Bestuursrecht overig
Bij besluit van 31 maart 2016 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning [locatie] te Vlaardingen met…
ECLI:NL:RVS:2018:2206 · Raad van State · 4 juli 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2018-2206
Zaakgegevens
Op 4 juli 2018 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 4 juli 2018
- Datum publicatie
- 4 juli 2018
- Zaaknummer
- 201705332/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2018:2206
Samenvatting
Bij besluit van 31 maart 2016 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning [locatie] te Vlaardingen met ingang van 11 april 2016 te sluiten voor de duur van drie maanden.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:3931Raad van State · 4 juli 2018deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2018:2206
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
201705332/1/A3.
Datum uitspraak: 4 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Vlaardingen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2017 in zaak nr. 16/5151 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Vlaardingen.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2016 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning [locatie] te Vlaardingen met ingang van 11 april 2016 te sluiten voor de duur van drie maanden.
Bij besluit van 11 juli 2016 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 mei 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling en mr. J.S. Bilgi, advocaten te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door L. El Bozidi, mr. M.H.A.J.M. Nuijten en A. Weeda, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 22 december 2015 zijn agenten de woning [locatie], die in eigendom is van [appellant], binnengetreden ter aanhouding van een persoon die gesignaleerd stond voor een misdrijf. Uit het door de politie opgestelde proces-verbaal van bevindingen van 22 december 2015 volgt dat hierbij een transparante zak met een groene inhoud is aangetroffen. De verbalisant heeft vermeld dat hij de inhoud van deze zak ambtshalve heeft herkend als hennep. Op 29 december 2015 is namens de districtschef van District Rijnmond Noord geadviseerd om een bestuurlijke maatregel te nemen. Daarin is vermeld dat de aangetroffen zak na weging 90 gram hennep bleek te bevatten.
Aangevallen uitspraak
Over de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet over te gaan. Zij heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de politieagenten zich hebben gelegitimeerd en dat [appellant] toestemming heeft gegeven om binnen te komen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om op dit punt te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal en is tot de conclusie gekomen dat de binnentreding van de woning rechtmatig was. De politieagenten hebben op een tafel een transparante zak met inhoud aangetroffen. De inhoud werd door hen ambtshalve herkend als hennep en [appellant] heeft daarover verklaard dat het weed was. De rechtbank heeft de stelling van [appellant] dat het om hennepresten ging waaraan de hars was onttrokken niet aannemelijk geacht. De burgemeester heeft genoegzaam onderbouwd dat de zak hennep bevatte. Het bleek na weging om 90 gram hennep te gaan en dat is een handelshoeveelheid, aldus de rechtbank.
Over de redelijkheid van uitoefening van de bevoegdheid
2.1. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting over te gaan. In dit verband heeft zij overwogen dat uit de aanvullende bestuurlijke rapportages van 29 februari 2016 en 17 maart 2016 volgt dat de vondst van hennep in de woning op 22 december 2015 niet op zichzelf staat, maar dat er al geruime tijd overlast wordt veroorzaakt door de bewoner en gebruikers van de woning. Omdat de woning een belangrijke rol in het drugsgebruikers- en dealerscircuit speelde en onweersproken is gesteld dat als gevolg van de overlast zes omwonenden in anderhalf jaar tijd zijn verhuisd, is volgens de rechtbank een zwaarwegend belang gediend bij sluiting van de woning voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang gediend bij handhaving zwaarder woog dan het belang van [appellant] en dat hij niet met een minder ingrijpende maatregel kon volstaan. Dat de sluiting enkele maanden na het aantreffen van de drugs heeft plaatsgevonden, maakt dit volgens de rechtbank niet anders, omdat uit de bestuurlijke rapportages is gebleken dat in ieder geval nog tot 16 maart 2016 overlast is veroorzaakt die verband houdt met drugs of drugsgebruikers.
Hoger beroep
Over de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting van zijn woning over te gaan. In dit verband voert hij in de eerste plaats aan dat voor zover moet worden aangenomen dat hij toestemming heeft gegeven om zijn woning binnen te treden, deze toestemming niet geldig was. De toestemming is niet verleend op basis van volledige en juiste informatie over de reden en het doel van de binnentreding, zodat er geen sprake is van een ‘informed consent’. De zak die tijdens het bezoek van de politie is aangetroffen, moet worden uitgesloten van het bewijs.
In de tweede plaats voert [appellant] aan dat de burgemeester niet heeft bewezen dat de zak die tijdens het bezoek is aangetroffen daadwerkelijk hennep bevatte. De bewijslast die in dit verband op de burgemeester rust, is zwaar omdat het hier gaat om een indringende sanctie. De burgemeester had in zijn verklaring dat het om hennepafval ging, aanleiding moeten zien om de inhoud van de zak te laten testen. De twijfel wordt versterkt door het feit dat hem ten aanzien van de zak een strafrechtelijk sepot is verleend.
