Bestuursrecht overig

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht zijn beslissing om…

Raad van State, 29 januari 2025

Zaakgegevens

Op 29 januari 2025 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 januari 2025
Datum publicatie
29 januari 2025
Zaaknummer
202403412/1/R4
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:337
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht zijn beslissing om op 20 maart 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 20 maart 2024 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer in de Duke Ellingtonstraat in Utrecht. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat daarop een adreslabel met zijn naam en adres is aangetroffen. [appellant] stelt in zijn beroepschrift dat hij een vuilniszak in de container aan de Duke Ellingtonstraat heeft gedeponeerd en de klep heeft gesloten, maar dat de zak niet naar beneden in de container viel. Hij heeft de vuilniszak in de klep van de container laten zitten, omdat hij overtuigd was dat hij de zak op die manier goed had aangeboden en omdat hij vanwege zijn hoge dwarslaesie ook niet de kracht had om de zak er weer uit te halen en mee terug naar huis te nemen.

Uitspraak

202403412/1/R4.

Datum uitspraak: 29 januari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft het college zijn beslissing om op 20 maart 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 100,00, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 27 mei 2024 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2024, waar het college, vertegenwoordigd door C. Ligthart, is verschenen.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 20 maart 2024 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer in de Duke Ellingtonstraat in Utrecht. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat daarop een adreslabel met zijn naam en adres is aangetroffen.

2.       [appellant] stelt in zijn beroepschrift dat hij een vuilniszak in de container aan de Duke Ellingtonstraat heeft gedeponeerd en de klep heeft gesloten, maar dat de zak niet naar beneden in de container viel. Hij heeft de vuilniszak in de klep van de container laten zitten, omdat hij overtuigd was dat hij de zak op die manier goed had aangeboden en omdat hij vanwege zijn hoge dwarslaesie ook niet de kracht had om de zak er weer uit te halen en mee terug naar huis te nemen.

2.1.    Het besluit van 21 maart 2024 heeft betrekking op het verwijderen van een naast de container aangetroffen doos. In het controlerapport dat aan het handhavingsbesluit ten grondslag ligt, is door de toezichthouder aangekruist dat 'papier/karton' is aangetroffen en op de daarbij gevoegde foto is te zien dat het een bruine kartonnen doos met een wit adreslabel was. In het controlerapport is de andere optie 'vuilniszak(ken)' niet aangekruist. Op de zitting heeft het college bevestigd dat het besluit slechts betrekking heeft op de gefotografeerde doos en niet op een vuilniszak. Wat [appellant] heeft aangevoerd over de vuilniszak, heeft dus geen betrekking op het besluit van 21 maart 2024 en kan daarom niet leiden tot het oordeel dat dat besluit onrechtmatig is. [appellant] heeft verder niets aangevoerd over de kartonnen doos die is aangetroffen. Hij is ook niet op de zitting verschenen om daarover helderheid te verschaffen.

Het betoog slaagt niet.

3.       Het beroep is ongegrond

4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kors

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2025

687-947