Bestuursrecht overig
Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] met ingang van 30…
ECLI:NL:RVS:2017:1474 · Raad van State · 7 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2017-1474
Zaakgegevens
Op 7 juni 2017 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 7 juni 2017
- Datum publicatie
- 7 juni 2017
- Zaaknummer
- 201606960/1/A2
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2017:1474
Samenvatting
Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] met ingang van 30 juli 2015 beëindigd.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:6013Raad van State · 7 juni 2017deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2017:1474
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201606960/1/A2.
Datum uitspraak: 7 juni 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Rotterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2016 in zaak nr. 15/6945 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] met ingang van 30 juli 2015 beëindigd.
Bij besluit van 9 oktober 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke zienswijze ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.M. Codrington, Y.K.K. Chung en J.M.A. Bravenboer, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] heeft het college verzocht om hulp bij het oplossen van haar schulden. Het college heeft [appellante] bij besluit van 19 maart 2015 te kennen gegeven dat al haar schuldeisers hebben ingestemd met de door het college voorgestelde minnelijke schuldregeling.
2. Het college is na het besluit van 19 maart 2015 op de hoogte geraakt van een schuld van [appellante] bij de Belastingdienst, ter grootte van € 16.366,00. Het college heeft onderzocht of deze schuld in de lopende schuldregeling kon worden meegenomen, maar de Belastingdienst heeft medewerking geweigerd. Omdat het minnelijke traject daardoor geen kans van slagen heeft, heeft het college de schuldhulpverlening met de in geding zijnde besluitvorming beëindigd.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid de schuldhulpverlening heeft mogen beëindigen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de minnelijke regeling geen kans van slagen had, nu de Belastingdienst daarmee niet akkoord ging. Verder heeft de rechtbank de grond dat [appellante] geen verwijt valt te maken verworpen, omdat [appellante] zelf heeft getekend voor een schuldenoverzicht dat onvolledig was. Bovendien heeft [appellante] verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst is ontstaan doordat de kinderopvangtoeslag te laat is stopgezet. Tot slot heeft de rechtbank ook het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen, omdat [appellante] wist dat zij een schuld had bij de Belastingdienst en deze niet heeft opgegeven.
4. De gronden in het hogerberoepschrift vormen een woordelijke herhaling van de gronden in het beroepschrift. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd verworpen. [appellante] heeft niets aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de rechtbank dit ten onrechte heeft gedaan. Ter zitting is bovendien niet gebleken dat [appellante] de juistheid van het oordeel van de rechtbank bestrijdt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Baart
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017
799.