dat de verbalisant riep dat zijn zoon was aangehouden. In de tweede plaats is de verdachte niet bewust tussen zijn zoon en de verbalisanten in gaan staan, nu hij door het gebruik van het stroomstootwapen gedesoriënteerd was geraakt.
8. Voor het bewijs heeft het hof onder meer de aangifte en het proces-verbaal van de bij het bewezen verklaarde feit betrokken verbalisanten [benadeelde 1] respectievelijk [benadeelde 2] gebruikt. Daaruit volgt dat de verdachte dicht bij verbalisant [benadeelde 1] stond toen die [benadeelde 1] aan [medeverdachte] mededeelde dat hij was aangehouden. De verdachte is vervolgens met een dreigende houding op de beide verbalisanten afgelopen en tussen [medeverdachte] en de verbalisanten gaan staan, waardoor [medeverdachte] niet kon worden geboeid. Pas daarna heeft verbalisant [benadeelde 2] het stroomstootwapen jegens de verdachte gebruikt. Uit de verklaring van [getuige] , die het hof eveneens voor het bewijs heeft gebruikt, volgt niet dat de voornoemde gang van zaken zich in een andere volgorde heeft afgespeeld.
9. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat de verdachte wist dat zijn zoon was aangehouden en dat hij daaropvolgend, maar nog voordat het stroomstootwapen was gebruikt, dreigend op de verbalisanten is afgelopen en voor hen is gaan staan, waardoor de daadwerkelijke aanhouding van [medeverdachte] opzettelijk werd verhinderd. In de bewijsmiddelen ligt de weerlegging van het door de verdediging ingenomen standpunt dan ook voldoende besloten. Artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv dwingt het hof in dit geval niet tot een nadere motivering.
10. Het middel faalt.
Slotsom
11. Het middel faalt en kan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG