Bestuursrecht overig
Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het…
Raad van State, 21 oktober 2009
ECLI:NL:RVS:2009:BK0796 · Raad van State · 21 oktober 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rvs-2009-bk0796
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2009 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200808069/1/M2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2009:BK0796
Samenvatting
Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) het verzoek tot handhaving van [appellanten] inzake de inrichting [vergunninghoudster] gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.
Uitspraak
200808069/1/M2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Deurne,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) het verzoek tot handhaving van [appellanten] inzake de inrichting [vergunninghoudster] gelegen aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.
Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 november 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2009, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. J.M. Smits, A.M.J.A. Geurts van Kessel- Van Dijk en G.J.J.M. Evers, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.M.J.A. Corstjens en J.M.P.A. van Wijlick, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster] , vertegenwoordigd door mr. B. Scheffer en [gemachtigde], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [appellanten] stellen geluidhinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting, met name wanneer werkzaamheden op het buitenterrein worden uitgevoerd in plaats van in de bedrijfsgebouwen, wanneer wordt gewerkt met geopende deuren en wanneer op het buitenterrein goederen worden opgeslagen. Volgens hen heeft het college ten onrechte geen geluidonderzoek naar aanleiding van hun klachten verricht.
2.1.1. Het college stelt dat het naar aanleiding van klachten van [appellanten] veelvuldig controles bij [vergunninghoudster] heeft uitgevoerd. Hierbij zijn geen overtredingen geconstateerd, zodat er volgens het college geen aanleiding bestond tot handhaving over te gaan. Ook het verrichten van een geluidonderzoek was volgens het college niet nodig omdat uit het bij de aanvraag voor een milieuvergunning behorende akoestisch rapport blijkt dat aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan.
2.1.2. In opdracht van het college zijn diverse controles van de inrichting uitgevoerd. Tijdens deze controles is niet vastgesteld dat er overtredingen plaatsvonden van de geluidnormen. Het college was derhalve niet bevoegd handhavend op te treden. Deze beroepsgrond faalt.
2.2. [appellanten] voeren aan lichthinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van bouwlampen op het terrein van de inrichting. Volgens hen heeft het college hun verzoek om in dit kader handhavend op te treden ten onrechte afgewezen.
2.2.1. Het college stelt dat ter voorkoming van inbraak bouwlampen rondom de inrichting aanwezig zijn. Tijdens controles is alleen indirecte lichtinval geconstateerd. Er is niet geconstateerd dat directe of onaanvaardbare lichthinder optreedt.
2.2.2. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door hen gestelde overtredingen ten tijde van het nemen van het besluit van 22 januari 2008 plaatsvonden. Het college was derhalve ook in zoverre niet bevoegd handhavend op te treden. Overigens is ter zitting gebleken dat de desbetreffende bouwlampen al geruime tijd niet meer in werking zijn. [vergunninghoudster] heeft verklaard dat deze defect zijn en niet meer in werking zullen worden gebracht. Deze beroepsgrond faalt.
2.3. Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Klap
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009
315.