Bestuursrecht overig

Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem zijn beslissing…

Raad van State, 30 april 2025

Zaakgegevens

Op 30 april 2025 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 april 2025
Datum publicatie
30 april 2025
Zaaknummer
202401267/1/R4
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1934
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem zijn beslissing om op 13 november 2023 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 87,00, voor rekening van [appellante] komt.

Uitspraak

202401267/1/R4.

Datum uitspraak: 30 april 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in Arnhem,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college zijn beslissing om op 13 november 2023 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 87,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 22 december 2023 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 april 2025, waar het college, vertegenwoordigd door L.E.W. Jansen, is verschenen.

Overwegingen

1.       Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken".

Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt".

Artikel 6:11 van de Awb luidt: "Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest".

2.       Het besluit van 22 december 2023 is verzonden op 28 december 2023. Dat betekent dat de termijn voor het indienen van beroep liep tot en met 8 februari 2024. Het beroepschrift is digitaal ingediend op 26 februari 2024. Dit is dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van 6 weken.

[appellante] stelt dat zij het beroepschrift ook eerder al, op 12 januari 2024, per post heeft ingediend. [appellante] heeft deze stelling niet onderbouwd. De Afdeling heeft dit gestelde beroepschrift ook niet ontvangen.

Conclusie

3.       Het beroep is niet-ontvankelijk.

4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van den Brink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2025

1069