Bestuursrecht overig
Bij besluit van 22 maart 2016 heeft de minister geweigerd een mede door Connexie ingediend verzoek om…
ECLI:NL:RVS:2019:4273 · Raad van State · 18 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2019-4273
Zaakgegevens
Op 18 december 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 december 2019
- Datum publicatie
- 18 december 2019
- Zaaknummer
- 201803909/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2019:4273
Samenvatting
Bij besluit van 22 maart 2016 heeft de minister geweigerd een mede door Connexie ingediend verzoek om verlening van dispensatie van het besluit van de minister van 22 maart 2016 (Stcr. 2016, nr. 15865) tot algemeenverbindendverklaring tot en met 4 november 2017 van bepalingen uit de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao) voor Uitzendkrachten (hierna: ABU-cao) 2012-2017 in te willigen.
Procesgang
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 16 april 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:2457Raad van State · 18 december 2019deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2019:4273
Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Uitspraak
201803909/1/A3.
Datum uitspraak: 18 december 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
EV Tilburg B.V. h.o.d.n. Connexie Payroll & Loonadministratie (hierna: Connexie), gevestigd te Tilburg,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 april 2018 in zaak nr. 17/6007 in het geding tussen:
Connexie
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 maart 2016 heeft de minister geweigerd een mede door Connexie ingediend verzoek om verlening van dispensatie van het besluit van de minister van 22 maart 2016 (Stcr. 2016, nr. 15865) tot algemeenverbindendverklaring tot en met 4 november 2017 van bepalingen uit de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao) voor Uitzendkrachten (hierna: ABU-cao) 2012-2017 in te willigen.
Bij besluit van 27 juli 2017 heeft de minister het door Connexie daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2018 heeft de rechtbank het door Connexie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft Connexie hoger beroep ingesteld.
De minister en de Algemene Bond Uitzendondernemingen (hierna: de ABU) hebben ieder voor zich een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Connexie heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2019, waar Connexie, vertegenwoordigd door mr. J.F. Horsten, advocaat te Amsterdam, de minister, vertegenwoordigd door mr. A.S.M.J. Bol, mr. R.J. Vixseboxse, mr. G.E. Sneller-Jonkers, mr. A.D. Brouwers-Wozniak en mr. B. Tukus-Kara, de ABU, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], de Landelijke Belangen Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], en de Federatie Nederlandse Vakbeweging, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], zijn verschenen.
Ambtshalve overwegingen
1. In hoger beroep is een besluit aan de orde waarbij de minister heeft geweigerd om Connexie dispensatie te verlenen van algemeenverbindendverklaring van bepalingen uit de ABU-cao 2012-2017. Omdat de periode waarop deze algemeenverbindendverklaring ziet geheel in het verleden ligt, doet zich de vraag voor of Connexie belang heeft bij een inhoudelijke bespreking van het door haar ingestelde hoger beroep.
2. De Afdeling is van oordeel dat Connexie geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat Connexie, zoals de minister ter zitting heeft bevestigd, gedurende de periode waarop het besluit tot algemeenverbindendverklaring van 22 maart 2016 ziet, hetzij bij wijze van voorlopige voorziening, hetzij bij besluit van de minister, voorlopig gedispenseerd is geweest van dat besluit. Daaraan doet niet af dat het besluit van 13 april 2018, waarbij de minister heeft geweigerd Connexie dispensatie te verlenen van zijn besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen uit de ABU-cao 2017-2019, een repeterend karakter heeft ten opzichte van het in het onderhavige hoger beroep aan de orde zijnde besluit van 22 maart 2016 tot weigering van dispensatieverlening aan Connexie en het besluit van 27 juli 2017 tot handhaving daarvan. Daartoe is redengevend dat de Afdeling bij uitspraak van heden in zaak nr. 201806072/1/A3, ECLI:NL:RVS:2019:4211, heeft beslist op het door Connexie ingestelde hoger in het geschil over dat besluit van 13 april 2018. De vraag of een veroordeling tot vergoeding van in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten moet worden uitgesproken, geeft voorts, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:278), onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Ten slotte heeft Connexie, hoewel de Afdeling haar daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld, geen belangen aangevoerd die, in weerwil van het hiervoor overwogene, een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep rechtvaardigen.
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g. Verheij w.g. Robben
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019
610.