Bestuursrecht overig
Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Brier" vastgesteld.
Raad van State, 20 november 2013
ECLI:NL:RVS:2013:2048 · Raad van State · 20 november 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rvs-2013-2048
Zaakgegevens
Op 20 november 2013 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 20 november 2013
- Datum publicatie
- 20 november 2013
- Zaaknummer
- 201302826/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:2048
Samenvatting
Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Brier" vastgesteld.
Uitspraak
201302826/1/R1.
Datum uitspraak: 20 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Horst, gemeente Horst aan de Maas, en anderen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Venray,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Brier" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray, [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Hendriks en mr. E. Smids, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2. Het plan voorziet in een regeling voor het bedrijventerrein De Brier en heeft een beheerkarakter, maar heeft eveneens tot doel perifere detailhandel mogelijk te maken.
3. Het beroep van [appellant] en anderen richt zich tegen het plandeel voor het perceel Zuidsingel 14-16. Zij betogen dat het plan hier ten onrechte geen doe-het-zelfzaak toestaat, omdat het assortiment van een doe-het-zelfzaak uitgebreider is dan uitsluitend bouwmaterialen. Voorts betogen zij dat het beperken ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels van het toegestane assortiment met een assortimentslijst geen goede ruimtelijke ordening is, omdat deze regeling niet ruimtelijk relevant is en de gebruiksmogelijkheden te vergaand beperkt. Zij wijzen daarbij op hetgeen in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP 2008) daarover staat. Tevens voeren zij aan dat de beperking van het nevenassortiment in lid 5.1, onder b, niet ruimtelijk relevant is en ook onnodig, omdat met het vastleggen van het toegestane assortiment voldoende duidelijk is wat het nevenassortiment is.
3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] en anderen wat betreft het niet als doe-het-zelfzaak bestemmen niet-ontvankelijk is, omdat dit niet in hun zienswijze is aangevoerd en het plan op dit punt niet inhoudelijk gewijzigd is vastgesteld. Voor zover het beroep in zoverre ontvankelijk is stelt de raad zich op het standpunt dat het assortiment dat ingevolge de assortimentslijst PDV is toegestaan vergelijkbaar is met hetgeen op grond van de eerder verleende vrijstelling toegestaan was. Ook wijst de raad erop dat in het pand van [appellant] en anderen geen doe-het-zelfzaak meer gevestigd is. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat een assortimentslijst is opgenomen omdat uit een zienswijze bleek dat onduidelijkheid bestond over de toegestane branches en vanwege het bijzondere belang van de ruimtelijke kwaliteit van het kernwinkelgebied van Venray.
3.2. Aan het perceel Zuidsingel 14-16 is de bestemming "Detailhandel" toegekend.
Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor:
a. detailhandel in de hoofdassortimenten woninginrichting, buiteninrichting en bouwmaterialen, zoals opgenomen in bijlage 2 (assortimentslijst PDV) van de planregels;
b. ondergeschikte detailhandel in de nevenassortimenten zoals opgenomen in bijlage 2 (assortimentslijst PDV) van de planregels, met dien verstande dat deze ondergeschikte detailhandel per detailhandelsbedrijf maximaal een verkoopvloeroppervlak van 150 m² mag beslaan en maximaal 10% van de jaaromzet mag genereren.
In de assortimentslijst PDV zijn, voor zover thans van belang, ongeveer 60 soorten goederen opgenomen, verdeeld over de categorieën woninginrichting, buiteninrichting en bouwmaterialen, en deze lijst bevat onder meer de soorten goederen wastafels, fornuizen, kamerplanten, tuingereedschappen, plaatmaterialen en isolatiematerialen.
3.3. Ingevolge artikel 3.1.2, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) kan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening een bestemmingsplan regels bevatten met betrekking tot branches van detailhandel.
