Strafrecht overig
Conclusie AG. Veroordeling wegens doodslag op 8 maart 2020 in Haarlem en het medeplegen van het wegmaken van…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:969 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-969
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00931
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:969
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Veroordeling wegens doodslag op 8 maart 2020 in Haarlem en het medeplegen van het wegmaken van het lijk door het in zeil te wikkelen en met stenen verzwaard in de Mooie Nel te laten waar het enkele dagen later is gevonden, art. 151 en 287 Sr (ECLI:NL:GHAMS:2025:593). Middelen over de verwerping beroep op noodweer(exces). AG: de verdachte heeft met een doorgeladen vuurwapen gericht geschoten op het ongewapende slachtoffer dat op de verdachte afliep terwijl hij “schiet dan, schiet dan” riep en hem daarbij met één schot in de hartstreek dodelijk getroffen. Het oordeel dat het met een vuurwapen schieten op een ongewapende tegenstander disproportioneel is, is onder de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft het hof ook het ‘fysiek handgemeen’ betrokken tussen de verdachte en het slachtoffer dat hieraan vooraf is gegaan waaronder wat in de schriftuur wordt gepresenteerd als ‘wurgen althans daar een poging toe’. In verband met het beroep op noodweerexces is het oordeel van het hof, dat het niet aannemelijk is geworden dat de dreigende aanranding bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt, niet onbegrijpelijk en geldt hetzelfde voor het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer in de weken voorafgaand aan de confrontatie in toenemende mate fysiek agressief was jegens de verdachte of derden. Het slachtoffer was sowieso geregeld wat agressief en dat was in de periode kort voor zijn overlijden niet anders dan in de jaren ervoor. Middelen over de motivering van de opgelegde twaalf jaar gevangenisstraf, de redelijke termijn in hoger beroep en in cassatie. Strekt tot partiële vernietiging m.b.t. de opgelegde straf en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, en verwerping voor het overige.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00931
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 11 maart 2025 (parketnummer 23-003371-21) door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 subsidiair “doodslag”, onder 2 "medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen", onder 3 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en onder 4 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Het hof heeft tevens de vordering van de benadeelde partij toegewezen in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals dat in het arrest wordt omschreven.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de [medeverdachte] , die is ingeschreven onder nummer 24/04266. In deze zaak zijn geen middelen ingediend. Naar verwachting zal de Hoge Raad vandaag het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
De zaak
4. Bewezen verklaard is (onder meer) dat de verdachte op 8 maart 2020 rond middernacht [slachtoffer] heeft doodgeschoten in een loods waar een conflict was ontstaan tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] omdat [slachtoffer] geld wilde van de verdachte. Nadat [medeverdachte] de verdachte had gebeld, omdat [slachtoffer] niet was te kalmeren, is de verdachte vanuit huis in een auto naar de loods gereden en heeft hij onderweg, in een pand vlakbij de loods, een vuurwapen opgehaald en doorgeladen. Niet wordt betwist dat in de loods een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] waarbij het tot een handgemeen is gekomen (op de inhoud van dit handgemeen kom ik terug). Nadat [slachtoffer] na dit handgemeen was weggelopen van de verdachte heeft hij zich omgedraaid en is hij op de verdachte afgekomen. De verdachte heeft toen eenmaal op [slachtoffer] geschoten en hem daarbij in de hartstreek dodelijk geraakt (feit 1). Daarna hebben [medeverdachte] en de verdachte het lichaam van [slachtoffer] in een zeil gewikkeld en met stenen verzwaard in het water van [meer] laten zinken (feit 2). Daar is het stoffelijk overschot enkele dagen later gevonden.
5. Het eerste en tweede middel hebben betrekking op de verwerping van het beroep op noodweer(exces) dat is gedaan in verband met de bewezen verklaarde doodslag. Het derde middel gaat over de strafmotivering. Het vierde en vijfde middel betreffen de overschrijding van de redelijke termijn: het vierde over de redelijke termijn in hoger beroep en de daarbij door het hof aangelegde maatstaf, het vijfde over de redelijke termijn in de cassatieprocedure.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
6. In cassatie gaat het in de kern om dat wat het hof onder 1 subsidiair ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard, te weten dat:
“hij op 8 maart 2020 te [geboorteplaats] een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een schot/kogel af te vuren in de richting van de borst/hartstreek van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.
7. Voor de bewijsvoering heeft het hof volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 tweede volzin Sv omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend.
Het eerste middel
8. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer.
Wat in feitelijke instantie aan het beroep op noodweer ten grondslag is gelegd
9. De steller van het middel voert onder meer aan dat het hof onvoldoende de feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op noodweer zoals dat ter terechtzitting is gedaan. Voordat ik de relevante delen van de pleitnota weergeef, merk ik op dat het de steller van het middel in het bijzonder gaat om het volgende:
(i) de poging van [slachtoffer] de verdachte te wurgen, kort voordat [slachtoffer] op de verdachte afliep en de verdachte op hem schoot;
(ii) het gedrag van [slachtoffer] dat in de periode voorafgaand aan de confrontatie in de loods in toenemende mate fysiek gewelddadig zou zijn geworden jegens de verdachte;
(iii) de dreiging die van [slachtoffer] uitging door op de verdachte af te rennen in combinatie met de onberekenbaarheid van [slachtoffer] en zijn middelengebruik, terwijl de verdachte veel kleiner is en minder massa heeft dan [slachtoffer] die 1,89 meter lang is en 114 kilogram weegt;
(iv) de feitelijke situatie in de loods waardoor de bewegingsvrijheid van de verdachte beperkt was.
