Bestuursrecht overig
Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] afgewezen om handhavend op te…
ECLI:NL:RVS:2013:1893 · Raad van State · 13 november 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2013-1893
Zaakgegevens
Op 13 november 2013 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 13 november 2013
- Datum publicatie
- 13 november 2013
- Zaaknummer
- 201211798/1/A4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2013:1893
Samenvatting
Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] afgewezen om handhavend op te treden met betrekking tot de beweerdelijke aanwezigheid van bouw- of sloopafval onder de inrit van een door de [maatschap] geëxploiteerde inrichting aan de [locatie] te Markelo.
Procesgang
Uitspraak · 2012
ECLI:NL:RBALM:2012:995Raad van State · 13 november 2013deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2013:1893
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201211798/1/A4.
Datum uitspraak: 13 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente,
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 november 2012 in zaak nr. 12/710 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] afgewezen om handhavend op te treden met betrekking tot de beweerdelijke aanwezigheid van bouw- of sloopafval onder de inrit van een door de [maatschap] geëxploiteerde inrichting aan de [locatie] te Markelo.
Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2013, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door ing. C.H.C. Moormann en drs. M.G.B. Kamst, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de [maatschap], vertegenwoordigd door haar [directeuren], als partij gehoord.
Overwegingen
1. [appellant] heeft bij brief van 30 juli 2011 verzocht om handhaving van vergunningvoorschrift 5.2 van de vergunning die bij besluit van 22 december 2009 krachtens de Wet milieubeheer voor de inrichting is verleend. Hij heeft gesteld dat [maatschap] in strijd met dit voorschrift bouw- en sloopafval in de bodem onder de inrit van de inrichting heeft laten brengen.
2. Ingevolge voorschrift 5.2 van de bij besluit van 22 december 2009 verleende vergunning mogen, voor zover hier van belang, afvalstoffen niet in de bodem worden gebracht.
3. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderzocht of bouw- en sloopafval is gebracht in de bodem onder het gedeelte van de inrit waarvan geen bestrating is verwijderd. Volgens [appellant] had het college naar aanleiding van zijn stelling dat in de bodem onder dat deel van de inrit bouw- en sloopafval is gebracht, met betrekking tot dat gedeelte van de bodem een uitgebreider onderzoek naar de aanwezigheid van dit afval moeten verrichten.
3.1. Nadat [maatschap] het onder een gedeelte van de inrit aanwezige bouw- en sloopafval had verwijderd, heeft deze aan het college medegedeeld dat in de bodem onder het overige gedeelte van de inrit geen bouw- of sloopafval is gebracht. Daarop heeft het college, op 12 december 2011, de bodem onder laatstbedoeld gedeelte van de inrit op drie verschillende plaatsen op de aanwezigheid van bouw- en sloopafval laten onderzoeken. Daarbij is dit niet aangetroffen. Met inachtneming van het vorenstaande heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat geen bouw- en sloopafval aanwezig is onder het gedeelte van de inrit waaronder geen bouw- en sloopafval is verwijderd. De Afdeling stelt vast dat dit het gedeelte van de inrit betreft dat [appellant] heeft geduid als het gedeelte van de inrit waarvan geen bestrating is verwijderd. Gezien het onderzoek dat het college heeft verricht ten aanzien van de bodem onder dat deel van de inrit is in de enkele stelling van [appellant], dat daarin bouw- en sloopafval is gebracht, geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderzocht of dit heeft plaatsgevonden.
De beroepsgrond faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van staat.
w.g. Sorgdrager w.g. Van Hulst
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2013
402.