Bestuursrecht overig

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2010…

Zaakgegevens

Op 28 januari 2015 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
28 januari 2015
Datum publicatie
28 januari 2015
Zaaknummer
201406508/1/A2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2015:217
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2010 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien tot nihil en het teveel betaalde van hem teruggevorderd.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:RBROT:2014:5091
  2. Raad van State · 28 januari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2015:217

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

201406508/1/A2.

Datum uitspraak: 28 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2014 in zaak nr. 13/3972 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2010 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien tot nihil en het teveel betaalde van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 25 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag voor dat jaar definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 13 mei 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren van [wederpartij] daartegen ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2015, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand, waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat de kinderopvang niet heeft plaatsgehad op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko en dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat ingevolge artikel 52 van de Wko slechts is vereist dat kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst geschiedt en dat aan dat vereiste per 27 september 2010 is voldaan, nu [wederpartij] bij zijn beroepschrift een op die datum gedagtekende bemiddelingsovereenkomst heeft overgelegd.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat niet in geschil is dat de kinderopvangkosten volledig uit het door [wederpartij] ontvangen voorschot zijn voldaan, in welk geval het onredelijk en buitenproportioneel is om de tegemoetkoming kinderopvangtoeslag te herzien tot nihill.

3.1. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aan de kinderopvang ten grondslag liggende overeenkomst het aantal uren kinderopvang, de prijs per uur en de namen van de op te vangen kinderen moet vermelden, alsmede door het gastouderbureau ondertekend dient te zijn. De dienst stelt voorts terecht dat de door [wederpartij] in beroep overgelegde bemiddelingsovereenkomst daar wat de eerste drie punten betreft, niet aan voldoet. Verder is opmerkelijk dat deze overeenkomst, die strekt tot het in contact brengen van [wederpartij] met een gastouder, volgens de dagtekening is gesloten op een tijdstip waarop de kinderopvang door de gastouder reeds zes maanden plaatsvond, zodat de overeengekomen bemiddeling niet nodig was.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 mei 2013 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2014 in zaak nr. 13/3972;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Borman w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015