Bestuursrecht overig
Bij besluit van 14 mei 2014 heeft de minister een verzoek om informatie van [appellante] gedeeltelijk afgewezen.
Raad van State, 9 maart 2016
ECLI:NL:RVS:2016:643 · Raad van State · 9 maart 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2016-643
Zaakgegevens
Op 9 maart 2016 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 maart 2016
- Datum publicatie
- 9 maart 2016
- Zaaknummer
- 201502084/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2016:643
Samenvatting
Bij besluit van 14 mei 2014 heeft de minister een verzoek om informatie van [appellante] gedeeltelijk afgewezen.
Procesgang
Uitspraak · 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:414Raad van State · 9 maart 2016deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2016:643
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201502084/1/A3.
Datum uitspraak: 9 maart 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2015 in zaak nr. 14/3148 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2014 heeft de minister een verzoek om informatie van [appellante] gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.J. Louisse en J. Jansen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
2. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister haar bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2014 terecht ongegrond heeft verklaard.
3. Volgens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz.11) heeft de Wob ten doel de burger in de gelegenheid te stellen de bestuurlijke besluitvormingsprocessen in het heden en verleden te doorzien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 augustus 2002 in zaak nr. 200105270/1) volgt hieruit dat een verzoek geen betrekking kan hebben op na dat verzoek vervaardigde documenten.
3.1. [appellante] heeft de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: CVOM) bij faxbericht van 6 mei 2014, met een beroep op de Wob, voor zover thans nog van belang, verzocht om openbaarmaking van metagegevens betreffende de aan haar gerichte boetebeschikking met CJIB-nummer [CJIB-nummer], die tot en met 6 mei 2014 in het informatiesysteem van de CVOM zijn vastgelegd.
De minister heeft erop gewezen dat de CVOM pas informatie ontvangt over een boetebeschikking als tegen die beschikking administratief beroep bij de officier van justitie is ingesteld. Vanaf dat moment wordt informatie opgevraagd bij het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) over de beschikking. Het duurt vervolgens doorgaans enkele dagen voordat de betreffende informatie van het CJIB wordt ontvangen, aldus de minister. Niet is gebleken dat dit onjuist is.
Voorts heeft de minister gesteld dat de CVOM op 12 mei 2014 bij het CJIB gegevens heeft opgevraagd over de boetebeschikking met CJIB-nummer [CJIB-nummer], welke gegevens op 14 mei 2014 door de CVOM zijn ontvangen. [appellante] heeft dit niet bestreden.
Ten tijde van het verzoek, op 6 mei 2014, berustte dus nog geen informatie bij de CVOM over de aan [appellante] opgelegde boetebeschikking met CJIB-nummer [CJIB-nummer].
3.2. Gelet op hetgeen onder 3.1. is overwogen heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek, voor zover thans nog in geding, betrekking heeft op informatie die nog niet aanwezig was bij de CVOM op het moment van het indienen van het verzoek.
3.3. Reeds gelet op hetgeen is overwogen onder 3.1. en 3.2. is het hoger beroep ongegrond en behoeven de overige hogerberoepsgronden geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.
w.g. Borman w.g. Neuwahl
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016
280.