In de derde plaats voert [appellant] aan dat er geen handel vanuit zijn woning heeft plaatsgevonden. In de woning zijn geen handelsattributen, zoals versnijdingsmiddelen, weegschalen en contanten aangetroffen. In de bestuurlijke rapportage van 17 maart 2016 wordt ervan uitgegaan dat de gripzakjes die zijn aangetroffen bestemd waren voor eigen gebruik. Het grootste deel van de meldingen van overlast bij zijn woning heeft geen betrekking op de handel in drugs. De gerapporteerde overlast kwam voort uit zijn psychische problematiek. Daarbij komt dat de strafrechtelijke verdenking die op hem rustte geen betrekking had op de handel in drugs, maar alleen op het bezit van drugs.
Over de redelijkheid van uitoefening van de bevoegdheid
3.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zijn bevoegdheid om tot sluiting over te gaan in redelijkheid heeft kunnen uitoefenen. In dit verband voert hij in de eerste plaats aan dat de burgemeester alleen tot sluiting van een woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet mag overgaan als er sprake is van een ernstig geval en daar was in zijn geval geen sprake van. Er zijn alleen softdrugs aangetroffen en er waren verder geen aanwijzingen voor drugshandel vanuit de woning. Gelet hierop en gelet op het feit dat de gerapporteerde overlast geen verband hield met drugs, had de burgemeester volgens [appellant] moeten volstaan met een waarschuwing.
In de tweede plaats voert [appellant] aan dat hij vanwege zijn psychische en fysieke problematiek moet worden aangemerkt als een sociaal en psychisch kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM) speciale bescherming geniet. Een sluiting van zijn woning zou zijn behandelingstraject doorkruisen, omdat hij geen alternatieve woonlocatie heeft. De burgemeester heeft zijn belang om in de woning te blijven, onvoldoende in de besluitvorming betrokken.
In de derde plaats voert [appellant] aan dat sluiting van de woning op 29 april 2016 niet langer noodzakelijk was, gelet op het tijdsverloop sinds het aantreffen van de softdrugs op 22 december 2015. Na het aantreffen van de softdrugs hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan, aldus [appellant].
Oordeel van de Afdeling
Over de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting
Binnentreden door de politie
4. Artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi) bepaalt:
"1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.
[…]
3. Een persoon in dienst van een bestuursorgaan die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of in opdracht van dat bestuursorgaan. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden vermeld.
4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden."
4.1. De twee politieagenten die op 22 december 2015 een bezoek aan de woning van [appellant] hebben gebracht, hebben daarvan op ambtseed en ambtsbelofte een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal dat de burgemeester aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, zijn de namen van de verbalisanten en andere betrokkenen dan [appellant] weggelakt. Ook de handtekeningen van de verbalisanten onderaan het proces-verbaal zijn weggelakt. Er is evenwel geen aanleiding om te veronderstellen dat het originele exemplaar van het proces-verbaal niet getekend is door de verbalisanten. Het enkele feit dat de ondertekening niet zichtbaar is, betekent niet dat aan hetgeen in het proces-verbaal is vermeld geen betekenis toekomt. Daarbij is van belang dat het proces-verbaal is opgesteld door opgeleide politieambtenaren, die geen belang hebben bij hetgeen zij in het proces-verbaal vermelden als door hen waargenomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:756.
4.2. In dit proces-verbaal is het volgende vermeld:
"Wij, verbalisanten, zagen dat omstreeks 20:55 uur drie mannen uit de woning kwamen. Wij herkenden één van die mannen als de bewoner [appellant]. Hierop zijn wij naar de mannen toegelopen en ongevraagd ons gelegitimeerd door middel van ons politielegitimatie. Hierna hebben wij gevraagd wat ze hier deden. Ik, verbalisant --- ben in gesprek gegaan met de twee voor ons onbekende mannen. Ik, verbalisant --- hoorde [appellant] tegen mij zeggen: "Binnen zit 'ie hoor, ---" of woorden van gelijke strekking. Het is mij, verbalisant ---, bekend dat ---, geboren ---, gesignaleerd stond voor een aanhouding buiten heterdaad voor artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Hierop hoorde ik [appellant] zeggen: "kom maar binnen" of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat [appellant] de deur van de woning openhield en naar binnen ging. Hierop hebben wij, verbalisanten, de woning met toestemming van de bewoner betreden."
