Bestuursrecht overig
Bij besluit van 7 december 2010, kenmerk LRU10.088907, heeft het college het uitwerkingsplan "Verlengde…
Raad van State, 12 oktober 2011
ECLI:NL:RVS:2011:BT7378 · Raad van State · 12 oktober 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2011-bt7378
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2011 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201105398/1/R3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2011:BT7378
Samenvatting
Bij besluit van 7 december 2010, kenmerk LRU10.088907, heeft het college het uitwerkingsplan "Verlengde Houtrakgracht en Kop Amaliapark" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2011, beroep ingesteld.
[appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Nadat partijen bij onderscheiden brieven van 19 september 2011 en 22 september 2011 toestemming, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), hadden verleend, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Uitspraak
201105398/1/R3.
Datum uitspraak: 12 oktober 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, wonend te Utrecht,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2010, kenmerk LRU10.088907, heeft het college het uitwerkingsplan "Verlengde Houtrakgracht en Kop Amaliapark" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2011, beroep ingesteld.
[appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Nadat partijen bij onderscheiden brieven van 19 september 2011 en 22 september 2011 toestemming, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), hadden verleend, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] en anderen voeren onder meer aan dat een aantal stukken ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen en dat in het plan ten onrechte geen maximaal aantal toegestane woningen is opgenomen.
2.2. In zijn uitspraak van 16 augustus 2011, nr. 201105398/2/R3 (www.raadvanstate.nl) heeft de voorzitter gemotiveerd waarom het aangevoerde hem aanleiding heeft gegeven voor het voorlopige oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.9a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang bezien met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, alsmede in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling sluit zich bij dit oordeel en de daarvoor gegeven motivering aan.
Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
2.3. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 7 december 2010, kenmerk LRU10.088907;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.
w.g. Van Sloten w.g. Van Steenbergen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011
528.