Bestuursrecht overig
Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het…
Raad van State, 16 december 2009
ECLI:NL:RVS:2009:BK6771 · Raad van State · 16 december 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2009-bk6771
Zaakgegevens
Op 16 december 2009 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 december 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200904110/1/M2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2009:BK6771
Samenvatting
Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de paardenhouderij van [paardenhouder] aan de [locatie] te Zoetermeer afgewezen.
Uitspraak
200904110/1/M2.
Datum uitspraak: 16 december 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te Zoetermeer,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (hierna: het college) een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de paardenhouderij van [paardenhouder] aan de [locatie] te Zoetermeer afgewezen.
Bij besluit van 23 april 2009 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2009, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2009, waar [appellanten], bijgestaan door mr. P.H.N. van Spanje, advocaat te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Haak, advocaat te 's-Gravenhage, en mr. J. van den Berg en G.J. Hortensius, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [paardenhouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [appellanten] betogen dat voorschrift 2.2.1 van de bijlage behorende bij het Besluit landbouw milieubeheer wordt overtreden. Zij stellen daartoe onder meer dat in de paardenhouderij van [paardenhouder] gedurende een periode langer dan een half jaar vaste mest wordt opgeslagen, zonder dat die opslag plaatsvindt op een mestdichte vloer met openstaande randen of een ten minste gelijkwaardige voorziening.
2.2. In voorschrift 2.2.1 van de bijlage behorende bij het Besluit landbouw milieubeheer is bepaald dat indien vaste mest gedurende een half jaar of langer wordt opgeslagen, de opslag plaatsvindt op een mestdichte vloer met opstaande randen of een ten minste gelijkwaardige voorziening.
2.3. Het verzoek om bestuurlijke handhavingsmiddelen te treffen heeft uitsluitend betrekking op de opslag van mest binnen de inrichting van [paardenhouder] aan de [locatie] te Zoetermeer. Ter zitting is echter gebleken dat de mestopslag, ten aanzien waarvan om handhaving is verzocht, plaatsvindt op het perceel [locatie B]. Dit perceel behoort niet tot de inrichting van [paardenhouder]. Het college heeft het verzoek om handhaving dan ook terecht afgewezen en het bezwaar daartegen terecht ongegrond verklaard.
2.4. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009
190-584.