Bestuursrecht overig
Bij uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200909287/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd…
ECLI:NL:RVS:2011:BP3726 · Raad van State · 9 februari 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2011-bp3726
Zaakgegevens
Op 9 februari 2011 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 februari 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 201006612/1/H2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2011:BP3726
Samenvatting
Bij uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200909287/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd en heeft de Afdeling daarbij met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak inzake schadevergoeding.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 23 oktober 2009
ECLI:NL:RBROT:2009:BM2745Raad van State · 14 juli 2010
ECLI:NL:RVS:2010:BN1145Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Raad van State · 9 februari 2011deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2011:BP3726
Overig
Uitspraak
201006612/1/H2.
Datum uitspraak: 9 februari 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Nadere uitspraak inzake vergoeding van de door een partij geleden schade (artikel 8:73, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
Het Openbaar lichaam volwasseneneducatie Rijnmond, gevestigd te Rotterdam (hierna: Oliver),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 23 oktober 2009 in zaak nr. 03/2968 in het geding tussen:
Oliver
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200909287/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd en heeft de Afdeling daarbij met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak inzake schadevergoeding.
De minister van Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie, heeft een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de voorgezette behandeling, gevoegd met zaak nr. 201006611/1/H2, aan de orde gesteld op de zitting van 2 november 2010.
Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200909287/1/H2 geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) met twee jaar en zes maanden is overschreden. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim zes jaar heeft geduurd.
2.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1) volgt dat in dit soort gevallen moet worden uitgegaan van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
2.3. De minister heeft in zijn reactie vermeld dat in deze zaak de redelijke termijn in de rechterlijke fase met twee jaar en zes maanden is overschreden. Uit de reactie volgt dat de minister, uitgaande van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de schade in deze zaak heeft begroot op een bedrag van € 2.500,00. Hij heeft in zijn reactie vermeld dat de Staat dit bedrag aan Oliver zal betalen.
2.4. De minister heeft aldus de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase op juiste wijze beoordeeld en is van het juiste tarief voor de berekening van de schade uitgegaan. De minister heeft het bedrag van de schade voorts juist berekend.
2.5. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:73 van de Awb de minister veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,00 aan Oliver, als vergoeding voor door hem in de rechterlijke fase geleden immateriële schade.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie om aan het Openbaar lichaam volwasseneneducatie Rijnmond te betalen een vergoeding van € 2.500,00 (zegge: vijfentwintighonderd euro).
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Oranje
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011
507.