Bestuursrecht overig
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem zijn beslissing om…
Raad van State, 30 april 2025
ECLI:NL:RVS:2025:1927 · Raad van State · 30 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rvs-2025-1927
Zaakgegevens
Op 30 april 2025 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 april 2025
- Datum publicatie
- 30 april 2025
- Zaaknummer
- 202404518/1/R4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:1927
Samenvatting
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem zijn beslissing om op 5 maart 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak
202404518/1/R4.
Datum uitspraak: 30 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Arnhem,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college zijn beslissing om op 5 maart 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 140,00, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Rutte heeft een nader stuk ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 april 2025, waar het college, vertegenwoordigd door L.E.W. Jansen, is verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken".
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt".
Artikel 6:11 van de Awb luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".
2. Het besluit van 30 mei 2024 is verzonden op 3 juni 2024. Dat betekent dat de termijn voor het indienen van beroep liep tot en met 15 juli 2024. Het beroepschrift is digitaal ingediend op 17 juli 2024. Dit is dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van 6 weken.
[appellante] stelt dat het besluit in eerste instantie bij haar buren terecht is gekomen en dat zij die pas op 16 juli 2024 heeft ontvangen. Zij heeft vervolgens zo snel als mogelijk, een dag later, een beroepschrift ingediend. [appellante] heeft haar stelling echter niet onderbouwd en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het besluit van 30 mei 2024 pas op 16 juli 2024 heeft ontvangen. De Afdeling oordeelt daarom dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Brink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025
1069