Bestuursrecht overig
Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (hierna…
Raad van State, 30 september 2009
ECLI:NL:RVS:2009:BJ8934 · Raad van State · 30 september 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2009-bj8934
Zaakgegevens
Op 30 september 2009 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 200901346/1/H3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2009:BJ8934
Samenvatting
Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (hierna: het college) aan appellant (hierna: [appellant]) op straffe van een dwangsom gelast alle asbestverontreiniging, veroorzaakt door het instorten van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats], te verwijderen en verwijderd te houden.
Uitspraak
200901346/1/H3.
Datum uitspraak: 30 september 2009.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 januari 2009 in zaak nr. 08/4413 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe (hierna: het college) aan appellant (hierna: [appellant]) op straffe van een dwangsom gelast alle asbestverontreiniging, veroorzaakt door het instorten van een schuur op het perceel [locatie] te [plaats], te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 januari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Nelemans, advocaat te Veenendaal, en het college, vertegenwoordigd door I.J. Feltz, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat hij niet tijdig tegen het besluit van 16 januari 2008 bezwaar heeft gemaakt, heeft miskend dat drie getuigen hebben verklaard dat zijn bezwaarschrift op 13 februari 2008 namens hem is gepost.
2.2. Het betoog faalt. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het binnenkomende post registreert. Volgens deze registratie is bij de gemeente geen op 13 februari 2008 ter post bezorgd bezwaarschrift van [appellant] binnengekomen. Het college heeft aldus op geloofwaardige wijze ontkend dat het een op 13 februari 2008 ter post bezorgd poststuk van [appellant] heeft ontvangen. Met de verklaringen van drie getuigen dat op die dag een bezwaarschrift van [appellant] ter post is bezorgd heeft [appellant], wat van die verklaringen verder zij, niet aannemelijk gemaakt dat het college, anders dan gesteld, wel een bezwaarschrift van hem heeft ontvangen.
2.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, kan het ter zitting horen van de getuigen redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ziet de Afdeling hiervan af.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Klein
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.
176-622.