10. Op de terechtzitting van het hof van 11 februari 2025 heeft de raadsman volgens het proces-verbaal van die zitting (p. 6-7) gepleit overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota. Met betrekking tot het beroep op noodweer(exces) houdt de pleitnota (met weglating van voetnoten) het volgende in:
“Inleiding
1. [verdachte] is door de Rechtbank in Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar, waarbij de Rechtbank bewezen heeft verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op het [slachtoffer] , het wegmaken van een lichaam, en het bezit van verdovende middelen en een vuurwapen. Het gevoerde verweer dat ten aanzien van die doodslag sprake was van noodweer of noodweerexces is door de Rechtbank verworpen.
(…)
3. We kunnen ons daarmee in dit hoger beroep dus geheel concentreren op het ook voor wat betreft ernst belangrijkste feit, het schietincident dat zich op 7 maart 2020 in de loods van [verdachte] heeft voorgedaan als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Een schietincident dat het sluitstuk vormde van een al langere tijd oplopende spanning tussen [slachtoffer] en [verdachte] . In het eerste deel van dit pleidooi zal bezien worden wat er wat dat betreft aan bewijsmiddelen in het dossier beschikbaar is en welke conclusies over die oplopende spanningen kunnen worden getrokken.
(…)
I Feit 1: Doodslag
[slachtoffer]
(…)
16. Blijkens de daarover opgemaakte processen-verbaal hing die camera daar tussen 26 februari en 5 maart 2020. De camera was dus helaas net weg voorafgaand aan de gebeurtenissen op 7 maart, en bovendien is gebleken dat van die camerabeelden alleen de opnames van 26 en 27 februari bewaard zijn gebleven. Wat er op de dagen daarna te zien is geweest van contacten tussen [slachtoffer] en [verdachte] of anderen en of daar (ook) agressief gedrag van [slachtoffer] waarneembaar is zullen we dus nooit weten, maar de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] daarover zijn duidelijk: [slachtoffer] werd in de laatste dagen voor zijn dood steeds bozer en onhandelbaarder en het werd voor hen beiden steeds moeilijker hem te kalmeren wanneer hij in die toestand was.
(…)
Wisselende verklaringen?
22. Ook over het verloop van de schietpartij heeft [medeverdachte] uitgebreid verklaard, waarbij hij anders dan de rechtbank in het vonnis overweegt naar het oordeel van de verdediging helemaal niet zo wisselend is geweest, in ieder geval niet in zijn eerste verhoren bij de politie. De rechtbank baseert haar oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] wisselende verklaringen hebben afgelegd op een aantal punten.
23. (1) Zo zouden zij beiden bij de politie aanvankelijk niet hebben verklaard dat [verdachte] kort voor het schieten door het slachtoffer bij zijn keel is gegrepen en door [medeverdachte] is ontzet. (2) Daarnaast heeft [verdachte] niet verklaard dat [slachtoffer] op enig moment een stang vast had, laat staan dat hij dit vast had toen hij op hem af liep. (3) Tot slot overweegt de rechtbank dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] tegenstrijdig zijn met betrekking tot de vraag of [slachtoffer] een spurt nam toen hij op [verdachte] af kwam, met in het verlengde daarvan de vraag of [verdachte] dus het wapen langere tijd op [slachtoffer] gericht had. Ik zal per punt bespreken waarom de verdediging van mening is dat [medeverdachte] en [verdachte] hierover juist niét wisselend hebben verklaard.
24. Allereerst het punt dat de rechtbank overweegt dat beide heren aanvankelijk bij de politie niet hebben verklaard over het bij de keel grijpen van [verdachte] door [slachtoffer] . [medeverdachte] is de persoon die als eerste bij de politie verklaart dat [slachtoffer] is doodgeschoten door [verdachte] , op 16 september 2020. Hij verklaart:
" [slachtoffer] wilde [verdachte] vermoorden. Ik heb [slachtoffer] weggeduwd van [verdachte] en toen kwam [verdachte] tevoorschijn. (...) [slachtoffer] heeft [verdachte] bijna gewurgd. Ik zag [verdachte] helemaal wit worden. Ik zag zijn aderen opzwellen. Ik heb [slachtoffer] toen weggeduwd van [verdachte] . Toen heeft ie hem geschoten. (..) [slachtoffer] pakte [verdachte] vast. Ik zag de aderen van [verdachte] opzwellen. Ik wilde ingrijpen en duwde [slachtoffer] van [verdachte] weg. [slachtoffer] werd toen een beetje rustig. Ik zag hem zo naar ons kijken en toen heeft hij hem geschoten. (...) Het moest. [slachtoffer] was echt niet meer tegen te houden. Er is één keer geschoten. [verdachte] zei meerdere keren: ‘ga weg, ga weg, niet komen’. Maar [slachtoffer] bleef Op [verdachte] afkomen en zei schiet maar."
25. [medeverdachte] heeft bij zijn allereerste verhoor dus juist direct verklaard dat [verdachte] ( [verdachte] ) bijna is gewurgd. Hij herhaalt dit bij zijn tweede verhoor de dag erna en benoemt het wederom in zijn derde verhoor op 24 september 2020. In dat tweede verhoor op 17 september verklaart [medeverdachte] :
Nou, toen zag ik zijn handen gewoon uit het niets gewoon want ze stonden best wel vlak, vlak voor elkaar. Nou toen op een gegeven moment pak de uit het niets gewoon [verdachte] bij zijn keel, gewoon gegrepen. (...)
A: Beide handen, ja. En hij heeft gewoon ook echt handen, klauwen hoor. Echt niet normaal. Want zijn keel was gewoon ook verdwenen. V: Zei [slachtoffer] toen nog iets? A: je gaat dood, je gaat dood, je gaat dood.
26. Ook tijdens de zitting op 29 november 2021 verklaart [medeverdachte] dat hij zag dat [slachtoffer] [verdachte] bij zijn nek pakte. De overweging van de rechtbank dat [medeverdachte] aanvankelijk niet zou hebben verklaard over het bij de keel grijpen van [verdachte] wordt weersproken door deze onderdelen van het dossier.
