Bestuursrecht overig

Bij besluit verzonden op 2 juli 2010 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom…

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2013 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
30 oktober 2013
Datum publicatie
30 oktober 2013
Zaaknummer
201303032/1/A1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:1754
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit verzonden op 2 juli 2010 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 2000,00.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 7 maart 2013

    ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ3906
  2. Raad van State · 30 oktober 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2013:1754

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

201303032/1/A1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2013 in zaak nr. 10/2587 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Opmeer.

Procesverloop

Bij besluit verzonden op 2 juli 2010 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 2000,00.

Bij besluit verzonden op 15 september 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door S.C. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft op 23 februari 2010, naar aanleiding van een onderzoek ter plaatse, geconstateerd dat op het perceel [locatie] te Opmeer (hierna: het perceel) een aanvang is gemaakt met de bouw van een garage/berging zonder de daartoe vereiste bouwvergunning. Het heeft [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de bouwwerkzaamheden op het perceel met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden. Bij besluit verzonden op 24 februari 2010 heeft het college deze beslissing op schrift gesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] na het opleggen van de last bouwwerkzaamheden heeft verricht.

2. De betogen van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwwerk bouwvergunningvrij is en het college de bouwstop hem ten onrechte niet mondeling heeft medegedeeld, hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de invorderingsbeschikking, die in deze procedure aan de orde is, maar op het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom. Tegen het besluit tot oplegging van de last heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend. Deze beroepsgronden hebben de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat niet tot invordering van de dwangsom besloten mocht worden.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

357-771.