Bestuursrecht overig

Bij brief van 10 december 2003, verzonden op 18 december 2003, heeft verweerder appellante medegedeeld dat…

Raad van State, 15 december 2004

Zaakgegevens

Op 15 december 2004 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 december 2004
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
200403620/1
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AR7554
E-mail

Samenvatting

Bij brief van 10 december 2003, verzonden op 18 december 2003, heeft verweerder appellante medegedeeld dat het verkennend bodemonderzoek met betrekking tot appellantes inrichting in de [locatie] te [plaats], gedaan in het kader van het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen (hierna: het Besluit), als onvoldoende is beoordeeld en dat derhalve aanvullend onderzoek nodig wordt geacht. Verweerder heeft appellante verzocht binnen zes weken na verzenddatum van deze brief schriftelijk te berichten of zij alsnog via de BSB-Zuid gaat deelnemen aan de BSB-operatie, dan wel bij verweerder een verkennend bodemonderzoek zal indienen dat voldoet aan de normen als opgenomen in het Besluit.

Uitspraak

200403620/1

Datum uitspraak: 15 december 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 10 december 2003, verzonden op 18 december 2003, heeft verweerder appellante medegedeeld dat het verkennend bodemonderzoek met betrekking tot appellantes inrichting in de [locatie] te [plaats], gedaan in het kader van het Besluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinen (hierna: het Besluit), als onvoldoende is beoordeeld en dat derhalve aanvullend onderzoek nodig wordt geacht. Verweerder heeft appellante verzocht binnen zes weken na verzenddatum van deze brief schriftelijk te berichten of zij alsnog via de BSB-Zuid gaat deelnemen aan de BSB-operatie, dan wel bij verweerder een verkennend bodemonderzoek zal indienen dat voldoet aan de normen als opgenomen in het Besluit.

Bij besluit van 16 maart 2004, verzonden op 23 maart 2004, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door S. Nahari, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling overweegt dat de brief van 10 december 2003 niet een aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit tot het (laten) uitvoeren van een (aanvullend) verkennend bodemonderzoek betreft, doch slechts een waardering van het overgelegde verkennend bodemonderzoek bevat, alsmede een verzoek als hierboven is aangegeven om binnen een zekere termijn te reageren. Hieruit vloeit geen rechtsgevolg voort. De brief kan derhalve niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt.

   Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar van appellante ten onrechte ontvankelijk geacht.

2.2.    Het beroep is mitsdien gegrond. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op hierna te melden wijze voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 maart 2004, 980419;

III.    verklaart het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 126,15; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellante;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004

191-424