27. [verdachte] is door de politie driemaal verhoord, op 17 september, 23 september en 21 oktober 2020. Hij heeft bij zijn derde verhoor verklaard dat [slachtoffer] hem bij zijn keel heeft gepakt. Niet blijkt dat hij dat in reactie op de verklaring van [medeverdachte] doet of daarmee geconfronteerd is; hij verklaart dat gewoon uit zichzelf in reactie op de vraag ‘waar het aanraken uit bestond toen hij weer even rustig was.’
28. [verdachte] heeft hier dus inderdaad bij zijn eerste en tweede verhoor niet over verklaard, maar tijdens deze verhoren is het dan ook voornamelijk gegaan over het schieten zelf en over de nasleep van het wegmaken van het lijk. Daarbij komt dat hij op 23 september al wel verklaart dat [slachtoffer] hem in de loods bedreigde, ook fysiek. Tijdens dit verhoor is daar niet op doorgevraagd. Op 21 oktober is dit wel gebeurd en toen heeft [verdachte] toegelicht dat hij bij zijn keel is gegrepen. Ook in zijn gesprek met de psycholoog heeft hij benoemd dat hij bij zijn keel werd gegrepen, en ter zitting bij de rechtbank heeft hij hetzelfde verklaard.
29. De verdediging deelt het standpunt van de rechtbank op dit punt zodoende niet. Met betrekking tot [medeverdachte] kan worden gesteld dat hij hier direct tijdens zijn eerste verhoor en bij alle verhoren nadien consequent over heeft verklaard. [verdachte] heeft in zijn derde verhoor hierover verklaard en ook hij is daarna consequent bij dit standpunt gebleven. Wat de verdediging betreft zijn de verklaringen op dit punt dus niet wisselend en wel geloofwaardig.
(…)
40. Concluderend kan de verdediging zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat [medeverdachte] en [verdachte] tegenstrijdig dan wel wisselend hebben verklaard. De lezing van de rechtbank berust op een onjuiste lezing of in ieder geval een onjuiste waardering van het dossier. Op grond van dat dossier en de daarin aanwezige bewijsmiddelen kan de gang van zaken op die 7e maart als volgt worden gereconstrueerd.
Verloop schietincident
41. Op 7 maart stuurt [slachtoffer] verschillende app berichtjes naar [verdachte] waarin hij vraagt om geld. Uiteindelijk komt [medeverdachte] ter plaatse, nadat [slachtoffer] hem vroeg om naar de loods te komen. [medeverdachte] verklaart hoe [slachtoffer] tekeergaat, hij is onder invloed en intimiderend. Hij wil geld hebben. [medeverdachte] belt uiteindelijk [verdachte] en ook tijdens dit telefoongesprek gaat [slachtoffer] tekeer. [medeverdachte] is in paniek, geeft aan dat [slachtoffer] doordraait en smeekt [verdachte] om te komen. [verdachte] verklaart hoe hij [slachtoffer] tijdens dit telefoongesprek op de achtergrond hoort tieren dat hij alles zou slopen en ramen zou ingooien.
42. [verdachte] besluit om er ondanks het late tijdstip heen te gaan. Als hij aankomt hoort hij [slachtoffer] al schreeuwen, hij wil geld en anders gaat hij alles slopen. Wanneer [verdachte] binnenkomt grijpt [slachtoffer] hem direct bij de keel. Met zijn grote handen betekent dit dat hij volledig om de nek van [verdachte] zat. [medeverdachte] beschrijft gedetailleerd hoe hij ziet dat de aderen van [verdachte] opzwellen. Het is uiteindelijk dankzij de hulp van [medeverdachte] dat [verdachte] zich vrij weet te worstelen.
43. [slachtoffer] draait zich om en zet enkele stappen richting de werkbank aan de achterkant van de loods. Hij neemt daar een snuif cocaïne en rommelt wat op de werkbank. Vervolgens draait hij zich om waarbij volgens [medeverdachte] zijn ogen wegdraaien. Ineens komt hij met versnelde pas op [verdachte] af. De laatste staat op maar enkele meters afstand met het stuur van een motor in zijn rug. waardoor hij niet weg kan komen. [verdachte] trekt het pistool dat hij bij zich draagt, er wordt mogelijk nog wat geroepen en wanneer [slachtoffer] vlakbij hem is lost hij één enkel schot. [slachtoffer] valt direct op de grond en is vrijwel op slag dood.
(…)
II Kwalificatie, noodweer en noodweer-exces
Voorbedachte raad en opzet
(…).
Noodweer
(…).
56. De eerste vraag die aldus moet worden beantwoord is of sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding of van de dreiging daarvan.
57. De rechtbank heeft op dit onderdeel overwogen die onmiddellijke wederrechtelijke aanranding voldoende aannemelijk te achten. Niet alleen heeft [verdachte] voldoende aannemelijk gemaakt dat op het moment dat het slachtoffer schreeuwend en onder invloed van cocaïne en alcohol op hem afkwam bij hem de redelijke vrees bestond dat het slachtoffer hem iets aan zou doen, ook naar objectieve maatstaven bezien leverde dat een onmiddellijk dreigend gevaar op een wederrechtelijke aanranding op. Het eerste vereiste voor noodweer of noodweerexces is dus aannemelijk geacht. Dat was overigens ook het standpunt van de officier van justitie.
58. Duidelijk zal zijn dat ik meen dat Uw Hof hetzelfde zou moeten doen. De situatie zoals zojuist omschreven, waarbij [slachtoffer] eerst [medeverdachte] zodanig bedreigt dat deze [verdachte] smeekt om te komen, [verdachte] ter plaatse komt en bij zijn keel wordt gegrepen, hij zich met moeite kan losmaken en [slachtoffer] na te hebben gerommeld bij zijn werkbank duidelijk onder invloed opnieuw op hem afkomt, levert zonder twijfel eerst een voltooide (het wurgen) en vervolgens een dreigende wederrechtelijke aanranding op.
