Bestuursrecht overig
Bij besluit van 3 november 2008 heeft het college een verzoek van de maatschap om toepassing van bestuurlijke…
Raad van State, 8 december 2010
ECLI:NL:RVS:2010:BO6630 · Raad van State · 8 december 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rvs-2010-bo6630
Zaakgegevens
Op 8 december 2010 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 december 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201000445/1/M1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2010:BO6630
Samenvatting
Bij besluit van 3 november 2008 heeft het college een verzoek van de maatschap om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de afvoer van ophoogzand uit de op de zuidoever van de Neder-Rijn gelegen Schoutenwaard afgewezen.
Uitspraak
201000445/1/M1.
Datum uitspraak: 8 december 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[de maatschap], gevestigd te [plaats],
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2008 heeft het college een verzoek van de maatschap om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de afvoer van ophoogzand uit de op de zuidoever van de Neder-Rijn gelegen Schoutenwaard afgewezen.
Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college het door de maatschap hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit in stand gelaten, onder toevoeging van een belangenafweging.
Tegen dit besluit heeft [belanghebbende] bij brief, bij de rechtbank Arnhem ingekomen op 14 september 2009, beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroepschrift doorgezonden aan de Afdeling alwaar dit op 7 januari 2010 is ingekomen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De maatschap heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken 200909898/1/M1 en 201002012/1/M1 ter zitting behandeld op 23 september 2010, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door P.A. Kuiper en C. Meijer, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
2. Overwegingen
2.1. Op 8 juni 2005 heeft de Staat der Nederlanden een aanvraag ingediend om een vergunning voor het ontgronden van percelen gelegen op de noord- en de zuidoever van de Neder-Rijn ten behoeve van het project Lexkesveer. In de aanvraag is vermeld dat de vrijgekomen delfstoffen binnen het projectgebied worden verwerkt.
Bij besluit van 26 april 2006 heeft het college de aangevraagde vergunning verleend. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1 is de houdster van de vergunning verplicht de ontgronding overeenkomstig de aanvraag uit te voeren.
Bij uitspraak van 9 mei 2007 in zaaknr. 200604192/1 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven voor zover dit betrekking heeft op het op de zuidoever van de Neder-Rijn gelegen gedeelte van het projectgebied.
2.1.1. De Afdeling overweegt dat de maatschap verzoekt om handhaving van de vergunning van 26 april 2006 omdat naar haar opvatting in strijd met deze vergunning ophoogzand van de zuidoever van de Neder-Rijn buiten het projectgebied wordt afgevoerd. Ter zitting is gebleken dat de afvoer van specie van de zuidoever van de Neder-Rijn voor oktober 2009 is gestopt. Gelet hierop heeft de maatschap geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Bijleveld
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010
433.