Bestuursrecht overig

Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 6 februari 2026, waarbij het centraal…

Raad van State, 13 februari 2026

Zaakgegevens

Op 13 februari 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 februari 2026
Datum publicatie
13 februari 2026
Zaaknummer
202600487/1/A2
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:844
E-mail

Samenvatting

Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 6 februari 2026, waarbij het centraal stembureau heeft besloten over de geldigheid en nummering van de kandidatenlijsten, over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten en de daarboven geplaatste aanduiding. De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

202600487/1/A2.

Datum uitspraak: 13 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats], en anderen,

appellanten,

en

het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de raad van de gemeente Aalten,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 13 februari 2026 om 11:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzitter

Staatsraad mr. C.C.W. Lange, lid

Staatsraad mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid

griffier: mr. A.S. Rietveld

Verschenen:

het centraal stembureau, vertegenwoordigd door C.J.H. Walvoort-Mol en B.H. Sweenen;

de kiesraad, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Trouborst.

Het beroep richt zich tegen het besluit van het centraal stembureau van 6 februari 2026, waarbij het centraal stembureau heeft besloten over de geldigheid en nummering van de kandidatenlijsten, over het handhaven van de daarop voorkomende kandidaten en de daarboven geplaatste aanduiding.

De Afdeling verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gronden

[appellant] en anderen stellen zich op het standpunt dat het hen onmogelijk is gemaakt om op de dag van de Kandidaatstelling een blanco kandidatenlijst in te leveren.

De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen niet op de voorgeschreven wijze een kandidatenlijst hebben ingeleverd bij het centraal stembureau op de dag van de kandidaatstelling. Van belemmeringen om de kandidatenlijst in te leveren is niet gebleken.

De Afdeling overweegt dat de Kieswet dwingend voorschrijft dat een kandidatenlijst in persoon moet worden ingeleverd. Het centraal stembureau heeft [appellant] hierop gewezen voorafgaand aan de dag van de kandidaatstelling.

Omdat de kandidatenlijst niet is ingeleverd, heeft het centraal stembureau hierop ook geen beslissing kunnen nemen. Daarom is er geen besluit waartegen [appellant] en anderen op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht beroep kunnen instellen.

Het centraal stembureau hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Rietveld

griffier

1064