(…)
63. In het oordeel van de rechtbank worden de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit enigszins met elkaar vermengd en wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de dreiging die van slachtoffer uitging niet op een andere wijze had kunnen worden afgewend dan te schieten in het bovenlichaam van het slachtoffer. [verdachte] had voldoende tijd om bijvoorbeeld een waarschuwingsschot te lossen in de lucht of op de grond of had de aanval fysiek kunnen afwenden met behulp van de medeverdachte zoals ook bij eerdere gelegenheden succesvol was gebeurd, aldus de rechtbank. Daarmee wordt het schieten in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding geacht op grond waarvan het beroep op noodweer wordt verworpen.
64. Voor wat betreft die andere mogelijkheden doet de rechtbank naar het oordeel van de verdediging geen recht aan de explosiviteit van de situatie en de snelheid waarop één en ander zich heeft afgespeeld. Getuige [medeverdachte] heeft juist bij herhaling verklaard dat hij niet de indruk had dat hij er samen met [verdachte] in geslaagd zou zijn om het slachtoffer tot bedaren te brengen en dat er zoveel tijd was voor een waarschuwingsschot berust op een onjuiste lezing van de verklaringen van [medeverdachte] . Aan het subsidiariteitsbeginsel is in deze zaak naar mijn oordeel wel degelijk voldaan.
65. Dat geldt gezien de snelle escalatie, de krachtverhoudingen tussen [verdachte] en [slachtoffer] waarbij de eerste veruit kleiner is en minder massa heeft dan voor [slachtoffer] (1,89 m en 114 kg, zie voetnoot 29) gold, de staat waarin de laatste zich bevond en de wijze waarop hij zich eerder gewelddadig had gemanifesteerd, naar mijn oordeel ook voor het proportionaliteitsbeginsel. Ik acht het daarbij vooral van belang te benadrukken dat van de zijde van [verdachte] van een gericht schot geen sprake is geweest, maar dat hij zijn wapen heeft getrokken op het moment dat [slachtoffer] op hem afkwam en direct of in ieder geval heel kort daarna de trekker heeft overgehaald. Dat hij daarbij [slachtoffer] met één schot heeft doodgeschoten op de wijze zoals is gebeurd mag onder de omstandigheden uitzonderlijk en buitengewoon ongelukkig worden genoemd. Dat doet aan het (voorwaardelijk) opzet als gezien niet af, maar dient wél betrokken te worden bij de beoordeling van de proportionaliteit van dat schot.
66. Op dit onderdeel speelt ook weer de ingewikkelde discussie met betrekking tot de vraag of bij die proportionaliteitseis de handeling of het gevolg van die handeling tot maatstaf moet worden genomen. In het hierboven genoemde overzichtarrest lijkt de Hoge Raad met verwijzing naar een eerdere uitspraak uit 2006 die zag op het toebrengen van een diepe steekwond te oordelen dat de gevolgen van een gedraging op zijn minst ook mogen worden betrokken. Dat betekent dat de proportionaliteit dan mede beoordeeld wordt op omstandigheden waar een verdachte maar weinig of helemaal geen controle over heeft. Een zekere mate van risicoaansprakelijkheid die in het kader van dat voorwaardelijk opzet wat mij betreft nog wel uit te leggen is, maar die bij de beoordeling van de proportionaliteit van gedragingen die onder buitengewone omstandigheden tot stand komen het risico in zich draagt dat aan het handelen van een verdachte eisen worden gesteld waaraan juist onder dat soort bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden voldaan.
67. Indien wordt uitgegaan van het gevolg is de overtreding van het proportionaliteitsgebod al snel gegeven: het doodschieten van iemand die je zonder wapen of alleen met een slagwapen aanvalt is behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden vrijwel nooit proportioneel te noemen. Juist daarom zou het naar het oordeel van de verdediging juister zijn wanneer meer gekeken wordt naar de gedraging en niet zo zeer naar het - voor een deel van het toeval afhankelijke - gevolg. De vraag die gesteld zou moeten worden is of het onder omstandigheden als deze lossen van één enkel schot in de richting van iemand die op je afkomt (wederom: onder de omstandigheden van dit geval) proportioneel is als je mag vrezen dat wanneer die persoon je te pakken krijgt hij je (opnieuw) zal wurgen althans daar een poging toe zal doen. Als de vraag op die manier gesteld wordt is de mogelijkheid dat de gedraging als voldoende proportioneel heeft te gelden natuurlijk een heel stuk groter.
68. Ik wijs juist in dit verband opnieuw op hetgeen [medeverdachte] in zijn verklaringen bij de politie heeft verteld. Hij heeft daar telkens benadrukt dat [verdachte] naar zijn idee echt geen alternatief had. Hij verklaart dat keer op keer:
Maar omdat [slachtoffer] zijn uh ... zijn rug keerde en hem gewoon greep en bijna gewoon echt serieus, bijna vermoordde, hij had gewoon [verdachte] , geen keus.
Tenminste ik vind nog steeds dat [verdachte] er niks, niks aan kan doen. Niet om, om voor hem op te komen. Maar echt om de situatie zelf. Hoe ik het bekijk. Er was geen uitweg.
V: had [verdachte] daar... kunnen weglopen? A: nee, nee. Onmogelijk. Want de deur was dicht, op het moment dat hij de deur open zou doen had hij hem weer gewoon gegrepen. En mij ook.
69. De verdediging is van oordeel dat gezien het karakter van de strafuitsluitingsgronden en de subjectieve beleving die daarin een rol mag of zelfs moet spelen uw hof de tweede variant zou moeten toepassen, dus meer zou moeten kijken naar de aard van de handeling dan naar het gevolg, en meent dat de vraag naar de proportionaliteit onder de omstandigheden dan bevestigend dient te worden beantwoord.
