Bestuursrecht overig
Bij besluit van 12 september 1997 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) aan…
Raad van State, 10 maart 2004
ECLI:NL:RVS:2004:AO5218 · Raad van State · 10 maart 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2004-ao5218
Zaakgegevens
Op 10 maart 2004 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 maart 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 200305193/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AO5218
Samenvatting
Bij besluit van 12 september 1997 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouder] onder voorschriften vergunning verleend voor het exploiteren van een restaurant aan de [locatie] te Den Haag. Bij ongedateerd besluit is dit besluit voorzover de vergunning betrekking heeft op voorwaarde III.2 ingetrokken. Aan de vergunning is toen een andersluidende voorwaarde III.2 verbonden.
Uitspraak
200305193/1.
Datum uitspraak: 10 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 juni 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
de burgemeester van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 september 1997 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouder] onder voorschriften vergunning verleend voor het exploiteren van een restaurant aan de [locatie] te Den Haag. Bij ongedateerd besluit is dit besluit voorzover de vergunning betrekking heeft op voorwaarde III.2 ingetrokken. Aan de vergunning is toen een andersluidende voorwaarde III.2 verbonden.
Bij besluit van 18 september 1998 heeft de burgemeester het door appellanten tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 1999, verzonden op 19 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 maart 2001 in zaaknummer 199903985/1 heeft de Afdeling het daartegen door appellanten ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak, voorzover aangevallen, vernietigd, het bij de arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaard en het besluit van de burgemeester van 18 september 1998 in zoverre vernietigd.
Bij besluit van 23 april 2002 heeft de burgemeester het besluit van 12 september 1997 herroepen in die zin dat de aanvraag voor wat betreft de berging ingevolge artikel 61A, onder d, van de Algemene Politieverordening voor ’s-Gravenhage 1982 buiten behandeling wordt gelaten en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juni 2003, verzonden op 25 juni 2003, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 23 september 2003 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
Bij brief van 22 januari 2004 hebben appellanten hun gronden van hoger beroep nader aangevuld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P. Buwalda, en de burgemeester, vertegenwoordigd door C.E.J.M. Vaars en Y. Ammerdorffer, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn R. van de Graaff en C.A. Lobik namens [partij]. ter zitting verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Anders dan appellanten hebben betoogd, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat zij wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk zijn in hun beroep. Voor de beantwoording van de vraag of aan nieuwe exploitanten van het betreffende perceel een vergunning voor exploitatie van een terras in de tuin daarvan kan worden verleend is, gezien de terzake geldende voorschriften, niet van betekenis of de rechtsvoorgangers van die nieuwe exploitanten al dan niet terecht over een vergunning hebben beschikt.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004
91-395.