Bestuursrecht overig
Bij besluit van 21 juli 2015 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast om…
Raad van State, 4 juli 2018
ECLI:NL:RVS:2018:2186 · Raad van State · 4 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2018-2186
Zaakgegevens
Op 4 juli 2018 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 4 juli 2018
- Datum publicatie
- 4 juli 2018
- Zaaknummer
- 201706477/1/A1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2018:2186
Samenvatting
Bij besluit van 21 juli 2015 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast om de woning op het perceel [locatie 1] te Montfoort in overeenstemming te brengen en te houden met de bij besluit van 24 juni 2010 verleende bouwvergunning.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:3538Raad van State · 4 juli 2018deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2018:2186
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201706477/1/A1.
Datum uitspraak: 4 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellant sub 1], wonend te Montfoort,
2. [appellant sub 2], wonend te Montfoort,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juni 2017 in zaak nr. 17/438 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van burgemeester en wethouders van Montfoort.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2015 heeft het college [appellant sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast om de woning op het perceel [locatie 1] te Montfoort in overeenstemming te brengen en te houden met de bij besluit van 24 juni 2010 verleende bouwvergunning.
Bij besluit van 20 december 2016 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het heeft bij dat besluit tevens geweigerd de bij besluit van 24 juni 2010 aan [appellant sub 2] verleende bouwvergunning in te trekken.
Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 1] en het college hebben een zienswijze op het voorwaardelijk incidenteel hogerberoepschrift naar voren gebracht.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2018, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. L.J. Wildeboer en mr. E.E. Baars, beiden advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Ter zitting is tevens gehoord [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant sub 2] exploiteerde in het verleden een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 2]. In verband met de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in Montfoort was bedrijfsverplaatsing noodzakelijk. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college aan [appellant sub 2] bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van een ligboxenstal, een machineberging, voeropslag en een dubbele woning op het perceel.
[appellant sub 1] heeft het college verzocht de op 24 juni 2010 verleende bouwvergunning in te trekken, omdat de vergunning is verleend op basis van onjuiste gegevens. Volgens hem heeft [appellant sub 2] onjuiste informatie gegeven over de inrichting en het gebruik van de woning op het perceel. Het college heeft geweigerd de bouwvergunning in te trekken. [appellant sub 1] kan zich daarmee niet verenigen.
Hoger beroep
2. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren de bij besluit van 24 juni 2010 verleende bouwvergunning in te trekken. Hij voert daartoe aan dat, nadat [appellant sub 2] aan de aan hem opgelegde last onder dwangsom heeft voldaan, de woning leeg komt te staan, nu er geen zicht is op bewoning van de woning op het perceel door een rustende boer.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de bouwvergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Het college was aldus bevoegd de bouwvergunning op grond van artikel 5:19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in te trekken. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van intrekking van de vergunning.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank bij haar oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen afzien van intrekking van de bouwvergunning terecht van belang geacht dat het college aan [appellant sub 2] een last onder dwangsom heeft opgelegd vanwege het in afwijking van de vergunning en in strijd met het bestemmingsplan oprichten en gebruiken van de woning als bedrijfswoning op het perceel. Indien aan de last is voldaan, is de situatie op het perceel in overeenstemming met de bouwvergunning en is intrekking van de vergunning niet nodig. Dat de woning, naar [appellant sub 1] stelt, leeg zal komen te staan, maakt dat niet anders. Daarmee ontstaat geen van de vergunning afwijkende situatie.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4. Nu de Afdeling heeft geoordeeld dat het door [appellant sub 1] ingestelde hoger beroep ongegrond is, is de voorwaarde waaronder [appellant sub 2] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep komen te vervallen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Troostwijk w.g. Pieters
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018
473.