(…)
85. Ik benoemde in dat verband hierboven al dat [slachtoffer] zich in de laatste dagen van zijn leven in toenemende mate agressief en intimiderend in de richting van [verdachte] (en anderen) had gemanifesteerd. Daarbij bleef het anders dan eerder al lange tijd het geval was niet bij (soms vergaande) dreigementen, maar was hij de grens naar fysiek geweld ook overgestoken door [verdachte] in eerste instantie op 26 februari te hebben geslagen met die ijzeren staaf en hem op de avond van 7 maart zelf bij zijn keel te hebben gegrepen. Natuurlijk heeft dat bij [verdachte] de angst gewekt dat [slachtoffer] bij een derde keer (nog) verder zou gaan en dat hij het risico liep ernstig gewond te raken, of erger.
86. Ieder normaal mens zou onder de omstandigheden van dat moment - een in toenemende mate irrationele en boze man, veel groter en sterker dan jij, ernstig onder invloed van alcohol en cocaïne, die je al tijdenlang bedreigt en afperst, die je al een keer geslagen heeft met een ijzeren staaf, en die in een kleine ruimte waaruit je in ieder geval naar jouw overtuiging niet kan ontsnappen je eerst bij je keel grijpt en dan een tweede keer op je afkomt - bang zijn en in paniek raken en beslissingen nemen die vanuit de veilige afstand in tijd en ruimte die we hier met zijn allen hebben gemakkelijk als onverstandig of moreel laakbaar kunnen worden afgewezen, maar waarvan ik in ieder geval niet zou durven stellen dat ik het in die situatie veel beter of verstandiger zou aanpakken.
(…)
92. Ook wanneer tot uitgangspunt zou worden genomen dat hij anders dan hij heeft verklaard het wapen al eerder had getrokken en daarmee [slachtoffer] op afstand probeerde te houden verandert dat de omstandigheden van dat beroep op noodweer of noodweerexces niet wezenlijk. Ook in die variant vertelt [medeverdachte] immers dat [slachtoffer] zes stappen van hem verwijderd was en met versnelde pas op hem af kwam lopen. Ik zou me zelfs kunnen voorstellen dat een tweefasen-benadering waarbij [verdachte] in eerste instantie dat wapen heeft getrokken en heeft gericht om [slachtoffer] te waarschuwen hem niet opnieuw aan te vallen om vervolgens, wanneer [slachtoffer] dat in de toestand waarin hij op dat moment verkeerde tóch deed, geen andere uitweg meer te zien dan de trekker overhalen die beslissing eerder proportioneel dan minder proportioneel maakt. En zou dat al anders zijn en zou u noodweer niet aanwezig achten, dan meen ik dat juist ook onder die omstandigheden hevige angst of paniek een invoelbare en voor de hand liggende reactie is: je bent al aangevallen, je bent al gewurgd, iemand blijft dreigen en dreigend, je trekt nota bene een wapen om hem te waarschuwen je niet opnieuw aan te vallen en dan nóg valt iemand je aan. Het maakt een hevige gemoedsbeweging wat mij betreft aannemelijk. Het in de emotie van dat moment daarna een nog een schop aan [slachtoffer] geven - wat [verdachte] eveneens betwist - doet daar niets aan af. (…).”
Het oordeel van het hof
11. Het hof heeft in het bestreden arrest (p. 5-6) het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:
“Het oordeel van het hof
Het hof gaat uit van de volgende, aan de verklaring van de verdachte en van de [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) ontleende, feiten en omstandigheden.
Op 7 maart 2020 werd de verdachte gebeld door [medeverdachte] . [medeverdachte] was rond middernacht in de loods op de [a-straat 1] te [geboorteplaats] aangekomen en had daar het slachtoffer aangetroffen, die geld wilde van de verdachte. Aangezien het slachtoffer zich niet liet kalmeren door [medeverdachte] , heeft [medeverdachte] de verdachte gebeld met het verzoek om naar de loods te komen. De verdachte is eerst naar de loods op de [a-straat 2] gegaan, heeft daar een vuurwapen gepakt, heeft dit wapen doorgeladen en bij zich gestoken, heeft zijn weg vervolgd naar de loods op de [a-straat 1] en is de loods binnengegaan. In de loods is een fysiek handgemeen tussen de verdachte, [medeverdachte] en het slachtoffer ontstaan, waarbij de ene keer [medeverdachte] de verdachte heeft ontzet en de andere keer de verdachte [medeverdachte] heeft ontzet. Zowel de verdachte als [medeverdachte] hebben verklaard dat het slachtoffer telkens de initiërende agressor van dit handgemeen was. Na het handgemeen zijn de verdachte, [medeverdachte] en het slachtoffer weer uit elkaar geraakt. Op enig moment is het slachtoffer weer dreigend op de verdachte afgelopen en heeft gedurende die toenadering gezegd "schiet dan, schiet dan". Verdachte heeft, gelet op deze woorden, het vuurwapen dan al getrokken. De verdachte heeft vervolgens met het vuurwapen in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer geschoten, als gevolg waarvan de kogel in de borststreek van het slachtoffer terecht is gekomen, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.
Noodweer
Naar het oordeel van het hof is het handelen van het slachtoffer, te weten het na het fysiek handgemeen (opnieuw) dreigend aflopen op de verdachte, aan te merken als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De vraag is of de gedraging van de verdachte, het schieten met een vuurwapen in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer, geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen deze dreiging.
Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is onvoldoende vast komen te staan dat de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid tot vluchten had. De posities van de verdachte, [medeverdachte] en het slachtoffer in de loods ten opzichte van elkaar en van de deur naar buiten zijn onduidelijk gebleven.
Het hof is evenwel van oordeel dat, gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, de door de verdachte gekozen wijze van verdediging in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het schieten met een vuurwapen is immers geenszins een passende reactie op het na een fysiek handgemeen dreigend op iemand aflopen. Van de verdachte had in de gegeven omstandigheden in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze zou hebben verdedigd, bijvoorbeeld door een waarschuwingsschot te lossen, het slachtoffer met het wapen te slaan, het slachtoffer in zijn been te schieten, of met behulp van [medeverdachte] de dreigende aanranding af te wenden zoals reeds eerder (succesvol) was gebeurd. Derhalve is niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste dat aan de verdedigingsreactie van de verdachte wordt gesteld, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.