In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de enkele stelling dat het proces-verbaal op dit punt onjuist is, hiertoe onvoldoende.
4.3. Uit het proces-verbaal volgt dat de verbalisanten in gesprek gingen met de drie mannen die uit de woning [locatie] kwamen. [appellant] heeft in dit gesprek te kennen gegeven dat een persoon die voor aanhouding gesignaleerd stond in zijn woning aanwezig was en dat de verbalisanten binnen mochten komen. Gelet hierop kon het niet anders zijn dan dat [appellant] bekend was met het doel en de reden van het binnentreden. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in strijd met artikel 1, derde lid, van de Awbi is gehandeld. Reeds hierom is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester het aantreffen van de zak in de woning in zijn besluitvorming heeft mogen betrekken.
Inhoud van de aangetroffen zak
4.4. In het proces-verbaal van 22 december 2015 is vermeld dat één van de verbalisanten een transparante zak met een groene inhoud heeft aangetroffen op een tafel in de woning. De verbalisant herkende de inhoud op basis van de uiterlijke kenmerken als hennep en heeft toen aan [appellant] gevraagd wat er in de zak zat. In het proces-verbaal is vermeld dat [appellant] hierop heeft geantwoord "Die zak is van mij, er zit weed in. Ik heb dit gehad van iemand" of woorden van gelijke strekking. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester mogen aannemen dat de zak hennep bevatte. De latere verklaring van [appellant] dat het hennepafval betrof maakt dit niet anders. Gelet op de omschrijving van hennep in lijst II van de Opiumwet moet elk deel van de plant hennep onder hennep in de zin van die wet worden gerekend, tenzij daarvan de hars is onttrokken. Het is niet aannemelijk dat het hier ging om hennepafval waaraan de hars was onttrokken, omdat [appellant] volgens de bestuurlijke rapportage van 29 februari 2016 heeft verklaard dat hij thee trok van de aangetroffen hennep om de werkzame stof tot zich te nemen.
Handel
4.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs immers met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan evenwel worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 5 gram softdrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid softdrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op de woning om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, betekent dit dat, indien het om een geringe overschrijding van de 5 gram grens gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden kan noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik zou kunnen gaan, er dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting is en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs bestemd is voor de verkoop, aflevering en verstrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.
4.6. Uit de rapportage van de politie van 29 december 2015 volgt dat de inhoud van de in de woning aangetroffen zak ongeveer 90 gram hennep bevatte. Deze hoeveelheid overschrijdt de door het openbaar ministerie als voor eigen gebruik aangemerkte hoeveelheid van maximaal 5 gram in ernstige mate. In de bestuurlijke rapportage van 29 februari 2016 en van 17 maart 2016 is vermeld dat de omwonenden heel veel overlast van [appellant] en andere gebruikers van de woning ervaren. Bij de bestuurlijke rapportage van 29 februari 2016 is een lijst gevoegd met daarop tientallen registraties van het half jaar voorafgaande aan het incident op 22 december 2015. In de bestuurlijke rapportage van 17 maart 2016 is vermeld dat er tussen 1 september 2015 en 1 maart 2016 ten minste 24 overlastmeldingen bij de wijkagent zijn binnengekomen. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de ervaren overlast uitsluitend voortvloeit uit zijn psychische problematiek. Een deel van de registraties en meldingen ziet uitdrukkelijk op het bezit van en de handel in drugs. De andere registraties en meldingen, waaronder registraties en meldingen over inbeslagname en geluidhinder, houden gelet op de duiding daarvan in de rapportages veelal ook een verband met het bezit van drugs en het gebruik en de verkoop daarvan in en vanuit de woning. In het proces-verbaal van 22 december 2015 hebben de verbalisanten vermeld dat het hun ambtshalve bekend is dat in en rond de woning [locatie] te Vlaardingen drugs worden gebruikt dan wel verkocht. Ter zitting heeft Weeda, inspecteur bij de politie, toegelicht dat het een komen en gaan was van bezoekers met drugsgerelateerde problemen. Onder deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat het hier om een handelshoeveelheid drugs ging die (mede) bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De door hem aangevoerde omstandigheid dat geen handelsattributen in de woning zijn aangetroffen, is in dit verband onvoldoende. Dat het openbaar ministerie [appellant] enkel heeft verdacht van bezit van softdrugs en hem hiervoor niet heeft vervolgd, kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Het toetsingskader in het strafrecht verschilt van het toetsingskader in het bestuursrecht, in die zin dat feiten wettig en overtuigend dienen te worden bewezen.
Conclusie
4.7. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd was om tot sluiting van de woning van [appellant] [locatie] over te gaan.
