Bestuursrecht overig
Bij besluit van 6 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een…
ECLI:NL:RVS:2015:290 · Raad van State · 4 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2015-290
Zaakgegevens
Op 4 februari 2015 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 4 februari 2015
- Datum publicatie
- 4 februari 2015
- Zaaknummer
- 201406110/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2015:290
Samenvatting
Bij besluit van 6 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: een VOG), afgewezen.
Procesgang
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:4564Raad van State · 4 februari 2015deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2015:290
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201406110/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2014 in zaak
nr. 13/8298 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: een VOG), afgewezen.
Bij besluit van 19 november 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 december 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 in zaak nr. 201303672/1/A3 geoordeeld dat het betoog van [appellant], dat de staatssecretaris de weigering om een VOG af te geven niet in redelijkheid op de enkele verdenking van overtreding van de Opiumwet heeft kunnen baseren en de staatssecretaris aldus onzorgvuldig heeft gehandeld, niet slaagt. De in het JDS aangetroffen verdenking jegens [appellant] biedt de staatssecretaris voldoende grond om de afgifte van een VOG te weigeren. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellant] op het beginsel 'geen straf zonder schuld' faalt, nu de weigering om een VOG af te geven geen strafsanctie is maar een preventief bestuursrechtelijk instrument, waarmee wordt voorkomen dat een risico voor de samenleving ontstaat.
2. De gronden van het hoger beroep zijn een letterlijke herhaling van de gronden die [appellant] in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd verworpen, waarbij zij tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris de weigering om een VOG af te geven bij besluit van 19 november 2013 terecht heeft gehandhaafd. [appellant] heeft in hoger beroep niet uiteengezet, dat en waarom het oordeel van de rechtbank onjuist is. Gelet hierop biedt hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Van Altena w.g. Beerse
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015
382-816.