Noodweerexces
Nu de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de dreigende aanranding. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Uit de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] blijkt dat het slachtoffer al zo’n twee jaar lang geregeld bedreigingen uitte en agressief was jegens onder andere de verdachte; daarmee leverde het voorval in de loods, te weten hetgeen zich heeft afgespeeld voorafgaand aan het afvuren van het wapen, geen uitzonderlijke situatie op. Dat het slachtoffer in de periode kort voor zijn overlijden toenemend fysiek agressief was richting de verdachte of derden, is onvoldoende gebleken. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof niet aannemelijk geworden dat de dreigende aanranding, die in het licht van het voorgaande niet op zichzelf stond, bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.”
Een nadere omschrijving van het middel
12. De steller van het middel herhaalt een aantal feiten en omstandigheden uit de verklaringen die de verdachte op meerdere terechtzittingen van het hof heeft afgelegd, en herhaalt feiten en omstandigheden die ter terechtzitting van het hof door de raadsman van de verdachte naar voren zijn gebracht in de pleitnota. Met betrekking tot deze feiten en omstandigheden wordt in de kern aangevoerd dat het hof niet heeft vastgesteld of het deze feiten en omstandigheden aannemelijk heeft geacht, terwijl het hof dat wel had moeten doen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat niet duidelijk is of het beroep op noodweer(exces) is verworpen omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden of dat deze geen noodweersituatie opleveren.
13. Het voert te ver om die feiten en omstandigheden hier te herhalen. De belangrijkste ervan zijn naar voren gekomen in de hierboven onder randnummer 10 geciteerde pleitnota. Als feiten en omstandigheden die het hof niet heeft vastgesteld maar wel had moeten vaststellen wijst de steller van het middel in het bijzonder op de posities die de verdachte, [slachtoffer] en [medeverdachte] ten opzichte van elkaar in de loods zouden hebben ingenomen op het moment nadat [slachtoffer] zich omdraaide en op de verdachte afkwam. Ook wijst de steller van het middel erop dat niet duidelijk is wat het hof bedoelt met het “fysiek handgemeen” dat aan het dodelijke schot vooraf is gegaan.
De bespreking van het middel
14. In feite komen de klachten erop neer dat het hof niet één voor één is ingegaan op alle feiten en omstandigheden die door de verdachte en zijn raadsman in hoger beroep aan het beroep op noodweer ten grondslag zijn gelegd. In hun algemeenheid falen deze klachten omdat het hof bij de bespreking van een verweer niet gehouden is in te gaan op alle onderdelen ervan en dus ook niet op alle feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd.
15. Hierbij komt dat een deel van de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de pleitnota en waarnaar in de schriftuur wordt verwezen een reactie vormen op wat de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het beroep op noodweer. Daarvan kan niet (zonder meer of zonder nadere motivering die in de schriftuur ontbreekt) worden gezegd dat daarmee het beroep op noodweer in hoger beroep nader wordt onderbouwd. Het gaat om de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen vanaf randnummer 22 onder het kopje “Wisselende verklaringen?”. Pas daarna wordt in de pleitnota het beroep op noodweer(exces) uitdrukkelijk onderbouwd vanaf randnummer 54 (p. 18) onder het kopje “II Kwalificatie, noodweer en noodweer-exces”, subkopje “noodweer”. In zoverre mist het middel deels feitelijke grondslag en voldoet het deels niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen.
16. In zijn overwegingen heeft het hof de relevante feiten en omstandigheden die aan het beroep op noodweer ten grondslag zijn gelegd, naar mijn mening kort, bondig en duidelijk teruggebracht tot de kern. Het hof vangt zijn overwegingen aan met de constatering dat het de feiten en omstandigheden heeft ontleend aan de verklaringen van de verdachte en de [medeverdachte] . Daarom mist de klacht dat het hof de juistheid van wat door en namens de verdachte is gesteld “(grotendeels) in het midden heeft gelaten” feitelijke grondslag.
17. In de kern komt de verwerping van het beroep op noodweer erop neer dat de verdachte met een doorgeladen vuurwapen gericht heeft geschoten op de ongewapende [slachtoffer] die op de verdachte afliep terwijl hij “schiet dan, schiet dan” riep. De verdachte heeft [slachtoffer] met één schot in de hartstreek dodelijk getroffen. Het oordeel dat het met een vuurwapen schieten op een ongewapende tegenstander disproportioneel is, acht ik onder de gegeven omstandigheden (de verdachte stond er niet alleen voor) niet onbegrijpelijk.
18. Daarbij heeft het hof uitdrukkelijk acht geslagen op het “fysiek handgemeen” dat toen in de loods tussen de verdachte, [slachtoffer] en [medeverdachte] was ontstaan. Daarmee heeft het hof ook afdoende geageerd op het fysieke overwicht van [slachtoffer] en zijn agressieve gedrag in de loods, en ook op wat in de schriftuur wordt omschreven als de poging van [slachtoffer] om de verdachte te wurgen. De kwalificatie door het hof van wat in de schriftuur wordt gepresenteerd als “wurgen althans daar een poging toe” te doen, als een “fysiek handgemeen”, vind ik niet onbegrijpelijk gelet op hoe een en ander in de pleitnota is gepresenteerd en de manier waarop de verdachte daarover ter terechtzitting van het hof heeft verklaard. In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 14 januari 2025 is immers als verklaring van de verdachte weergegeven dat “een worsteling” met [slachtoffer] ontstond en dat hij “zijn handen om mijn keel” had en hij [slachtoffer] van zich af duwde. In de pleitnota wordt aangevoerd dat [slachtoffer] de verdachte bij de keel heeft gepakt. Ook in de schriftuur wordt bij de samenvatting van de “indringende argumenten” die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd gewezen op “geweldhandelingen” die niet als wurgen of wurgpoging worden omschreven maar als “het direct naar de keel grijpen, waar rekwirant met moeite zich aan heeft weten te ontworstelen met hulp van [medeverdachte] ”.