Over de redelijkheid van uitoefening van de bevoegdheid
5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar eerdergenoemde uitspraak van 11 december 2013, dient aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op een woning - welke een inmenging in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is. In dit verband dient de burgemeester alle relevante feiten en omstandigheden in kaart te brengen en af te wegen of de situatie dermate ernstig is dat sluiting moet volgen of met een andere, minder ingrijpende, maatregel kan worden volstaan. Vergelijk de uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941. De Afdeling verwijst hierbij naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30515, nr. 6, blz. 1 en 2). Hierin is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan en moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken.
Ernstig geval
5.1. De hoeveelheid hennep die de politie op 22 december 2015 in de woning heeft aangetroffen, is 18 maal groter dan wat als maximale hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Uit hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen volgt dat deze vondst werd gedaan na een periode waarin er veel drugsgerelateerde overlast vanuit de woning werd veroorzaakt. Het is aannemelijk dat de woning van [appellant] een belangrijke rol in het drugsgebruikers- en dealerscircuit speelde. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich hier een ernstig geval voordeed. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat een zwaarwegend belang was gediend bij sluiting van de woning voor bepaalde tijd.
Belangen van [appellant]
5.2. De burgemeester was bekend met de fysieke en psychische problematiek van [appellant] en heeft in de besluitvorming aandacht besteed aan het belang van [appellant] om vanwege deze problematiek in de woning te mogen blijven wonen. De burgemeester heeft evenwel een zwaarder gewicht toegekend aan het belang van sluiting van de woning dan aan het belang van [appellant]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester dit gelet op de ernst van de situatie in redelijkheid heeft kunnen doen. Daarbij is van belang dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sluiting van de woning zijn behandelingstraject zou doorkruisen. In de door hem overgelegde documenten is niets vermeld over de mogelijke gevolgen van een sluiting. Voorts is van belang dat de burgemeester hem opvang en zorg heeft aangeboden.
Tijdsverloop
5.3. In deze procedure ligt de rechtmatigheid van de besluiten van 31 maart 2016 en 11 juli 2016 ter beoordeling voor. In het besluit van 31 maart 2016 is [appellant] gelast zijn woning met ingang van 11 april 2016 te sluiten en in het besluit van 11 juli 2016 is het tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De daadwerkelijke sluiting van de woning, die in verband met een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar pas op 26 april 2016 heeft plaatsgevonden, kan in deze procedure in beginsel niet aan de orde komen. In dit licht begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant] over het tijdsverloop zo dat hij aanvoert dat het tijdsverloop sinds het aantreffen van de drugs op 22 december 2015 tot het nemen van het besluit van 31 maart 2016 zo lang was, dat sluiting niet langer noodzakelijk was. Over dit betoog overweegt de Afdeling als volgt.
5.4. De burgemeester is bij de bestuurlijke rapportage van 29 december 2015 door de politie op de hoogte gebracht van het aantreffen van drugs in de woning op 22 december 2015. Hij heeft op 8 februari 2016 een voornemen tot sluiting van de woning genomen en [appellant] in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Tevens heeft hij de politie om nadere informatie verzocht. Nadat hij de bestuurlijke rapportages van 29 februari 2016 en 17 maart 2016 had ontvangen, heeft de burgemeester op 31 maart 2016 het primaire besluit genomen. De burgemeester heeft op 11 juli 2016 een beslissing op het bezwaar van [appellant] tegen dit besluit genomen.
5.5. De Afdeling is van oordeel dat het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs en het nemen van het besluit van 31 maart 2016 niet onredelijk lang is. Gelet op het onder 5.4 geschetste procedureverloop is aannemelijk dat de burgemeester de tijd heeft gebruikt om zijn besluit van 31 maart 2016 zorgvuldig voor te bereiden. De tijd die is verstreken is voorts niet zo lang, dat moet worden aangenomen dat geen noodzaak meer bestond om de woning te sluiten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2986, waarin een tijdsverloop van iets meer dan vier maanden aan de orde was. Daar komt in dit geval nog bij dat uit de bestuurlijke rapportage van 17 maart 2016 volgt dat ook na 22 december 2015 overlast is veroorzaakt die verband houdt met drugs of drugsgebruikers. Het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs en het besluit van 31 maart 2016 doet dan ook niets af aan het onder 5.2 gegeven oordeel dat de burgemeester in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij sluiting van de woning dan aan het belang van [appellant] om in de woning te kunnen blijven.
Conclusie
5.6. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om [appellant] te gelasten zijn woning [locatie] te Vlaardingen te sluiten voor de duur van drie maanden.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, griffier.
w.g. Minderhoud w.g. Binnema
lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2018
589.