Uit de Nota van Toelichting bij het Bro volgt dat met deze bepaling is bedoeld buiten twijfel te stellen dat branchering ten aanzien van detailhandel in bestemmingsplannen is toegestaan. De bepaling leidt ertoe dat gemeenten ter bevordering van de ruimtelijke economische kwaliteit in hun bestemmingsplannen eisen kunnen stellen ten aanzien van de vestiging van bepaalde branches van detailhandel. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de eisen zullen moeten worden gemotiveerd vanuit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit en niet louter kunnen zijn gegrond op argumenten van concurrentiebeperking, aldus de Nota van Toelichting.
3.4. In het ontwerpbestemmingsplan is aan het perceel Zuidsingel 14-16 de bestemming "Detailhandel" toegekend.
Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor bestaande detailhandel in de branches zoals beschreven in artikel 1, lid 1.46, onder c tot en met e.
Ingevolge artikel 1, lid 1.46, van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan wordt onder volumineuze detailhandel verstaan detailhandel die vanwege de gevoerde goederen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling. De volgende branchering wordt hierbij aangehouden:
[…]
c. detailhandel in meubels, vloeren, keukens, sanitair, zonwering, verlichting en hiermee vergelijkbare artikelen ten behoeve van woninginrichting en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
d. detailhandel in volumineuze goederen ten behoeve van de buiteninrichting zoals tuinartikelen, vijvers, zwembaden en hiermee vergelijkbare artikelen en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
e. detailhandel in bouwmaterialen (bouwmarkten) en de ter plaatse te verhandelen en hiermee samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen.
3.5. De Afdeling overweegt dat artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.46, aanhef en onder e, voorzag in detailhandel in bouwmaterialen (bouwmarkten). Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan, is detailhandel in bouwmaterialen eveneens toegestaan, maar is het assortiment met de assortimentslijst PDV uit bijlage 2 bij de planregels beperkt. Gelet op deze gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan kan [appellant] en anderen redelijkerwijs niet verweten worden dat zij geen zienswijze tegen het plan op dit punt hebben ingediend, zodat het beroep van [appellant] en anderen in zoverre ontvankelijk is.
3.6. De Afdeling overweegt voorts dat het vaststellen van het toegestane assortiment in de assortimentslijst PDV een te vergaande beperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel Zuidsingel 14-16 betekent. Een bestemmingsplan kan weliswaar regels bevatten met betrekking tot branches van detailhandel, maar daaronder valt niet tevens het gedetailleerd vaststellen van het toegestane assortiment. De Afdeling komt tot deze uitleg omdat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening als zodanig niet van belang is welke specifieke goederen verkocht worden wanneer deze binnen de toegestane branche vallen.
4. [appellant] en anderen betogen voorts dat de planregeling van artikel 5, lid 5.1, onder b, van de planregels aangepast dient te worden aan hetgeen in de plantoelichting staat.
In artikel 5, lid 5.1, onder b, van de planregels staat dat ondergeschikte detailhandel per detailhandelsbedrijf maximaal een verkoopvloeroppervlak van 150 m² mag beslaan en maximaal 10% van de jaaromzet mag genereren. In de plantoelichting staat dat ondergeschikt door de gemeente wordt gedefinieerd als maximaal 10% van de jaaromzet en/of van het winkeloppervlak tot een maximum van 150 m² van het winkelvloeroppervlak. De Afdeling overweegt dat artikel 5, lid 5.1, onder b, duidelijk is en dat de plantoelichting geen deel uitmaakt van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
5. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de zinsnede ", zoals opgenomen in bijlage 2 (assortimentslijst PDV) van de planregels" in artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels en op de zinsnede "zoals opgenomen in bijlage 2 (assortimentslijst PDV) van de planregels" in artikel 5, lid 5.1, onder b, is genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
6. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Venray van 5 februari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Brier", voor zover het betreft de zinsnede ", zoals opgenomen in bijlage 2 (assortimentslijst PDV) van de planregels" in artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels en op de zinsnede "zoals opgenomen in bijlage 2 (assortimentslijst PDV) van de planregels" in artikel 5, lid 5.1, onder b,;
III. draagt de raad van de gemeente Venray op om binnen vier weken na verzending van de uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Venray tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,08 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro en acht cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
V. gelast dat de raad van de gemeente Venray aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.
w.g. Kranenburg w.g. Den Broeder
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013
187-655.