19. Het middel faalt.
Het tweede middel
20. Het tweede middel bevat klachten over de verwerping van het beroep op noodweerexces.
Het oordeel van het hof
21. Het hof heeft het beroep op noodweerexces verworpen en daarbij in het bestreden arrest (p. 6) het volgende overwogen:
“Noodweerexces
Nu de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, ziet liet hof zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte liet onmiddellijke gevolg was van een lievige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de dreigende aanranding. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Uit de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte] blijkt dat het slachtoffer al zo’n twee jaar lang geregeld bedreigingen uitte en agressief was jegens onder andere de verdachte; daarmee leverde het voorval in de loods, te weten hetgeen zich heeft afgespeeld voorafgaand aan liet afvuren van het wapen, geen uitzonderlijke situatie op. Dat het slachtoffer in de periode kort voor zijn overlijden toenemend fysiek agressief was richting de verdachte of derden, is onvoldoende gebleken. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof niet aannemelijk geworden dat de dreigende aanranding, die in het licht van het voorgaande niet op zichzelf stond, bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt. Het beroep op noodweerexces wordt verworpen.”
Een nadere omschrijving van het middel
22. Net als bij het eerste middel wordt aangevoerd dat het hof bij de verwerping van het verweer niet of onvoldoende is ingegaan op de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Daardoor heeft het hof de juistheid daarvan in het midden gelaten en onvoldoende nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen gedaan. Bovendien heeft het hof een verkeerde maatstaf aangelegd voor zover aan het beroep op noodweer ten grondslag is gelegd dat [slachtoffer] in de periode kort voor zijn overlijden in toenemende mate fysiek agressief was tegenover de verdachte. Het hof heeft namelijk overwogen dat dit “onvoldoende is gebleken”. Dat is een strengere maatstaf dan dat “onvoldoende aannemelijk is geworden”, aldus steeds de steller van het middel.
De bespreking van het middel
23. De klacht over de door het hof aangelegde maatstaf faalt. Het hof heeft bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces overwogen dat het “niet aannemelijk is geworden” dat de dreigende aanranding bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. De overweging dat “onvoldoende” is “gebleken” dat [slachtoffer] in de periode kort voor zijn overlijden toenemend fysiek agressief was richting de verdachte of derden, lees ik in de context daarvan. Die overweging volgt op de vaststelling door het hof dat [slachtoffer] al twee jaar lang richting de verdachte bedreigingen uitte en agressief was. Daarvan uitgaande, dus van wat daarover door en namens de verdachte was aangevoerd, blijkt niet dat [slachtoffer] “toenemend” fysiek agressief was richting de verdachte of derden. Met andere woorden: [slachtoffer] was sowieso geregeld wat agressief en dat was in de periode kort voor zijn overlijden niet anders dan in de jaren ervoor. Het hof interpreteert het agressieve gedrag van [slachtoffer] in de periode kort voor zijn overlijden dus anders dan de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting ter onderbouwing van het beroep op noodweerexces hebben gedaan. Ik stel nog vast dat de overweging dat “onvoldoende” is “gebleken” alleen betrekking heeft op de toegenomen fysieke agressiviteit van [slachtoffer] en niet op de andere feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op noodweerexces. Voor zover erover wordt geklaagd dat het hof deze maatstaf ook zou hebben toegepast op de andere feiten en omstandigheden, mist de klacht feitelijke grondslag.
24. Ook de klacht dat het hof niet of onvoldoende is ingegaan op de feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op noodweerexces faalt. Het hof heeft wat is aangevoerd naar mijn mening voor een belangrijk deel in de kern samengevat als dat [slachtoffer] in de periode voorafgaand aan zijn overlijden in toenemende mate fysiek agressief zou zijn in de richting van de verdachte en anderen. Het hof heeft dit niet aannemelijk geacht. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk en kan in cassatie verder niet worden getoetst. Het andere deel van de feiten en omstandigheden die aan het beroep op noodweerexces ten grondslag zijn gelegd vallen naar mijn mening onder wat het hof in de kern heeft aangemerkt als “geen uitzonderlijke situatie”. Het gedrag van [slachtoffer] zat in de aard van de man en daarmee was de verdachte al lang bekend.
25. Het middel faalt.
Het derde middel
26. Het derde middel bevat een klacht over de opgelegde straf en de strafmotivering.
27. Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:
“De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarbij matiging is toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om - in het geval het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen - gelet op overschrijding van de redelijke termijn, de straf die aan de medeverdachte is opgelegd, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een lagere straf dan de rechtbank op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op 8 maart 2020 het slachtoffer in de borst geschoten, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ergste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en het slachtoffer één van de meest fundamentele mensenrechten, te weten het recht op leven, ontnomen. Vervolgens heeft de verdachte samen met de [medeverdachte] het lichaam van het slachtoffer in een zeil gewikkeld, verzwaard met stenen en te water gelaten om zo de dood van het slachtoffer en de oorzaak daarvan te verbergen. Door zo te handelen is de verdachte op een buitengewoon respectloze wijze omgegaan met het lichaam van het slachtoffer. Hiermee heeft de verdachte aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar verlies en leed toegebracht. Dat volgt onder meer uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de moeder van één van de zonen van het slachtoffer afgelegde slachtofferverklaring. Zij heeft zich hardop afgevraagd hoe zij later aan haar jongste zoon - aangezien hij ten tijde van het bewezenverklaarde en momenteel nog te jong is om dit te begrijpen - moet vertellen hoe zijn vader om het leven is gekomen en hoe er met zijn lichaam is omgegaan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, MDMA en GHB en het voorhanden hebben van een Kalasjnikov. Verdovende middelen bevatten voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen en zijn sterk verslavend. Het aanwezig hebben van dergelijke middelen is daarnaast schadelijk voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Het voorhanden hebben van een vuurwapen brengt vanwege de kans op het gebruik daarvan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van 29 januari 2025 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Na het plegen van de onderhavige feiten is de verdachte op 23 maart 2022 (onherroepelijk) veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, lidmaatschap van een criminele organisatie en witwassen. Het hof dient rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 Sr.
