Bestuursrecht overig
Bij beslissing van 14 oktober 2022 is aan [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek tot inschrijving voor de…
Raad van State, 20 november 2023
ECLI:NL:RVS:2023:4304 · Raad van State · 20 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2023-4304
Zaakgegevens
Op 20 november 2023 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 november 2023
- Datum publicatie
- 22 november 2023
- Zaaknummer
- 202303777/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2023:4304
Samenvatting
Bij beslissing van 14 oktober 2022 is aan [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek tot inschrijving voor de masteropleiding Geneeskunde door de Universiteit Maastricht is afgewezen. Bij beslissing van 4 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep richt zich tegen deze beslissing. Het college heeft geweigerd om [appellant] voor de masteropleiding Geneeskunde in te schrijven omdat hij een deel van het collegegeld voor het studiejaar 2018-2019 niet heeft betaald. [appellant] erkent dat hij een deel van zijn collegegeld niet heeft betaald. Dat is volgens hem echter geen schuld van hem aan de universiteit. Hij heeft zich per 1 september 2018 voor de masteropleiding Geneeskunde ingeschreven met het oog op door hem te volgen coschappen. Die coschappen begonnen pas in november 2018. Dat betekent dat de Universiteit Maastricht tegenover het collegegeld geen tegenprestatie heeft geleverd gedurende de periode september 2018 — november 2018. Hij is de universiteit over die periode dus niets verschuldigd vindt hij.
Uitspraak
202303777/1/A2.
Datum uitspraak: 20 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te Breda,
appellant,
en
het college van bestuur van de Universiteit Maastricht (hierna: het college),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 20 november 2023 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter;
griffier: mr. M.M. Mercelina.
Verschenen:
[appellant];
het college, vertegenwoordigd door dr. mr. D.M.H.R. Garé.
Bij beslissing van 14 oktober 2022 is aan [appellant] medegedeeld dat zijn verzoek tot inschrijving voor de masteropleiding Geneeskunde door de Universiteit Maastricht is afgewezen. Bij beslissing van 4 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep richt zich tegen deze beslissing.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
1. Het college heeft geweigerd om [appellant] voor de masteropleiding Geneeskunde in te schrijven omdat hij een deel van het collegegeld voor het studiejaar 2018-2019 niet heeft betaald. [appellant] erkent dat hij een deel van zijn collegegeld niet heeft betaald. Dat is volgens hem echter geen schuld van hem aan de universiteit. Hij heeft zich per 1 september 2018 voor de masteropleiding Geneeskunde ingeschreven met het oog op door hem te volgen coschappen. Die coschappen begonnen pas in november 2018. Dat betekent dat de Universiteit Maastricht tegenover het collegegeld geen tegenprestatie heeft geleverd gedurende de periode september 2018 — november 2018. Hij is de universiteit over die periode dus niets verschuldigd vindt hij. Het in bezwaar gehandhaafde besluit om hem niet in te schrijven is volgens hem in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
2. In artikel 3, vijfde lid, van het Inschrijvingsbesluit Universiteit Maastricht 2022-2023 staat dat de herinschrijving van een student wordt geweigerd zolang degene die inschrijving wenst nog vorderingen met betrekking tot collegegeld heeft openstaan bij de Universiteit Maastricht. Vast staat dat [appellant] over het studiejaar 2018-2019 nog een bedrag van € 534,48 moet betalen. Daarom heeft het college terecht de inschrijving van [appellant] geweigerd. Anders dan [appellant] meent, is bij de betaling van collegegeld sprake van een wettelijke verplichting en niet van betaling op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst. Dat betekent dat het gevolg van een inschrijving is dat een student het volledige wettelijk verschuldigde collegegeld moet betalen. Buiten de gevallen genoemd in artikel 7.48, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op het Hoger en Wetenschappelijk Onderwijs, kan van vermindering van het collegegeld geen sprake zijn. Het feit dat [appellant] zijn coschappen pas vanaf november 2018 kon gaan volgen maakt dit niet anders.
3. In het advies van de Geschillenadviescommissie voor Studentenaangelegenheden Universiteit Maastricht is gewezen op de mogelijkheid voor [appellant] om gemotiveerd om kwijtschelding te vragen van de openstaande vordering. Van deze mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
4. Dat betekent dat het beroep van [appellant] ongegrond is.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mercelina
griffier
938