Bestuursrecht overig
Bij besluit van 23 september 2005 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de…
Raad van State, 16 januari 2008
ECLI:NL:RVS:2008:BC2143 · Raad van State · 16 januari 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2008-bc2143
Zaakgegevens
Op 16 januari 2008 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 januari 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200704254/1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2008:BC2143
Samenvatting
Bij besluit van 23 september 2005 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan appellante wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon, van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 1.800,00, alsmede wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van sterke drank aan een persoon, van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een boete van hetzelfde bedrag.
Uitspraak
200704254/1.
Datum uitspraak: 16 januari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1923 van de rechtbank Alkmaar van 7 mei 2007 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2005 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) aan appellante wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank aan een persoon, van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, een boete opgelegd van € 1.800,00, alsmede wegens het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van sterke drank aan een persoon, van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, een boete van hetzelfde bedrag.
Bij besluit van 17 mei 2006 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2007, verzonden op 10 mei 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 20 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 21 september 2007 heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F.C. Kleine Deters, werkzaam bij de Voedsel en Waren Autoriteit, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), bevat een beroepschrift de gronden van het hoger beroep. Indien niet is voldaan aan dat voorschrift, kan het hoger beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2.2. Het door [appellante] ingediende beroepschrift bevat niet de gronden van het hoger beroep. Bij aangetekend verzonden brief van 21 juni 2007 is [appellante] hierop gewezen en is zij in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen zes weken na de dagtekening van de brief te herstellen. [appellante] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2.3. De conclusie is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Können
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008
301.