Op het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. In beginsel acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren passend en geboden.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak op zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden, in hoger beroep wel. Namens de verdachte is immers op 20 december 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 11 maart 2025 arrest zal wijzen, zodat sprake is van een overschrijding van een jaar en bijna drie maanden. Deze overschrijding is ten dele te wijten aan de verdediging, nu door de opvolgend raadsman op 18 september 2024 - toen de data van de inhoudelijke behandeling reeds anderhalve maand bekend waren - aanvullende onderzoekswensen zijn ingediend. Desondanks ziet het hof vanwege de overschrijding aan leiding de straf te matigen, in die zin dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.”
28. Aangevoerd wordt dat het hof in het geheel niet dan wel onvoldoende heeft uiteengezet waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening moest worden gehouden met, kort samengevat, een reeks door de verdediging ter terechtzitting van het hof van 11 februari 2025 naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. Van die feiten en omstandigheden wijst de steller van het middel in het bijzonder erop dat de verdachte “geen vol opzet heeft gehad op de dood en hij door [slachtoffer] in een noodweersituatie terecht is gekomen die hij niet had gewild, dat hij de fatale afloop niet had gewild, dat hij juist [slachtoffer] lange tijd had onderhouden en dat met nuance moest worden gekeken naar de (verkeerde) beslissing na het overlijden het lichaam van [slachtoffer] weg te maken”. Met betrekking tot het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] wijst de steller van het middel erop dat de raadsman ter terechtzitting zich niet aan de indruk kon onttrekken dat dit een disproportioneel zware invloed heeft gehad op de door de rechtbank opgelegde straf en dat hij dat gevoel enerzijds goed kan begrijpen. Ik citeer nu uit de pleitnota, p. 58: “Hoewel ik dat gevoel dus goed begrijp meen ik dat anderzijds gewaakt moet worden voor het toelaten van die - zoals zo vaak - eenzijdige emotie die weinig rekening houdt met menselijk gedrag zoals dat onder extreme omstandigheden tot stand komt.”
29. Bij de beoordeling van het middel moet in lijn met HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, voorop worden gesteld dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt, beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. De feitenrechter is (alleen) tot een nadere motivering gehouden, zo overweegt de Hoge Raad in dat arrest, als “beargumenteerd wordt aangevoerd waarom - gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan - een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien.” Tegen de achtergrond hiervan heeft het hof het aangevoerde met betrekking tot de op te leggen straf kennelijk opgevat als (niets meer dan) een opsomming van factoren die bij de strafoplegging zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. De uitleg van wat is aangevoerd is voorbehouden aan de feitenrechter. Die uitleg is in dit geval niet onbegrijpelijk.
30. Het middel faalt.
Het vierde middel
31. Het vierde middel klaagt over het oordeel over de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de zaak in hoger beroep.
32. De voor de beoordeling van het middel relevante overwegingen in het bestreden arrest onder het kopje ‘Oplegging van straf’ heb ik hierboven bij de bespreking van het derde middel weergegeven. Voor de leesbaarheid herhaal ik hier het deel dat in het bijzonder betrekking heeft op de in het vierde middel naar voren gebrachte klacht:
“De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarbij matiging is toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om - in het geval het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen - gelet op overschrijding van de redelijke termijn, de straf die aan de medeverdachte is opgelegd, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een lagere straf dan de rechtbank op te leggen.
(…)
Op het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. In beginsel acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren passend en geboden.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6. eerste lid. van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak op zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden, in hoger beroep wel. Namens de verdachte is immers op 20 december 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 11 maart 2025 arrest zal wijzen, zodat sprake is van een overschrijding van een jaar en bijna drie maanden. Deze overschrijding is ten dele te wijten aan de verdediging, nu door de opvolgend raadsman op 18 september 2024 - toen de data van de inhoudelijke behandeling reeds anderhalve maand bekend waren - aanvullende onderzoekswensen zijn ingediend. Desondanks ziet het hof vanwege de overschrijding aan leiding de straf te matigen, in die zin dat aan de verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.”
33. Aangevoerd wordt dat het hof ten onrechte de vierentwintigmaandentermijn heeft toegepast. Aangezien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond had de zestienmaandentermijn moeten worden toegepast.
34. Deze klacht is terecht voorgesteld. Tot een verdere vermindering van de opgelegde straf hoeft dit echter niet te leiden. Het hof heeft de op te leggen gevangenisstraf verminderd van dertien tot twaalf jaar. Ook als wordt uitgegaan van een langere overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de verdediging komt, is een vermindering van de duur van de gevangenisstraf met één jaar als compensatie voor die overschrijding, beslist niet onbegrijpelijk.
35. Het middel faalt.
Het vijfde middel
36. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden tijdens de behandeling van de zaak in cassatie.
37. Het middel is terecht voorgesteld. Nadat op 13 maart 2025 beroep in cassatie is ingesteld, zijn de stukken van het geding op 2 december 2025 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen. Omdat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt is daarmee de inzendtermijn van zes maanden overschreden.
38. In aansluiting hierop constateer ik ambtshalve dat behalve de redelijke inzendtermijn ook de redelijke behandeltermijn is overschreden doordat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het beroep van cassatie (terwijl de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt). Een en ander moet op grond van bestendige rechtspraak tot strafvermindering leiden.
Slotsom
39. Het vijfde middel slaagt. De andere middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
40. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen dan de hierboven bij randnummer 38 aangegeven grond, die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG