Bestuursrecht overig
Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna…
Raad van State, 25 juli 2007
ECLI:NL:RVS:2007:BB0386 · Raad van State · 25 juli 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2007-bb0386
Zaakgegevens
Op 25 juli 2007 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 juli 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200606285/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:BB0386
Samenvatting
Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen het in haar ogen in strijd met het bestemmingsplan zijnde gebruik als weg van een gedeelte van haar perceel kadastraal bekend Ambt Delden, sectie 1, nummer 1595, afgewezen.
Uitspraak
200606285/1.
Datum uitspraak: 25 juli 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
"Bm Vastgoed B.V.", gevestigd te Otterlo,
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. 05 / 1433 van de rechtbank Almelo
van 25 juli 2006 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen het in haar ogen in strijd met het bestemmingsplan zijnde gebruik als weg van een gedeelte van haar perceel kadastraal bekend Ambt Delden, sectie 1, nummer 1595, afgewezen.
Tegen dat besluit heeft appellante bij brief van 4 november 2005 bezwaar gemaakt.
Het bezwaarschrift is op verzoek van appellante en met instemming van het college naar de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.
Bij uitspraak van 25 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het beroep van appellante ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 25 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door S. Boonstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Anders dan appellante heeft betoogd is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden" op het onderhavige perceelsgedeelte de bestemming "Verkeersdoeleinden" rust.
Gronden met deze bestemming zijn op grond van artikel 18 van de bij dit plan behorende voorschriften, voor zover hier van belang, bestemd
voor het (spoor)wegverkeer in de bestemmingscategorieën:
- rijksweg;
- provinciale weg;
- overige verharde wegen;
- onverharde wegen;
- spoorweg.
Blijkens de plankaart geldt voor het onderhavige perceelsgedeelte van appellante de bestemmingscategorie "overige verharde wegen".
2.2. De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat het gebruik als weg van het perceelsgedeelte van appellante niet in strijd is met de bestemming en dat voor het verlangde handhavend optreden geen plaats is.
Daaraan doet niet af de stelling van appellante dat de weg op zijn perceel geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, hetgeen overigens door het college is bestreden.
2.3. De rechtbank is derhalve tot het juiste oordeel gekomen dat het college het verzoek van appellante om handhavend op te treden diende af te wijzen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Boot
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007
202