Bestuursrecht overig

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft het college zijn beslissing om op 29 april 2014 spoedeisende bestuursdwang…

Raad van State, 21 januari 2015

Zaakgegevens

Op 21 januari 2015 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
21 januari 2015
Datum publicatie
21 januari 2015
Zaaknummer
201406722/1/A4
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2015:125
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft het college zijn beslissing om op 29 april 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 in verbinding met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2009 op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 115,00) voor rekening van [appellant] komen.

Uitspraak

201406722/1/A4.

Datum uitspraak: 21 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft het college zijn beslissing om op 29 april 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 in verbinding met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2009 op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 115,00) voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het besluit van 9 mei 2014 ingetrokken.

Partijen hebben toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Overwegingen

1. Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het besluit van 9 mei 2014 ingetrokken. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte handhavend is opgetreden jegens [appellant]. Gelet op het besluit van 15 oktober 2014 heeft [appellant] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Voor zover [appellant] een principiële uitspraak wenst over het besluit van 9 mei 2014 wordt overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 26 maart 2014 in zaak nr. 201306469/1/A2), het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak van de Afdeling wenst, geen rechtens te honoreren belang oplevert.

2. Het beroep is niet-ontvankelijk.

3. Van proceskosten die op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Aangezien het college met het besluit van 15 oktober 2014 aan het beroep is tegemoetgekomen, ziet de Afdeling aanleiding het college te gelasten het door [appellant] betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 45,00 (zegge: vijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015

628.