Bestuursrecht overig

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college zijn beslissing om op 5 december 2016 spoedeisende…

Raad van State, 21 maart 2018

Zaakgegevens

Op 21 maart 2018 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 maart 2018
Datum publicatie
21 maart 2018
Zaaknummer
201701860/1/A1
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2018:937
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college zijn beslissing om op 5 december 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een gedeelte, € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Uitspraak

201701860/1/A1.

Datum uitspraak: 21 maart 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college zijn beslissing om op 5 december 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van de toepassing van bestuursdwang een gedeelte, € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2018, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."

2.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 5 december 2016 naast een inzamelvoorziening voor oud papier (hierna: de papiercontainer) ter hoogte van het pand aan de [locatie] te Den Haag is aangetroffen. Omdat in de doos een reclamestuk is aangetroffen met de adresgegevens van [appellante], stelt het college zich op het standpunt dat de doos van haar afkomstig is en dat zij als overtreder van artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening dient te worden aangemerkt.

3.    [appellante] betwist niet dat het reclamestuk van haar afkomstig is. Zij betwist wel dat de doos van haar afkomstig is. [appellante] stelt dat de papiercontainer vol was, zodat zij haar oud papier in eerste instantie in een reeds naast de container aanwezige doos heeft gedeponeerd. Een paar minuten later is zij terug naar de container gegaan om haar oud papier weer mee naar huis te nemen, waarbij zij kennelijk een reclamestuk heeft laten liggen, zo stelt zij. Zij stelt voorts dat zij gezien de situatie en haar inkomen zwaar wordt gestraft.

4.     Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

5.    Nu in de doos een reclamestuk met de adresgegevens van [appellante] is aangetroffen, is deze tot haar herleidbaar. Dit betekent dat het college ervan mag uitgaan dat [appellante] de overtreder is, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is die de doos op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. De enkele stelling dat zij het reclamestuk heeft vergeten in de doos, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat [appellante] niet degene is geweest die de doos op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Daarbij komt dat [appellante] sowieso het reclamestuk op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht, geeft derhalve geen grond voor het oordeel dat het college niet een gedeelte van de kosten van de bestuursdwang op haar mocht verhalen.

    In dit verband merkt de Afdeling op dat het [appellante] in rekening gebrachte bedrag van € 126,00 niet, zoals zij veronderstelt, een boete betreft, maar slechts het verhalen van een gedeelte van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het verwijderen van de doos.

    Het betoog faalt.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018

457-860.