Bestuursrecht overig

Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het college zijn beslissing om op 21 augustus 2024 spoedeisende…

Raad van State, 10 december 2025

Zaakgegevens

Op 10 december 2025 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10 december 2025
Datum publicatie
10 december 2025
Zaaknummer
202501481/1/R4
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:5982
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het college zijn beslissing om op 21 augustus 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 4 december 2024, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift uit artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is begonnen op 5 december 2024 en geëindigd op 15 januari 2025.

Uitspraak

202501481/1/R4.

Datum uitspraak: 10 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het college zijn beslissing om op 21 augustus 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 4 december 2024 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door H. Ben Hammou, is verschenen.

Overwegingen

1.       Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 4 december 2024, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift uit artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is begonnen op 5 december 2024 en geëindigd op 15 januari 2025.

2.       Het beroepschrift is op 4 maart 2025 ingediend bij het college. Omdat het college niet bevoegd was om kennis te nemen van het beroep heeft het college het beroep doorgezonden aan de Afdeling. Het beroepschrift is op 13 maart 2025 door de Afdeling ontvangen. Op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb is het tijdstip waarop het beroepschrift bij een onbevoegd orgaan is ingediend, bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Aangezien het beroepschrift op 4 maart 2025 is ingediend bij het onbevoegde orgaan, is het niet tijdig ingediend.

2.1.    Vanwege de te late indiening van het beroepschrift moet het beroep in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft echter achterwege als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.

2.2.    [appellante] is in de gelegenheid gesteld om mede te delen wat de reden is geweest voor de overschrijding van de beroepstermijn. Zij heeft daarvoor geen redenen aangedragen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is dan ook niet gebleken.

3.       Het beroep is niet-ontvankelijk.

4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schmidt

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025

1133